Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3974

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
HAA 25/2808 en HAA 25/2911
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 32.2.2 bestemmingsplanArt. 1 AfwijkingenbeleidArt. 1 bijlage II Besluit omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning wegens onredelijke afwijking van Afwijkingenbeleid

Vergunninghouders vroegen een omgevingsvergunning aan voor een kas op hun perceel, die aanvankelijk werd geweigerd. Na bezwaar trok het college de weigering in en verleende alsnog de vergunning, ondanks dat de kas niet voldeed aan het Afwijkingenbeleid dat de maximale bebouwingsoppervlakte regelt.

Eisers, buren van vergunninghouders, stelden dat het college onredelijk had gehandeld door af te wijken van het beleid en dat de overschrijding van de toegestane oppervlakte niet gering was. De rechtbank oordeelde dat eisers belanghebbenden zijn en procesbelang hebben, omdat zij zicht hebben op de kas en de procedure een verwijdering van de kas kan opleveren.

De rechtbank stelde vast dat het college niet in redelijkheid tot de afwijking van het Afwijkingenbeleid kon komen. Argumenten zoals de lange aanwezigheid van de kas en het ontbreken van zicht vanaf de openbare weg rechtvaardigen geen afwijking. Het besluit van het college was in strijd met artikel 4:84 Awb Pro en werd vernietigd, waardoor de eerdere weigering weer van kracht werd.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning omdat het college niet in redelijkheid van het Afwijkingenbeleid kon afwijken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/2808 en HAA 25/2911

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaken tussen

[eisers 1], respectievelijk
[eisers 2], allen uit [plaats] , eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer

