Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4012

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
K/4101/12060381
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:160 lid 1 BWArt. 4:161 lid 1 BWArt. 4:165 lid 1 BWArtikel 29 Wet op de rechtsbijstandArtikel 24 lid 2 Wet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag testamentair bewindvoerder en benoeming opvolgend bewindvoerder

Op 20 augustus 2022 is de erflaatster overleden, die in haar testament haar zoon tot enig erfgenaam benoemde en een testamentair bewind instelde over het nagelaten vermogen. De verzoeker, benoemd als testamentair bewindvoerder, verzocht om ontslag vanwege een onwerkbare situatie met de erfgenaam die volledige zeggenschap wenst.

De kantonrechter stelt vast dat het verzoek tot opheffing van het testamentair bewind niet door hem kan worden behandeld en verwijst dit naar de rechtbank. Het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder wordt wel toegewezen, mede omdat beide partijen het eens zijn over het ontslag.

Omdat het bewind niet wordt opgeheven, wordt een opvolgend testamentair bewindvoerder benoemd, op voordracht van partijen. De nieuwe bewindvoerder wordt gewezen op haar wettelijke verplichtingen tot het indienen van een boedelbeschrijving en het afleggen van rekening en verantwoording.

Tot slot wijst de kantonrechter op de procedurele gevolgen van de verwijzing, waaronder de noodzaak van een advocaat en het verschuldigd zijn van griffierechten, met mogelijkheden voor vermindering bij onvermogenden.

Uitkomst: Verzoek tot ontslag testamentair bewindvoerder toegewezen en opvolgend bewindvoerder benoemd; verzoek tot opheffing testamentair bewind verwezen naar rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12060381 \ EJ VERZ 26-17 (rvk)
Beschikking van13april 2026
in de zaak van
[verzoeker], in zijn hoedanigheid van testamentair bewindvoerder
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
en
[belanghebbende],
te [plaats] ,
belanghebbende,
hierna te noemen: [belanghebbende] .

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 2 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend. De gemachtigde van [belanghebbende] heeft in een brief van 2 december 2025 gereageerd.
1.2.
In een beschikking van de kantonrechter te Leiden van 14 januari 2026 is de zaak verwezen naar de kantonrechter te Alkmaar.
1.3.
Naar aanleiding van een vraag van de griffier heeft de gemachtigde van [belanghebbende] bevestigd dat haar brief van 2 december 2025 als verweerschrift moet worden gezien.
1.4.
Gelet op de aard van de zaak is afgezien van een mondelinge behandeling.

2.De feiten

2.1.
Op 20 augustus 2022 is overleden mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster), geboren op [geboortedatum] 1928 en laatst gewoond hebbende te [plaats] .
2.2.
In haar testament van 17 juni 2016 heeft erflaatster haar zoon [belanghebbende] tot enig erfgenaam benoemd.
2.3.
[belanghebbende] heeft de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard.
2.4.
Erflaatster heeft in haar testament ook een bewind ingesteld over dat wat door haar aan [belanghebbende] is nagelaten of vermaakt. Erflaatster heeft [verzoeker] en mevrouw [naam 2] tot testamentair bewindvoerders benoemd en bepaald dat zij ieder alle werkzaamheden alleen kunnen verrichten.
2.5.
[verzoeker] heeft de benoeming tot testamentair bewindvoerder aanvaard.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt dat hij wordt ontslagen als testamentair bewindvoerder en dat het testamentair bewind wordt opgeheven. Als het testamentair bewind niet kan worden opgeheven, verzoekt hij de benoeming van een vervangend testamentair bewindvoerder.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Er is een onwerkbare situatie ontstaan omdat [belanghebbende] de volledige zeggenschap over zijn vermogen wil.
3.3.
[belanghebbende] is het er mee eens dat het testamentair bewind wordt opgeheven en dat [verzoeker] wordt ontslagen als testamentair bewindvoerder. Hij merkt wel op dat [verzoeker] steken heeft laten vallen in de uitvoering van zijn taken. Ook [belanghebbende] is van mening dat een vervangend testamentair bewindvoerder benoemd moet worden als het testamentair bewind niet kan worden opgeheven.

