3.3.2.Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3
De verklaring van de aangever
[aangever] (hierna: de aangever) heeft verklaard dat hij op 5 juni 2023 omstreeks 20:45 uur in de woning van de verdachte in [plaats] had afgesproken. Omstreeks 22.00 uur gaf de verdachte aan dat zij de post ging halen aan de voorkant van haar woning. De verdachte kwam terug met een stapel brieven in haar hand en liet de voordeur openstaan. Enkele ogenblikken later liepen twee mannen (hierna: de medeverdachten) de woning binnen. De aangever wilde de woning verlaten, maar werd tegengehouden door de medeverdachten. De aangever werd door hen vastgegrepen, op zijn hoofd en lichaam geslagen en de slaapkamer in geduwd. In de slaapkamer werden zijn spullen, waaronder zijn portemonnee en telefoon, uit zijn broekzakken gehaald. De aangever werd vervolgens gedwongen zijn inloggegevens voor zijn telefoon en bankrekeningen te geven, werd mishandeld toen hij niet de juiste gegevens gaf, en werd vastgebonden en in de inloopkast vastgezet. Ook werden een filmpje gemaakt van het gezicht van de aangever en moest hij zijn adres doorgeven. Na urenlang vast te zijn gehouden moest hij schone kleren aantrekken en werd hem gezegd dat hij over een uur, na het afgaan van een wekker, de inloopkast mocht verlaten. De aangever klom omstreeks 5.00 uur ‘s nachts via een raam naar buiten, liep naar de voordeur en zag de verdachte op de bank zitten. De aangever pakte zijn telefoon uit de woonkamer en vertrok, waarna hij naar zijn woning reed en daar de politie belde. Daar bleek dat er ruim €11.000 van zijn bankrekeningen was gepind.
Betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangever als betrouwbaar kan worden aangemerkt en om die reden bruikbaar is voor het bewijs. De verklaring is consistent, gedetailleerd en wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank zal de aangifte van de aangever dan ook als uitgangspunt nemen in deze zaak.
De verklaring van de verdachte
De rechtbank stelt vast dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat zich in haar woning heeft afgespeeld. Zij is op 5 november 2025 opnieuw door de politie verhoord, waar zij heeft verteld onder druk te zijn gezet door een groep jongens om een persoon te vinden met een duur horloge, zodat die door hen kon worden beroofd. Op 5 juni 2023 heeft zij met de aangever bij haar woning afgesproken. Zij wist dat hij, zodra hij haar woning zou verlaten, buiten door de medeverdachten kon worden beroofd. De verdachte heeft verder verklaard dat zij op een gegeven moment de post is gaan halen en de voordeur van de woning open heeft gelaten omdat het warm was. Zij heeft aangegeven niet te hebben geweten dat de medeverdachten haar woning zouden binnenkomen en de aangever van zijn vrijheid zouden beroven. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij, in de hoop dat een einde zou komen aan de op haar uitgeoefende druk van deze groep jongens, enkel heeft gedaan wat de medeverdachten van haar vroegen, waaronder het pinnen van geldbedragen van de bankrekeningen van de aangever. Zij heeft verder geen handelingen verricht om de situatie te beëindigen.
Oordeel van de rechtbank over medeplegen en opzet
De rechtbank stelt op basis van de verklaring van de aangever en de overige bewijsmiddelen vast dat hij in de avond en nacht van 5 op 6 juni 2023 met toepassing van geweld wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd, waarna zijn portemonnee is gestolen en er geld is opgenomen met de daarin aanwezige pinpassen. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verdachte opzet heeft gehad op deze feiten en of zij als medepleger daarvan kan worden aangemerkt.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezen indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen, ter verwezenlijking van het grondfeit, in dit geval: opzettelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en diefstal met valse sleutels. Dit is alleen gerechtvaardigd indien de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Het accent ligt hierbij op de samenwerking en niet op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De bijdrage van de medepleger wordt in de regel geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit, in de vorm van een gezamenlijke uitvoering, maar kan ook bestaan uit verschillende handelingen vóór, tijdens en/of na het strafbare feit.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een dusdanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten dat gesproken kan worden van medeplegen. Mogelijk had de verdachte vooraf niet een precies beeld van hoe een en ander zou verlopen en heeft zij ook instructies van haar medeverdachten opgevolgd maar uit het verloop van de avond en nacht en de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte vóór, tijdens en ná de tenlastegelegde feiten leidt de rechtbank af dat de verdachte opzet had op alle tenlastegelegde feiten, en niet slechts op het buiten laten plaatsvinden van een beroving van enkel een – niet bestaand – horloge. De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich niet alleen niet heeft onttrokken aan de situatie of hulp heeft gezocht terwijl zij daartoe wel de gelegenheid had, maar gezamenlijk met de medeverdachten is blijven optrekken en handelen. Daarnaast impliceert ‘beroving’ het wegnemen met geweld of bedreiging daarmee en wist de verdachte dus dat dit zou plaatsvinden.
Vóóraf
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de aangever bewust heeft geselecteerd als slachtoffer van een beroving, een afspraak met hem heeft gemaakt in haar woning en haar medeverdachten heeft ingelicht over de aanwezigheid van de aangever. Vervolgens deed de verdachte de voordeur open, in de wetenschap dat de medeverdachten buiten stonden, waardoor de medeverdachten de woning konden betreden. Dat zij de deur alleen openliet omdat het warm was acht de rechtbank reeds hierom ongeloofwaardig. Bovendien is dit niet in lijn met de door de verdediging aangehaalde verklaring van de aangever. Hieruit volgt namelijk dat toen de aangever vroeg: “hé ga je de deur niet dichtdoen” zij die warmte niet noemde, zei van wel en naar de deur liep. Toen kwamen de medeverdachten binnen.
Tijdens het pinnen en de vrijheidsberoving
Nadat het geweld tegen de aangever, en niet tegen de verdachte, plaatsvond en de aangever in de inloopkast werd vastgehouden, ging de verdachte met een van de medeverdachten mee om geldbedragen van de bankrekeningen van de aangever te pinnen.
Ook tijdens het pinnen heeft de verdachte er geen enkele blijk van gegeven het niet eens te zijn met de gang van zaken of de wil om de situatie te beëindigen, nu zij geregeld op afstand van de medeverdachte stond, eenvoudig de bij de pinautomaten -of elders aanwezige- omstanders had kunnen aanspreken. Bovendien beschikte zij op dat moment volgens haar verklaring ter terechtzitting vrijelijk over haar telefoon, waarmee zij kennelijk wel met een kennis belde, maar geen alarm sloeg over de vrijheidsberoving die op dat moment nog gaande was.
Nadien
Ook nadat de medeverdachten de woning hadden verlaten, terwijl de aangever nog met gebonden handen in de inloopkast zat, heeft de verdachte, die volgens de aangever op de bank zat, geen enkele actie ondernomen, ook niet na geruime tijd, om de situatie te beëindigen of de aangever te bevrijden.
Uit het hiervoor overwogene volgt ook dat het opzet van de verdachte gericht was op de grondfeiten, te weten: opzettelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en diefstal met valse sleutels. Mogelijk hebben de medeverdachten enige druk op de verdachte uitgeoefend om haar medewerking te verkrijgen maar gelet op al het voorgaande en het hieronder onder 5. overwogene, doet dit niet af aan de bij haar aanwezige opzet op het tenlastegelegde.
Conclusie
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.