Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3745

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/15/376549 / JU RK 26-548
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging uithuisplaatsing minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 7 april 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige voor drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken. De minderjarige verblijft sinds 2 februari 2026 vrijwillig in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder vanwege onveilige thuissituatie door frequente ruzies met de moeder.

De minderjarige liep herhaaldelijk weg naar een voormalige vriendin van de moeder, die na onderzoek door de Raad als onveilig werd beoordeeld. Sinds 3 april 2026 is de minderjarige niet teruggekeerd naar de jeugdhulpaccommodatie en verblijft zij al meerdere nachten bij deze vriendin. De moeder kan door de verstoorde relatie geen regie voeren om het weglopen te voorkomen.

De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd en dat een voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De behandeling van het verzoek wordt verder aangehouden en een zitting gepland.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wegens acute bedreiging van haar ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/376549 / JU RK 26-548
Datum uitspraak: 8 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Alkmaar,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de GI.,
gevestigd te Alkmaar.

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 7 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
4.2.
[de minderjarige] en haar moeder hadden veel ruzies met elkaar wat voor veel onveiligheid zorgde. [de minderjarige] kan daarom niet thuis wonen. Om deze reden is [de minderjarige] op 2 februari 2026 op vrijwillige basis uit huis geplaatst naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . De Raad vindt dit een geschikte verblijfplaats voor haar.
4.3.
[de minderjarige] wil graag bij [een voormalige vriendin van moeder] wonen, een voormalige vriendin van moeder. De moeder heeft hier ernstige bezwaren tegen. De Raad heeft een informele netwerkscreening naar de thuissituatie bij [een voormalige vriendin van moeder] gedaan. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat dit geen veilige omgeving is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] is verteld dat zij niet bij [een voormalige vriendin van moeder] mag verblijven en dat de Raad dit geen geschikte verblijfplaats voor haar vindt. [de minderjarige] is sinds haar plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] al diverse keren weggelopen naar [een voormalige vriendin van moeder] . Op 3 april 2026 is [de minderjarige] opnieuw weggelopen naar [een voormalige vriendin van moeder] en ze is tot nu toe niet teruggekeerd naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Aan [een voormalige vriendin van moeder] is verzocht om ervoor te zorgen dat [de minderjarige] terugkeert naar de groep en om [de minderjarige] niet binnen te laten of te houden. [een voormalige vriendin van moeder] heeft aangegeven dat zij zal kijken wat zij kan doen. Op 7 april 2026 is [de minderjarige] niet naar school gegaan, maar bij [een voormalige vriendin van moeder] gebleven. [de minderjarige] verblijft daar nog steeds.
4.4.
Tot nu toe kwam [de minderjarige] steeds na (maximaal) een nacht verblijf bij [een voormalige vriendin van moeder]
terug naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Op dit moment wordt gezien dat [de minderjarige] al vier nachten bij [een voormalige vriendin van moeder] verblijft, waarbij het onduidelijk is of en wanneer zij terugkeert naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Het is van belang dat er gesprekken worden gevoerd tussen [de minderjarige] , moeder en [een voormalige vriendin van moeder] om te bespreken hoe het weglopen voorkomen kan worden. Er moet per direct een plan worden opgesteld met afspraken, waarbij het van belang is dat iemand monitort of deze worden nagekomen. Gezien de verstoorde relatie tussen [de minderjarige] en haar moeder, lukt het moeder op dit moment niet deze regie te kunnen nemen.
4.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
4.6.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2]
4.7.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.9.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 8 april 2026 tot 8 juli 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 8 april 2026 tot 6 mei 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van
mr. W.C. Oosterbroek op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan de Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.7.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. van Roest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).