(gemachtigden: mr. C. Bakkum en S.Y. Güler).
Als derde-partij nemen aan de zaken deel:
[vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2], uit [plaats] (vergunninghouders)
(gemachtigde: J. van der Velden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghouders na een aanvankelijke weigering alsnog verleende omgevingsvergunning voor een hobbykas. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het verlenen van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de weigering van de vergunning niet in redelijkheid heeft kunnen terugdraaien. Eisers krijgen dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 17 mei 2024 hebben vergunninghouders een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een kas en een schuur. Op 8 augustus 2024 hebben vergunninghouders een nieuwe situatietekening ingediend en aangegeven dat de schuur geen deel meer uitmaakt van de aanvraag. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 10 september 2024 geweigerd. Vergunninghouders hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met de beslissing op bezwaar van 24 januari 2025 heeft het college de weigering in stand gelaten. Vergunninghouders hebben tegen het besluit van 24 januari 2025 beroep ingesteld.
2.1.
Op 13 mei 2025 heeft het college de beslissing op bezwaar van 24 januari 2025 ingetrokken en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Met dit bestreden besluit van 13 mei 2025 heeft het college het weigeringsbesluit van 10 september 2024 herroepen en de omgevingsvergunning alsnog verleend. Het college heeft daarbij het advies van de vaste commissie van advies voor bezwaarschriften van 23 januari 2025 niet overgenomen. Vergunninghouders hebben naar aanleiding van het bestreden besluit hun beroep tegen het besluit van 24 januari 2025 ingetrokken.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouders hebben tevens schriftelijk op de beroepen gereageerd. Eisers en vergunninghouders hebben daarna nog nadere stukken ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door [naam] (broer respectievelijk zoon van eisers), de gemachtigden van het college, vergunninghouders en de gemachtigde van vergunninghouders.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Vergunninghouders wonen op [adres 1] in [plaats] . Op dit perceel staat achter hun woning al meer dan dertig jaar een kas. Vergunninghouders hebben een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend om deze kas te legaliseren. Eisers wonen op het naastgelegen perceel op [adres 2] respectievelijk [huisnummer] in [plaats] . Het perceel van vergunninghouders valt onder het bestemmingplan ‘Park21’. Dit bestemmingplan maakt deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft de bestemming ‘Wonen’. Voor het bouwen van gebouwen op percelen met deze bestemming geldt op grond van artikel 32.2.2, aanhef en onder k, van het bestemmingsplan: ‘
op de gronden buiten het bouwvlak mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen niet meer zijn dan 50% van de buiten het bouwvlak gelegen gronden met een maximum van 75 m²; dan wel de gezamenlijke oppervlakte van bestaande bouwwerken met inachtneming van de bestaande lengte, breedte, goothoogte en bouwhoogte per gebouw;’.De kas is in strijd met deze planregel, omdat de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak meer bedraagt dan is toegestaan. Op grond van de ‘beleidsregels afwijking bestemmingsplan 2021’ (Afwijkingenbeleid) werkt het college onder bepaalde voorwaarden mee aan afwijking van een bestemmingsplan. Op grond van artikel 4, aanhef en onder A, van het Afwijkingenbeleid is dat mogelijk voor op de grond staande bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied. Met de kas wordt echter niet voldaan aan de voorwaarde dat de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in een bebouwingsgebied van meer dan 300 m2 niet meer mag zijn dan 90 m2 vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2.
3.1.
Het college heeft in het bestreden besluit bij nader inzien besloten om wat betreft het maximaal te bebouwen oppervlak af te wijken van het bestemmingplan. Het college heeft de omgevingsvergunningsvergunning op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens het college zijn er bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van het Afwijkingenbeleid, aangezien de kas er al meer dan dertig jaar staat en de overschrijding van de maximaal te bebouwen oppervlakte gering is gelet op de grootte van het perceel.
Belanghebbendheid en procesbelang van eisers
4. Het college en vergunninghouders stellen zich op het standpunt dat eisers geen belang hebben bij hun beroepen. Vergunninghouders stellen dat de beroepen van eisers lijken te zijn ingegeven door frustratie over eerdere handhaving op hun eigen perceel. Eisers ervaren geen hinder door de kas en er is geen sprake van strijd met planregels die hen direct raken. De kas staat niet op of nabij de erfgrens en zorgt niet voor verlies aan uitzicht, privacy of zonlicht. Ook zijn er geen fysieke effecten, zoals geur, geluid of verkeer die de belangen van eisers raken. Er is geen sprake van een belang van eisers dat objectief, actueel en rechtstreeks wordt geraakt. Het college stelt zich ook op het standpunt niet in te zien hoe eisers door de kas in hun belang worden geraakt, omdat de kas aan de andere kant van de tuin staat dan de kant die grenst aan het perceel van eisers. Het college erkent dat eisers op grond van vaste jurisprudentie moeten worden aangemerkt als belanghebbenden, maar betwist het procesbelang van eisers.
4.1.
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de eigenaar of bewoner van een perceel in principe belanghebbende is bij omgevingsrechtelijke besluiten die betrekking hebben op het naastgelegen perceel. [1] Er wordt in dat geval van uitgegaan dat, als er feitelijke gevolgen zijn, dit gevolgen van enige betekenis zijn. [2] Eisers hebben vanuit hun woningen zicht op de kas. Zij hebben daarnaast ter zitting aangegeven de kas storend te vinden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. Wat betreft het procesbelang van eisers, overweegt de rechtbank dat eisers het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kunnen bereiken. Een gegrond beroep zou kunnen leiden tot de verplichting voor vergunninghouders om de kas te verwijderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers procesbelang hebben.
Heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten om de omgevingsvergunning in strijd met het omgevingsplan te verlenen?
5. Artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt:
‘Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.’
