Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3852

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/15/376700 / JU RK 26-567
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de kinderrechter om een minderjarige voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De minderjarige woont bij haar vader, maar er zijn al langere tijd zorgen over haar welzijn, waaronder schoolverzuim, weglopen van huis en betrokkenheid bij strafbare feiten. Op 1 maart 2026 vond een explosie plaats bij het gezin thuis, waarna de woning werd gesloten en het gezin elders verbleef. De vader en het broertje zijn naar Egypte vertrokken, terwijl de minderjarige onvindbaar is sinds 8 april 2026.

De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulp niet heeft geleid tot verbetering. Daarom is voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk. Ook is het in het belang van de verzorging en opvoeding dat de minderjarige uit huis wordt geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor twee weken verleend, met de verwachting dat zij binnen die termijn wordt gevonden en kan worden geplaatst bij een jeugdhulpaanbieder.

De beslissing wordt direct uitvoerbaar verklaard en de verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden. De minderjarige, haar ouders en de Raad worden uitgenodigd hun mening te geven. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor twee weken wegens ernstige bedreiging van haar ontwikkeling en veiligheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/376700 / JU RK 26-567
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbeschermingte Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar vader.
3.
Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
Uit het verzoek van de Raad, zoals telefonisch nader is toegelicht, blijkt het volgende. [de minderjarige] woont met haar broertje bij haar vader. Met haar moeder heeft ze weinig tot geen contact. Ook de relatie tussen de ouders onderling is moeizaam. Er zijn al lange tijd zorgen over [de minderjarige] in de thuissituatie. Zo gaat [de minderjarige] al langere tijd niet naar school, loopt ze vaak weg van huis en is ze dan niet eerlijk over waar ze verblijft. Daarnaast bestaan grote zorgen over het netwerk waarin [de minderjarige] zich begeeft. Zo is zij betrokken geraakt bij twee strafbare feiten en staat zij in dat kader onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA).
4.2.
Op 1 maart 2026 heeft een explosie plaatsgevonden bij [de minderjarige] thuis, waardoor de woning op last van de gemeente is gesloten. Het gezin heeft sindsdien verbleven bij mensen uit hun netwerk, maar dat is door [de minderjarige] en haar vader en broertje als zeer belastend ervaren. De vader is daarom halverwege maart 2026 met het broertje van [de minderjarige] naar Egypte vertrokken. [de minderjarige] is bij een vriendin in Nederland gebleven en zou op 9 april 2026 naar Egypte vertrekken.
4.3.
Hoewel JBRA goed in contact was met [de minderjarige] , is zij sinds afgelopen woensdag
8 april jl. onbereikbaar. Desgevraagd weet de vader niet waar zij is en zegt hij dat hij ook niet wist dat [de minderjarige] op 9 april 2026 naar Egypte zou vliegen. [de minderjarige] is in elk geval niet bij hem in Egypte. Ook overigens is de kans volgens de Raad groot dat [de minderjarige] nog in Nederland is, omdat volgens de Raad geen passende vluchten naar Egypte zijn vertrokken op 9 april 2026. Ondanks meerdere pogingen daartoe van de ouders van [de minderjarige] , JBRA en de Raad, kan niemand [de minderjarige] bereiken en weet niemand waar zij nu is. De kans is groot dat [de minderjarige] aan het rondzwerven is. Dat is zorgelijk, onveilig en niet in haar belang. Ook voordat [de minderjarige] kwijt was, was bekend bij de Raad dat [de minderjarige] soms tot laat in de sportschool bleef om daar maar te kunnen overnachten.
4.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De Raad is al langer betrokken bij [de minderjarige] en het is niet gelukt om in een vrijwillig kader de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. Daarom is de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk.
4.5.
De kinderrechter realiseert zich dat de meest acute zorg op dit moment is, dat [de minderjarige] geen verblijfsplek heeft. Voor dat enkele doel is de machtiging uithuisplaatsing niet bedoeld. Gelet op de eerdere zorgen die er over [de minderjarige] al waren, in combinatie met de zorgen over huidige veiligheid, is de kinderrechter echter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2]
4.6.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken. De kinderrechter acht een termijn van twee weken passend, omdat [de minderjarige] op dit moment onvindbaar is. De verwachting en hoop is dat zij binnen deze termijn gevonden zal worden en de verdere vervolgstappen bekeken kunnen worden. Inmiddels is plek voor haar gevonden bij Nabijzorg. Dat betekent dat zodra [de minderjarige] terecht is, zij daar kan verblijven.
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.8.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 10 april 2026 tot 10 juli 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 april 2026 tot 24 april 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voortzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
5.5.
bepaalt dat de griffier de Raad, de GI, de vader en de moeder tijdig zal oproepen voor die zitting;
5.6.
vraagt de griffier [de minderjarige] tijdig op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026, in aanwezigheid van L.I. Fernandes Paredes als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).