ECLI:NL:RBNHO:2026:4064

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
K/4101/11897711
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:764 BWArt. 6:21 BWArt. 6:136 BWArt. 6:119 BWArt. 6:23 lid 1 BW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting gedaagden voor openstaande facturen aannemingsovereenkomst

Partijen sloten op 25 september 2024 een aannemingsovereenkomst voor de verbouw/renovatie van een woning met een totale aanneemsom van € 137.559,96, te betalen in vier termijnen. Gedaagden betaalden de eerste twee facturen, maar weigerden de derde en vierde factuur te voldoen, stellende dat Santi Bouw tekort was geschoten in de nakoming.

Santi Bouw vorderde betaling van het openstaande bedrag van € 22.609,96 plus rente en kosten. Gedaagden beriepen zich op opschorting wegens gebreken, maar de kantonrechter oordeelde dat opschorting zonder ontbinding niet tot verval van betalingsverplichting leidt. De kantonrechter stelde vast dat het werk nagenoeg voltooid was en dat gedaagden de oplevering belemmerden, waardoor de voorwaarde voor betaling van de slotfactuur als vervuld moest worden beschouwd.

De kantonrechter wees het verweer van gedaagden af, ook omdat zij geen nakoming of ontbinding hadden gevorderd en de gegrondheid van hun schadeverrekening niet eenvoudig vast te stellen was. Gedaagden werden veroordeeld tot betaling van het bedrag, rente en proceskosten, met hoofdelijkheid en uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van € 22.609,96 plus rente en kosten wegens niet-betaalde facturen uit aannemingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11897711 \ CV EXPL 25-3448 WD
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
SANTI BOUW B.V.,
te Limmen,
eisende partij,
hierna te noemen: Santi Bouw,
gemachtigde: mr. drs. J.J.F.M. Konings,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: DAS Arnhem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis van 10 december 2025;
- het bericht van 2 april 2026 met productie(s) van Santi Bouw
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 25 september 2024 hebben partijen een aannemingsovereenkomst gesloten die strekt tot de verbouw c.q. renovatie van een kort daarvoor door [gedaagden] aangekochte woning. De totale aanneemsom bedroeg € 137.559,96. Partijen hebben afgesproken dat Santi Bouw dit bedrag in vier termijnen zou factureren. De afspraken hierover zijn vastgelegd in de schriftelijke aannemingsovereenkomst en in een op 10 november 2024 door Santi Bouw aan [gedaagden] verzonden e-mail met betaalschema.
2.2.
[gedaagden] hebben de eerste twee door Santi Bouw verzonden facturen van
€ 55.000,00 en € 59.950,00 betaald. De derde factuur van € 15.675,00 en de vierde na oplevering te betalen (slot)factuur van € 6.934,96 hebben [gedaagden] ondanks aanmaning en sommatie niet betaald.
2.3.
Op 21 januari 2025 hebben [gedaagden] aan Santi Bouw de volgende e-mail gestuurd:

