Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3721

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
11936477 BM VERZ 25-2336 ZK
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing van bewind wegens onvoldoende aannemelijkheid en gedragsaspecten

Betrokkene verzocht om opheffing van het bewind omdat hij meent weer in staat te zijn zijn financiën zelfstandig te beheren en omdat het vertrouwen in de bewindvoerder is verdwenen door vermeende fouten en onvoldoende informatieverstrekking.

De bewindvoerder stelde dat de grondslag en noodzaak van het bewind onverminderd aanwezig zijn, mede vanwege de kwetsbaarheid van betrokkene en zijn gebrek aan inzicht in zijn financiële situatie. Het bewind was ingesteld vanwege de geestelijke of lichamelijke toestand van betrokkene.

De kantonrechter oordeelde dat betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de grondslag van het bewind is komen te vervallen. Daarnaast speelde mee dat betrokkene tijdens de zitting dreigende taal heeft geuit richting de bewindvoerder en boos de zaal heeft verlaten, wat duidt op onvoldoende besef van de consequenties van zijn handelen.

Gezien deze omstandigheden blijft het bewind in stand en wordt het verzoek tot opheffing afgewezen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open, uitsluitend via een advocaat.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en gedragsaspecten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer : 11936477 BM VERZ 25-2336 ZK
dossiernummer : BM 60050
datum : 8 april 2026

beschikking op een verzoek tot opheffing van bewind

op verzoek van:

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
[adres],
hierna te noemen: betrokkene,
met als bewindvoerder FHV Castricum B.V., 1900 AJ Castricum, postbus 375.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek, ontvangen op 17 oktober 2025;
- de schriftelijke reactie van de bewindvoerder, ontvangen op 13 november 2025;
- de schriftelijke reactie van betrokkene, ontvangen op 7 januari 2026;
- de verklaring die door betrokkene ter zitting is overhandigd.
Het verzoek is mondeling behandeld op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig betrokkene en de bewindvoerder.

beoordeling

Betrokkene vraagt om opheffing van het bewind. Hij stelt dat hij in staat is om zelf zijn financiën weer te beheren. De bewindvoerder maakt fouten en zij informeert betrokkene niet of onvoldoende. Het vertrouwen is weg, aldus betrokkene.
De bewindvoerder voert verweer. De grond en de noodzaak voor het bewind zijn onverminderd aanwezig en de bewindvoerder is van mening dat betrokkene op dit moment niet in staat is zijn financiën zelfstandig te beheren. Dit komt mede doordat hij kwetsbaar is en onvoldoende inzicht heeft in zijn financiën. Het bewind is nog nodig, stelt de bewindvoerder.
Het bewind is ingesteld vanwege de geestelijke of lichamelijke toestand van betrokkene. Gelet op de ingediende stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken oordeelt de kantonrechter dat betrokkene onvoldoende heeft aangetoond dat de grondslag van het bewind is komen te vervallen. Ter zitting heeft betrokkene dreigende taal geuit richting de bewindvoerder. Betrokkene heeft daarbij de zittingszaal boos verlaten. Deze omstandigheden worden door de kantonrechter mede in zijn oordeel betrokken en maken ook dat de kantonrechter oordeelt dat betrokkene de consequenties van zijn handelen onvoldoende overziet, hetgeen bijdraagt aan het oordeel dat het bewind in stand dient te blijven. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het verzoek afwijzen.

beslissing

De kantonrechter:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. de Valk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.