ECLI:NL:RBNHO:2026:379

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
96/156910-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om kostenvergoeding in rekestprocedure wegens ontbreken raadsman

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een rekestprocedure met parketnummer 96/156910-25. De verzoeker, vertegenwoordigd door een bijzonder gevolmachtigde, heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) om een kostenvergoeding van in totaal € 1.392,30. Dit bedrag omvat de kosten van een gemachtigde in de strafzaak en de kosten voor het opstellen en indienen van het verzoek. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker niet verder is vervolgd door de officier van justitie, en dat het verzoekschrift op 18 juli 2025 is ontvangen. Tijdens de behandeling op 13 januari 2026 is de bijzonder gevolmachtigde gehoord, maar de verzoeker zelf is niet verschenen.

De rechtbank heeft in haar beoordeling geconcludeerd dat de bijzonder gevolmachtigde niet kwalificeert als raadsman in de zin van artikel 530 lid 2 Sv, omdat hij niet is ingeschreven bij de Nederlandse Orde van Advocaten. De rechtbank heeft verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2023, waarin is bepaald dat alleen kosten van een advocaat voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank heeft de argumenten van de gemachtigde, die stelde dat hij gelijkwaardig is aan een advocaat, verworpen. De rechtbank benadrukt dat de wetgever specifieke eisen heeft gesteld aan advocaten en dat de kwaliteit van rechtsbijstand door gemachtigden niet kan worden vergeleken met die van advocaten.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het verzoek om kostenvergoeding afgewezen, omdat de bijzonder gevolmachtigde niet voldoet aan de vereisten van artikel 530 Sv. De beslissing is openbaar uitgesproken en er staat hoger beroep open bij het gerechtshof.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Alkmaar
parketnummer : 96/156910-25
raadkamernummer : 25-022165
datum : 20 januari 2026
beslissing op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren op [datum] 1980 te [geboorteplaats],
wonende op het adres [woonadres],
hierna te noemen: de verzoeker.

Feiten

In de strafzaak met het hiervoor vermelde parketnummer heeft de officier van justitie beslist de verzoeker niet verder te vervolgen. De beslissing is bij brief van 22 mei 2025 aan de verzoeker medegedeeld.

Procedure

De rechtbank heeft het ondertekende verzoekschrift op 18 juli 2025 ontvangen.
De rechtbank heeft op 13 januari 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de bijzonder gevolmachtigde van de verzoeker (mr. A.C.M. Brom) en de officier van justitie op zitting gehoord. De verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Verzoek

Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding van in totaal € 1.392,30 wegens:
  • de kosten van een gemachtigde in de strafzaak tot een bedrag van € 712,30;
  • de kosten van een gemachtigde voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoek tot een bedrag van € 680,-.

