Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4070

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/15/376873 / JU RK 26-585
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in netwerkpleeggezin

De gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in [plaats], vanwege een onveilige thuissituatie. De minderjarige woont bij haar moeder, die vermoedelijk lijdt aan wanen en onvoorspelbaar gedrag vertoont, wat de veiligheid van het kind in gevaar brengt.

De kinderrechter neemt kennis van een melding van de politie Haarlem dat de moeder schreeuwt in het bijzijn van de kinderen en mogelijk psychische problemen heeft. De politie en de crisisdienst GGZ zijn betrokken. De kinderen zijn tijdelijk ondergebracht bij de oma van moederszijde, die langdurig betrokken is bij de zorg. De moeder verzet zich tegen het weghalen van de kinderen.

Gezien het onmiddellijke en ernstige gevaar voor de minderjarige, verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier weken in een netwerkpleeggezin bij de oma (mz). De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden en zal op een nader te bepalen zitting worden voortgezet.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin voor vier weken, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/376873 / JU RK 26-585
Datum uitspraak: 15 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 15 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar moeder samen met haar halfzus [halfzus] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 januari 2026 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 januari 2027.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerk(pleeggezin) te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt aanvullend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Op 15 april 2026 neemt de politie Haarlem telefonisch contact op met de GI. De politie zegt ter plaatse te zijn bij het adres van de moeder en dat zij gebeld zijn omdat er een kind opgesloten zou zitten. De politie zegt dat de moeder last lijkt te hebben van wanen en dat zij schreeuwt in het bijzijn van de kinderen. De politie heeft de crisisdienst van de GGZ benaderd met de vraag of zij moeder kunnen beoordelen. De GI heeft contact opgenomen met de oma moederszijde (mz). De oma (mz) was met de politie bij de moeder in de woning aanwezig en zegt haar dochter niet te herkennen. De moeder verzet zich tegen het meenemen van de kinderen door de oma (mz) en telefonisch heeft de moeder aan de GI aangegeven dat zij niet wil dat de kinderen bij haar worden weggenomen. De GI wordt daarna door de politie gebeld dat de kinderen veilig zijn doordat ze met de oma (mz) de woning hebben verlaten. Tijdens huisbezoeken vóór 15 april 2026 valt het de GI op dat de moeder praat over dat zij achtervolgd en lastiggevallen wordt en dat haar telefoon gehackt is. Op vrijdag 11 april 2026 heeft de moeder de jeugdbeschermer gezegd dat ze nu echt bewijs heeft dat haar telefoon gehackt is. De jeugdbeschermer heeft met de moeder meegekeken en niets kunnen zien waaruit op te maken is dat de moeder gehackt wordt. De jeugdbeschermer heeft wel de indruk dat de moeder gelooft dat zij gehackt wordt. De moeder zal op 15 april 2026 tussen 16.00 uur en 16.30 uur worden gezien door de crisisdienst GGZ voor een beoordeling.
4.2.
De vader van [de minderjarige] heeft op onregelmatige basis contact met [de minderjarige] , wanneer zij om het weekend bij Oma [Oma] (vz) is. De GI zou vanaf 23 april 2026 gaan werken aan het toewerken naar een omgangsregeling, door op 23 april, 30 april en op 7 mei 2026 een bezoek te begeleiden. Het is voor [de minderjarige] momenteel te onrustig in deze fase om volledig bij de vader te verblijven.
4.3.
De oma (mz) is langdurig betrokken bij de ondersteuning van de moeder en de verzorging en opvoeding van de kinderen. De GI vindt het belangrijk dat de kinderen stabiliseren en tot rust komen bij de oma (mz) totdat meer duidelijk is over wat er met de moeder aan de hand is en wat de kans is dat de kinderen opnieuw worden blootgesteld aan geschreeuw door de moeder of voor hen onvoorspelbaar gedrag van de moeder. Om te voorkomen dat de moeder de kinderen ophaalt, terwijl nog niet duidelijk is in hoeverre dit veilig is voor de kinderen, kan de GI niet anders dan een spoed machtiging tot uithuisplaatsing voor een plaatsing in netwerk(pleeggezin) bij de oma (mz) verzoeken.
4.4.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [1]
4.5.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.7.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een netwerkpleeggezin (bij de oma (mz)) met ingang van 15 april 2026 tot 13 mei 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voorzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
5.4.
bepaalt dat de griffier de GI, de vader en de moeder tijdig zal oproepen voor die zitting;
5.5.
bepaalt dat de griffier [de minderjarige] tijdig zal oproepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Lintjer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).