Jij geeft in je mail aan dat de laatste puntjes pas gaat doen als we betaald hebben. Dit begint aardig op chantage te lijken. Zo laten we ons niet behandelen. We hebben daarom nu besloten dat we de laatste puntjes zelf gaan doen. (…) We zijn er klaar mee!(…)De aanneemovereenkomst is daarmee wel komen te vervallen. Wij vonden het redelijk om nog 1 factuur te betalen. De andere facturen gaan wij niet betalen. (..)Wij sluiten het hierbij af. Wij betreuren hoe het is verlopen. Wij zullen niet meer reageren op mails, apps e.d.”3. Het geschil
3.1.
Santi Bouw vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een totaalfactuurbedrag van € 22.609,96, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Santi Bouw vordert betaling voor de door haar in opdracht van [gedaagden] uitgevoerde werkzaamheden.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. Kort gezegd komt dit verweer erop neer dat zij van mening zijn dat Santi Bouw op verschillende onderdelen tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Vanwege deze tekortkomingen weigeren zij de openstaande facturen te betalen. [gedaagden] vinden dat zij voldoende hebben betaald voor het door Santi Bouw geleverde werk.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak draait om de vraag of [gedaagden] gehouden zijn om het door Santi Bouw op grond van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst in rekening gebrachte bedrag van € 22.609,96 te betalen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] dit bedrag zijn verschuldigd. De kantonrechter veroordeelt [gedaagden] tot betaling van dit bedrag. De kantonrechter legt hieronder uit waarop hij dit oordeel en deze beslissing baseert.
4.2.
Santi Bouw vordert betaling voor de door haar op grond van de aannemingsovereenkomst verrichte werkzaamheden. Het door Santi Bouw met verwijzing naar artikel 7:764 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) gedane beroep op opzegging van de aannemingsovereenkomst, komt de kantonrechter zinledig voor. Immers, uit de stellingen van partijen volgt dat, behoudens eventuele opleverpunten en herstel van eventuele gebreken, de werkzaamheden op zichzelf zijn afgerond, reden waarom Santi Bouw afspraken heeft proberen te maken om het werk op te leveren. Van voortijdige opzegging als in voormeld artikel bedoeld, kan daarom geen sprake zijn. Te meer nu bij voortijdige opzegging [gedaagden] op grond van voormeld artikel recht zouden hebben op aftrek vanwege besparingen en geen van partijen iets over besparingen heeft aangevoerd.
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat Santi Bouw betaling vordert van een overeengekomen aanneemsom. De hoogte van het gevorderde bedrag is om die reden op zichzelf niet in geschil. Daarbij komt dat, naar het oordeel van de kantonrechter, de betaling van de gevorderde factuurbedragen inmiddels opeisbaar is.
4.4.
Wat betreft de derde factuur overweegt de kantonrechter dat (i) partijen blijkens de aanneemovereenkomst in samenhang met de e-mail van 10 november 2024 overeen zijn gekomen dat de aanneemsom naar rato van de uitvoering van de door Santi Bouw te verrichten werkzaamheden opeisbaar wordt is en (ii) vast staat dat het werk als (nagenoeg) voltooid mag worden beschouwd (zie r.o. 4.2.). Voor de duidelijkheid; als [gedaagden] van oordeel waren geweest dat bepaalde overeengekomen werkzaamheden (los van herstel van gebreken) nog niet waren verricht, had het hen zeker vrijgestaan om betaling op te schorten, en een vordering tot nakoming van de ontbrekende werkzaamheden in te stellen. Zij vorderen echter geen nakoming.
4.5.
Wat betreft de vierde bij c.q. na oplevering te betalen slotfactuur overweegt de kantonrechter als volgt. Partijen zijn overeengekomen dat deze factuur opeisbaar is bij c.q. na oplevering. De verbintenis tot betaling van deze factuur is een voorwaardelijke verbintenis in de zin van artikel 6:21 BW Pro. De opeisbaarheid van de factuur is namelijk afhankelijk gemaakt van de opschortende voorwaarde dat Santi Bouw het werk aan [gedaagden] zou opleveren. Vast staat dat Santi Bouw het werk niet heeft opgeleverd, zodat de voorwaarde die aan de betalingsverplichting is verbonden, niet is vervuld. De kantonrechter is echter van oordeel dat [gedaagden] de vervulling van de voorwaarde beletten. Immers, zowel in de e-mail van 21 januari 2025 als aan het slot van de mondelinge behandeling op 14 april 2026 hebben [gedaagden] duidelijk laten merken dat zij het vertrouwen in Santi Bouw definitief zijn verloren en Santi Bouw niet meer in staat willen stellen om het werk definitief te voltooien door het herstel van eventuele gebreken en het verhelpen van eventuele opleverpunten. [gedaagden] staan daarmee aan de oplevering in de weg. Santi Bouw heeft daarentegen wel aangedrongen op een gelegenheid om op te leveren. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de redelijkheid verlangt dat de aan de betaling van de slotfactuur verbonden voorwaarde als vervuld geldt [1] .
4.6.
Nu, zoals uit het voorgaande volgt, uitgegaan moet worden van het bestaan van een opeisbare verplichting tot betaling van de openstaande facturen, moet de kantonrechter, gelet op het verweer van [gedaagden] , beoordelen of de door hen gestelde gebreken afdoen aan deze betalingsverplichting. Hierover overweegt de kantonrechter als volgt.