4.De beoordeling

4.1.
[verzoeker] en [belanghebbende] zijn het er beiden over eens dat het testamentair bewind kan worden opgeheven. De kantonrechter is echter niet bevoegd om daarover te beslissen. Een verzoek om het testamentair bewind op te heffen moet gedaan worden bij de rechtbank. De kantonrechter zal het verzoek tot opheffing van het bewind afsplitsen en verwijzen naar de sectie Handel van deze rechtbank in de stand waarin dit verzoek zich bevindt. De kantonrechter wijst partijen er op dat zij dan een advocaat nodig hebben en dat een (hoger) griffierecht zal worden geheven.
4.2.
De kantonrechter is wel bevoegd te beslissen op een verzoek tot ontslag van de testamentair bewindvoerder. Een testamentair bewindvoerder kan ontslag worden verleend op eigen verzoek, of wegens gewichtige redenen en dan op verzoek van een medebewindvoerder, de rechthebbende, van iemand in wiens belang het bewind is ingesteld of van het openbaar ministerie, of ambtshalve.
4.3.
[verzoeker] doet een verzoek om zijn eigen ontslag. Dit verzoek kan worden toegewezen omdat niemand gediend is met een onwillige bewindvoerder. [belanghebbende] is het ook met dit ontslag eens. De kantonrechter zal het (eigen) verzoek tot ontslag van de bewindvoerder toewijzen.
4.4.
De vraag of [verzoeker] al dan niet is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn taken als testamentair bewindvoerder hoeft in het kader van deze procedure niet behandeld te worden omdat het gaat om een verzoek tot ontslag en zowel de bewindvoerder als de rechthebbende het er mee eens zijn dat de bewindvoerder ontslag verleend moet worden.
4.5.
De kantonrechter zal, omdat het bewind (nu) niet wordt opgeheven, overgaan tot het benoemen van een opvolgend testamentair bewindvoerder.
4.6.
[verzoeker] en [belanghebbende] hebben beiden te kennen gegeven een voorkeur te hebben voor het benoemen van mevrouw [naam 1] als opvolgende bewindvoerder. Mevrouw [naam 1] heeft zich blijkens een schriftelijke verklaring bereid verklaard de taken als testamentair bewindvoerder op zich te nemen. De kantonrechter zal mevrouw [naam 1] dan ook tot opvolgend testamentair bewindvoerder benoemen.
4.7.
[verzoeker] moet aan het einde van het bewind rekening en verantwoording afleggen en de goederen die hij wegens het bewind beheert afdragen aan degene die hem in het beheer opvolgt [1] , mevrouw [naam 1] .
4.8.
Tot slot wijst de kantonrechter de opvolgend testamentair bewindvoerder erop dat zij op grond van artikel 4:160 lid 1 BW Pro zo spoedig mogelijk een boedelbeschrijving bij de kantonrechter dient in te leveren. Vervolgens is zij op grond van 4:161 lid 2 BW verplicht om jaarlijks en aan het einde van het bewind rekening en verantwoording af te leggen aan [belanghebbende] en aan de kantonrechter.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontslaat met ingang van de dag na deze beschikking verzoeker als testamentair bewindvoerder over het erfdeel dat [belanghebbende] heeft verkregen uit de nalatenschap van erflaatster,
5.2.
benoemt tot testamentair bewindvoerder over het erfdeel dat [belanghebbende] heeft verkregen uit de nalatenschap van erflaatster:
[naam 1]
[adres]
5.3.
wijst de opvolgende testamentair bewindvoerder op haar verplichtingen om een boedelbeschrijving bij de kantonrechter in te leveren en om rekening en verantwoording aan de kantonrechter af te leggen,
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
verwijst het verzoekt tot opheffing van het testamentair bewind in de stand waarin het zich bevindt naar de verzoekschriftenprocedure van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar,
5.6.
wijst er op dat partijen in die procedure bij advocaat dienen te verschijnen,
5.7.
bepaalt dat [verzoeker] na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is, dat deze verhoging kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat deze verhoging moet zijn voldaan na ontvangst van een nota met betalingsinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR),
5.8.
bepaalt dat [belanghebbende] na verwijzing griffierecht verschuldigd is, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht moet zijn voldaan na ontvangst van een nota met betalingsinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR),
5.9.
deelt mee dat van een partij die onvermogend is een lager griffierecht wordt geheven, indien hij/zij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
1. een afschrift van het besluit tot toevoeging, zoals bedoeld in artikel 29 van Pro de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is als gevolg van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem/haar zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 24 lid 2 van Pro de Wet op de rechtsbijstand, of;
2. een verklaring van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 7 lid 3 onder Pro e van die wet, waaruit blijkt dat zijn/haar inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, zoals bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35 lid 2 van Pro die wet.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 4:161 lid 1 BW Pro en artikel 4:165 lid 1 BW Pro