5.1.
Eisers voeren aan de afweging van het college in het bestreden besluit niet te kunnen volgen. Uit uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank [3] en de voorzieningenrechter van de Afdeling [4] volgt dat het college handhavend op moest treden en niet mocht overgaan tot verlening van de omgevingsvergunning. Eisers voeren tevens aan dat een overschrijding van 12,2 m2 van de op grond van het Afwijkingenbeleid maximaal te vergunnen oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet als gering kan worden aangemerkt. Eisers stellen zelf 19,2 m2 aan bebouwing te hebben moeten verwijderen om de maximale bebouwing terug te brengen naar 115,98 m2, terwijl hun bebouwingsgebied groter is dan de 552 m2 van vergunninghouders. Eisers hebben in dat verband een carport van 14 m2 en hekwerk moeten verwijderen onder last van een dwangsom. Het college zag toen geen mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen.
5.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat het gaat om handhavingsrechtelijke uitspraken en dat deze uitspraken niet afdoen aan de bevoegdheid van het college om alsnog een legaliserende omgevingsvergunning te verlenen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarnaast merkt het college op dat de last onder dwangsom waar de genoemde uitspraken over gingen niet specifiek was gericht tegen de kas op zichzelf maar tegen de overschrijding van het maximaal te bebouwen oppervlak in het bebouwingsgebied in zijn algemeenheid. Het college stelt zich op het standpunt dat de overschrijding 12,8 m2 bedraagt en dat dit in verhouding tot het bebouwingsgebied van 552 m2 een geringe overschrijding is ten opzichte van hetgeen op grond van het Afwijkingenbeleid aanvaardbaar wordt geacht. Het college heeft daarbij ook meegewogen dat de kas er al meer dan dertig jaar staat, vanaf de openbare weg niet te zien is en niet aan de zijde van de tuin staat die grenst aan het perceel van eisers. Gelet op het voorgaande zijn de negatieve uitstraling op het perceel van eisers en de eventuele overlast die eisers ervaren minimaal. Het college merkt ook op dat eisers geen aanvraag om een vergunning hebben ingediend voor een vergelijkbaar bouwwerk die vervolgens is geweigerd. Er is daarom geen sprake van een gelijk geval met dat van vergunninghouders.
5.3.
Vergunninghouders stellen dat de handhavingszaken waar eisers naar verwijzen een geheel andere situatie betroffen. Verder zijn de uitspraken niet meer relevant nu de kas is gelegaliseerd. Verder sluiten vergunninghouders zich aan bij het standpunt van het college dat sprake is van een geringe overschrijding en dat de omgevingsvergunning dus in redelijkheid kon worden verleend.
5.4.
De rechtbank overweegt dat, gezien de berekening door het college, sprake is van een overschrijding van 12,8 m2 van de maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied op grond van het Afwijkingenbeleid. Het college is op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb in beginsel verplicht zich aan het eigen Afwijkingenbeleid te houden. Het college heeft besloten om van het Afwijkingenbeleid af te wijken, omdat het 12,8 m2 in verhouding tot het bebouwingsgebied van 552 m2 een geringe overschrijding acht. Daarnaast is van belang dat de kas al meer dan dertig jaar op het perceel staat, niet zichtbaar is vanaf de openbare weg en niet aan de zijde van de tuin staat die grenst aan het perceel van eisers, aldus het college. De rechtbank is van oordeel dat het college op basis van deze feiten en omstandigheden niet in redelijkheid tot de gemaakte afweging heeft kunnen komen. In het Afwijkingenbeleid heeft het college vastgelegd welke oppervlakte aan bebouwing het maximaal aanvaardbaar acht in verhouding tot de omvang van het bebouwingsgebied. De omvang van het bebouwingsgebied is op zijn beurt gebaseerd op de omvang van het perceel. [5] Met het Afwijkingenbeleid is dus al vastgelegd wat een aanvaardbare overschrijding van de oppervlaktenormen van het omgevingsplan is in verhouding tot de omvang van het perceel. Verder ziet de betrokken regel van het Afwijkingenbeleid op het achtererfgebied. Het feit dat de kas niet zichtbaar is vanaf de openbare weg kan daarom niet in redelijkheid leiden tot de afweging dat van het Afwijkingenbeleid moet worden afgeweken. Ook het feit dat de kas al lang op het perceel staat, maakt toepassing van het Afwijkingenbeleid niet onevenredig, aangezien de lange aanwezigheid niet legaal was. [6] Ook het argument dat de kas niet aan de zijde van de tuin staat die grenst aan het perceel van eisers maakt toepassing van het Afwijkingenbeleid niet onevenredig, omdat eisers vanuit hun woning zicht hebben op de kas. De rechtbank overweegt verder dat het college in de beslissing op bezwaar van 24 januari 2025 nog tot de afweging kwam dat niet van het Afwijkingenbeleid kon worden afgeweken. Reden hiervoor was dat het college in het licht van het Afwijkingenbeleid beoogde om de openheid van het gebied te behouden en om te voorkomen dat de bebouwing aan elkaar zou groeien. Dat de kas al lang op het perceel stond, maakte dit toen in de optiek van het college niet anders. Het is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot het veranderde standpunt van het college. De rechtbank overweegt dat het standpunt van het college in het bestreden besluit haaks staat op het eerder aangehaalde belang bij het behoud van de openheid van het gebied. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college niet in redelijkheid tot de afweging heeft kunnen komen om af te wijken van het Afwijkingenbeleid. De beroepsgrond slaagt.
5.5.
Nu bovenstaande beroepsgrond slaagt en leidt tot vernietiging van het bestreden besluit, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4:84 van Pro de Awb. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen en het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Met het vernietigen van het bestreden besluit herleeft de beslissing op bezwaar van 24 januari 2025. Dit betekent dat de kas niet langer vergund is.
6.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 mei 2025;
- bepaalt dat het college de griffierechten van € 194,- per beroep aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2708.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1910.
3.Zie de uitspraak van 26 maart 2024 met zaaknummers HAA 24/411 en HAA 24/412.
4.Zie de uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2211.
5.Zie artikel 1, tweede lid, van het Afwijkingenbeleid, gelezen in verbinding met artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
6.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:65.