De rechtbank Noord-Holland heeft op 23 maart 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van witwassen en valsheid in geschrift. De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betreft het terugvorderen van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De ontnemingsrapportage, opgesteld door een financieel rechercheur, maakte gebruik van een uitgebreide kasopstelling om het wederrechtelijk verkregen voordeel te berekenen over de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 november 2017. De rechtbank constateerde een grote financiële verwevenheid tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde, die ex-partners zijn, en besloot het voordeel pondsgewijs te verdelen. Daarnaast werd het vervolgprofijt uit de waardestijging van een woning aan een adres in Haarlem vastgesteld op €300.000, gebaseerd op de WOZ-waarde per 1 januari 2025.
De totale schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel bedroeg €1.180.959,91, waarvan de veroordeelde de helft, €590.479,95, moet betalen. De rechtbank matigde dit bedrag met €10.000 vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie jaar, waardoor de betalingsverplichting werd vastgesteld op €580.479,95.
De rechtbank wees erop dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de veroordeelde kon worden toegerekend en dat de overschrijding in de onderliggende strafzaak reeds was gecompenseerd. De beslissing werd genomen in aanwezigheid van de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde, en het vonnis werd gewezen door drie rechters.