4.7.
Tussen partijen is in geschil of en zo ja in welke mate Santi Bouw bij de uitvoering van werkzaamheden tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Wie van partijen hierover het gelijk aan zijn/ haar zijde heeft, kan in het midden blijven. Immers, ook als uitgegaan wordt van de juistheid van de stellingen van [gedaagden] , is hun beroep op opschorting vanwege deze gebreken ongegrond. De kantonrechter legt dat hieronder uit.
4.8.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [2] leidt de (eventuele) gebrekkige nakoming van de overeenkomst door Santi Bouw niet zonder meer tot verval van de uit hoofde van diezelfde overeenkomst op [gedaagden] rustende betalingsverplichtingen. Definitieve bevrijding van de eigen verplichtingen kan de schuldenaar alleen bewerkstelligen met ontbinding van de overeenkomst. Het opschortingsrecht heeft zodoende een tijdelijke functie gericht op het bewerken van nakoming, schadevergoeding of ontbinding [3] . Slechts bij uitzondering leidt de opschorting tot verval van de verplichting van de schuldenaar. De tot opschorting bevoegde schuldenaar zal zich in beginsel dus steeds gereed moeten houden tot nakoming, voor het geval zijn opschortingsbevoegdheid tot een einde komt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de wederpartij presteert of de nakoming van de verbintenis van de wederpartij blijvend onmogelijk wordt. Dit brengt mee dat als [gedaagden] , die de betaling van een opeisbare factuur weigeren en daarmee opschorten, zich zullen moeten uitspreken over de vraag welke van de haar als gevolg van het gestelde tekortschieten van Santi Bouw ten dienste staande bevoegdheden zij ( [gedaagden] ) willen uitoefenen (zoals vernietiging van de overeenkomst; ontbinding ervan; verlangen van nakoming of (verrekening met) schadevergoeding, of een combinatie hiervan). Een opschorting zonder doel is ongeoorloofd.
4.9.
Van (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst is geen sprake. Een hierop ziende vordering hebben [gedaagden] niet ingesteld. Evenmin hebben zij de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. [gedaagden] hebben aan hun verweer niet ten grondslag gelegd dat de e-mail van 21 januari 2025 als een ontbinding van de overeenkomst moet worden beschouwd. Integendeel, [gedaagden] hebben, kort gezegd, aangevoerd dat deze e-mail in een emotionele bui is verzonden en dat Santi Bouw onder deze omstandigheden hieruit niet heeft kunnen opmaken dat [gedaagden] over wensten te gaan tot beëindiging van de overeenkomst [4] .
Nakoming van de overeenkomst door [gedaagden] stellen Santi Bouw uitdrukkelijk niet meer op prijs en is om die reden niet aan de orde.
[gedaagden] kunnen zich ook niet met succes beroepen op verrekening in verband met door hun geleden schade. Op grond van artikel 6:136 BW Pro kan de rechter een vordering ondanks een beroep van de schuldenaar ( [gedaagden] ) op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit (verrekenings)verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering van de schuldeiser (Santi Bouw) overigens wel voor toewijzing vatbaar is. Die situatie doet zich in deze zaak voor. Omdat Santi Bouw de schade van [gedaagden] betwist is de gegrondheid van dit (verrekenings)verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, zodat de kantonrechter daaraan op de voet van artikel 6:136 BW Pro voorbijgaat.
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] ten onrechte de betaling van het gevorderde totaalfactuurbedrag opschorten. De vordering tot betaling van het bedrag van
€ 22.609,96 zal de kantonrechter toewijzen. De gevorderde betaling van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente zullen ook worden toegewezen. De vorderingen zijn op de wet gegrond en [gedaagden] hebben hiertegen geen zelfstandig verweer gevoerd. Santi Bouw heeft in het petitum van de dagvaarding niet duidelijk gemaakt over welk bedrag zij rente vordert. De kantonrechter zal de wettelijke rente over de hoofdsom van € 22.609,96 toewijzen.
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
- rente tot 5 maart 2025
- buitengerechtelijke kosten
22.609,96
473,34
1.001,10
+
totaal
24.084,40
- betalingen
0,00
-/-
Totaal
24.084,40
4.12.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Santi Bouw worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,16
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.881,16
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.14.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Santi Bouw heeft dat gevorderd en [gedaagden] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Santi Bouw te betalen een bedrag van € 24.084,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 22.609,96, met ingang van 17 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.881,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.Zie artikel 6:23 lid 1 BW Pro
2.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 19 februari 1988 ( [naam 1] ), NJ 1989/343
3.[naam 2] 6-I 2024/283; C.A. Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/26.4.
4.Zie alinea 42 van de conclusie van antwoord