Standpunt verzoeker

Namens de verzoeker stelt de bijzonder gevolmachtigde zich op het standpunt overeenkomstig de inhoud van een als bijlage I aan deze beslissing gehechte pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde kostenvergoeding moet te worden afgewezen. Hiervoor verwijst zij naar een arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat overeenkomstig artikel 530 lid 2 Sv alleen kosten van een
raadsman kunnen worden vergoed als een zaak zonder straf of maatregel eindigt, waarbij ‘raadsman’ alleen een advocaat betekent die is ingeschreven bij de Nederlandse Orde van Advocaten dan wel volgens artikel 37 lid 2 Sv als raadsman is toegelaten. [1] De kosten van een juridisch adviseur die geen advocaat is, zoals de bijzonder gevolmachtigde in deze zaak, komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Door bijzonder gevolmachtigde in onderhavige zaak wordt immers niet betwist dat er geen sprake is van een raadsman in de zin van artikel 530 lid 2 Sv dan wel artikel 37 lid 2 Sv en ook de bepleite kwaliteiten van de bijzonder gevolmachtigde laten dat onverlet.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.
Als de strafzaak van een verdachte is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a (schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel) van het Wetboek van Strafrecht, kan die verdachte in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de kosten van zijn advocaat in verband met die zaak (artikel 530 Sv).
In onderhavige procedure stelt de (bijzonder gevolmachtigde van de) verzoeker dat hij aanspraak maakt dan wel zou moeten maken op de verzochte kostenvergoeding alsmede de forfaitaire vergoedingen voor onderhavige procedure.
Rechtsoverweging 3.5.1 uit het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2023 luidt als volgt:
Aan het begrip ‘raadsman’ in artikel 530 lid 2 Sv komt geen andere betekenis toe dan dat begrip heeft in artikel 37 Sv. Onder de in artikel 530 lid 2 Sv bedoelde kosten van een raadsman kunnen daarom alleen worden begrepen de kosten die zijn gemaakt door een advocaat die is ingeschreven op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten, of die overeenkomstig artikel 37 lid 2 Sv als raadsman is toegelaten. Deze regeling hangt ermee samen dat in strafzaken de verlening van rechtsbijstand plaatsvindt door een advocaat (vgl. artikel 28 Sv), waarbij die rechtsbijstandverlening is omgeven met waarborgen die er in het bijzonder in bestaan dat een advocaat is gebonden aan de wet- en regelgeving die op het optreden als advocaat van toepassing zijn en is onderworpen aan het tuchtrecht.
In onderhavige zaak is de bijzonder gevolmachtigde niet ingeschreven op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten, waardoor hij derhalve niet kwalificeert als advocaat in de zin van artikel 530 lid 2 Sv dan wel artikel 37 Sv.
De gemachtigde heeft verschillende argumenten aangevoerd die als strekking hebben dat hij desondanks toch aanspraak zou moeten maken op de vergoeding, omdat hij net zo gekwalificeerd zou zijn als een advocaat in de zin van de Advocatenwet, waaronder dat hij diverse rechtenstudies heeft voltooid en lid is van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. Bovendien zou hij exact hetzelfde werk verrichten, tegen lagere kosten, waarbij hij bovendien (vrijwillig) aan tuchtrecht (van belastingadviseurs) onderhevig zou zijn. De rechtbank volgt de bijzonder gevolmachtigde niet in dit argument. De wetgever heeft in artikel 530 Sv bepaald dat enkel de kosten voor een raadsman voor vergoeding in aanmerking komen, behoudens de gevallen als bedoeld in artikel 44a van de Wet op de Rechtsbijstand. Hieraan voldoet de bijzonder gevolmachtigde niet. Voor advocaten geldt dat zij moeten voldoen aan verschillende gedrags- en kwaliteitseisen, zoals het volgen van een initiële beroepsopleiding, het registreren van een zekere mate van specialisatie en het volgen van permanente educatie
.Door het gebruik van de term ‘raadsman’ creëert de wettelijke vergoedingsregeling van artikel 530 Sv een ondergrens aan de kwaliteit van rechtsbijstand die voor vergoeding in aanmerking komt. Gemachtigden hoeven niet aan diezelfde kwaliteitseisen te voldoen. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld dat rechtsbijstand die door gemachtigden wordt verleend in het algemeen hetzelfde juridisch deskundig niveau heeft als rechtsbijstand verleend door een advocaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit arrest als strijdig met Europees Recht te beschouwen, nu er geen sprake is van een beperking van het recht op vrije advocaatkeuze, nu het lidstaten ook op basis van Europees recht vrijstaat minimumeisen te stellen aan juridische bijstand in gerechtelijke procedures. Dat de gemachtigde diverse rechtenstudies heeft voltooid en zichzelf vrijwillig aan tuchtrecht van belastingadviseurs heeft onderworpen maakt dat niet anders nu de gemachtigde niet aan de hiervoor gestelde eisen voldoet.
De gemachtigde heeft verder aangevoerd dat een bijzondere gevolmachtigde bij wet gelijk is gesteld aan een advocaat, waardoor de bijzonder gevolmachtigde ook om die reden aanspraak kan maken op de vergoeding als bedoeld in artikel 530 Sv. De rechtbank volgt deze redenering niet. De door de gemachtigde aangehaalde artikel 12f en 450 Sv betreffen specifieke gevallen waarin een bijzonder gevolmachtigde een rol kan toekomen. Hieruit kan echter geenszins worden afgeleid dat de bijzondere gevolmachtigde bij wet gelijk is gesteld aan een advocaat, laat staan dat de bijzonder gevolmachtigde - zonder in artikel 530 Sv genoemd te worden - alsnog een vergoeding voor een raadsman toe zou komen.
De gemachtigde heeft bovendien aangevoerd dat hij in een kantonprocedure als bijzonder gevolmachtigde de plaats van de verdachte inneemt, waardoor hij met hem wordt vereenzelvigd. Dit zou volgens hem ook moeten inhouden dat hem op grond van artikel 530 lid 2 Sv een vergoeding kan worden toegekend voor de schade die hij zelf ten gevolge van tijdverzuim heeft geleden. De rechtbank volgt ook dit argument niet. De mogelijkheid tot vertegenwoordiging op zitting houdt niet in dat de vertegenwoordiger een vergoeding voor eigen tijd op grond van artikel 530 Sv zou toekomen. Daar komt bij dat de door de gemachtigde verzochte vergoeding een vergoeding van verrichte diensten betreft en geen schade die hij wegens tijdsverzuim zelf zou hebben geleden.
De gemachtigde heeft tot slot aangevoerd dat, voor zover zou worden geoordeeld dat de gemachtigde geen vergoeding op grond van artikel 530 Sv toekomt, de verzochte kosten
onder 6:162 BW vergoed dienen te worden omdat sprake zou zijn van een onrechtmatige overheidsdaad. De rechtbank benadrukt echter dat de raadkamer niet bevoegd is te oordelen over civielrechtelijke geschillen. Het staat de gemachtigde vrij deze vraag voor te (laten) leggen aan de burgerlijk rechter.
Gelet op het voorgaande komt de bijzonder gevolmachtigde in onderhavige zaak niet in aanmerking voor de verzochte kostenvergoeding alsmede de forfaitaire vergoedingen voor onderhavige procedure. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door
mr. P.A. Hesselink, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Sluiter, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verzoeker binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:344.