De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 9 april 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een 13-jarig Pools meisje dat in Nederland woont met haar moeder en stiefvader. Er waren meerdere meldingen van verbaal en fysiek geweld door de moeder en stiefvader, gericht op de minderjarige, die ook meerdere keren was weggelopen en maanden niet naar school was geweest.
De minderjarige had suïcidepogingen gedaan en was verwezen naar de GGZ, maar had daar geen hulp ontvangen. Pogingen tot ambulante spoedhulp mislukten door personeelsgebrek. De moeder was wisselend in haar houding en dreigde terug te keren naar het buitenland, waarbij onduidelijk was wat er met de minderjarige zou gebeuren.
De kinderrechter oordeelde dat er een ernstig vermoeden bestond dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig werd bedreigd en dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk was om deze bedreiging weg te nemen. Tevens was uithuisplaatsing in een netwerkgezin en daarna een gezinsgerichte voorziening noodzakelijk voor haar veiligheid en welzijn.
De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De behandeling van het verzoek werd voor het overige aangehouden, met een nader te bepalen zitting waarbij alle betrokkenen worden gehoord.