Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De vordering
€ 975.959,00en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.Het verloop van de procedure
3.Het standpunt van de officier van justitie
4.Het standpunt van de verdediging
medeplegen van het invoeren van cocaïne van 7 mei 2017 tot en met 11 mei 2017;
medeplegen van het invoeren van cocaïne van 26 juli 2017 tot en met 30 juli 2017;
medeplegen van het invoeren van cocaïne op 28 augustus 2017;
medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen van 1 november 2017 tot en met 3 november 2017;
deelname aan een criminele organisatie van 1 mei 2017 tot en met 22 november 2017;
voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III met patronen op 21 november 2017;
medeplegen van witwassen van 1 januari 2014 tot en met 21 november 2017, meermalen gepleegd.
bijlage 1bij dit vonnis opgenomen.
/2)
= € 590.479,95.
6.De verplichting tot betaling
€ 580.479,95.
7.Toepasselijke wettelijke bepaling
8.Beslissing
[veroordeelde]op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 580.479,95(zegge: vijfhonderdtachtigduizend vierhonderdnegenenzeventig euro en vijfennegentig cent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum