ECLI:NL:RBNHO:2026:410

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11832135 \ CV EXPL 25-2314
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijwaringszaak tussen ex-echtgenoten over huurachterstand en voortzetting huurovereenkomst

In deze vrijwaringszaak tussen ex-echtgenoten, [eiser] en [gedaagde], is de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 15 januari 2026 tot een uitspraak gekomen. De zaak betreft een regresvordering van [eiser] in het kader van een huurovereenkomst die zij met [gedaagde] hebben afgesloten. De ex-echtgenoten zijn op 28 november 2024 een convenant aangegaan waarin de gevolgen van hun echtscheiding zijn geregeld, waaronder de voortzetting van de huurovereenkomst door [eiser]. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [gedaagde] tot 1 juli 2025 69,45% van de huurlasten moet betalen, ondanks zijn verweer dat hij de woning eerder heeft verlaten. De rechter heeft geoordeeld dat de huurovereenkomst met ingang van 1 december 2025 door [eiser] mag worden voortgezet met uitsluiting van [gedaagde]. Tevens is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 423,28 voor zijn aandeel in de huur van juni 2025. De proceskosten zijn gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad, en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11832135 \ CV EXPL 25-2314 (BvdL)
Vonnis van 15 januari 2026
in de vrijwaringszaak van
[eiser],
te [plaats 2] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg,
toevoeging: [nummer] ,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E.B. Doganer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in vrijwaring met producties
- de conclusie van antwoord in vrijwaring met producties
- het tussenvonnis van 23 oktober 2025
- de akte overlegging producties van [eiser]
- de e-mail van 11 december 2025 met aanvullende producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn op [datum] getrouwd en hebben samen drie kinderen. De oudste twee kinderen zijn meerderjarig. Het jongste kind is op dit moment 17 jaar.
2.2.
[eiser] en [gedaagde] hebben met ingang van 6 januari 2010 van Stichting Intermaris (hierna te noemen: Intermaris) gehuurd de woning aan het [adres] in [plaats 2] (hierna: de woning).
2.3.
Op 28 november 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] een convent ondertekend, waarmee zij de gevolgen van hun echtscheiding hebben geregeld. [eiser] wordt in het convenant genoemd ‘de vrouw’ en [gedaagde] ‘de man’. Over het huur- en gebruiksrecht van de woning staat het volgende in het convenant:
“3.7.2. De huurovereenkomst voor deze woning, wordt voortgezet door de vrouw. De man dient uiterlijk 30-11-2025 de woning te hebben verlaten. De man zal zich binnen 7 dagen na deze datum laten uitschrijven van dit adres.
3.7.3.
De lasten die verbonden zijn aan de woning worden tot het moment dat partijen gescheiden huishoudens gaan voeren naar rato van inkomen van partijen verdeeld en komen na dat moment voor rekening van de vrouw. De vrouw zal de man vrijwaren voor elke aansprakelijkheid met betrekking tot deze huurovereenkomst vanaf het moment dat de huurovereenkomst is overgenomen.”
2.4.
In een beschikking van 27 februari 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 12 maart 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.5.
Deze vrijwaringszaak hoort bij de hoofdzaak met zaaknummer 11610963 \ CV EXPL 25-838 tussen Intermaris als eisende partij en [eiser] en [gedaagde] als gedaagde partijen. Ook in de hoofdzaak wordt vandaag vonnis gewezen. In dat vonnis worden [eiser] en [gedaagde] hoofdelijk veroordeeld om aan Intermaris te betalen een bedrag van € 2.367,20 aan achterstallige huur tot en met mei 2025, met hoofdelijke veroordeling van [eiser] en [gedaagde] in de proceskosten van € 1.040,45.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van alle bedragen waartoe zij wordt veroordeeld in de hoofdzaak, en een bedrag van € 423,28 per maand vanaf juni 2025 tot de dag dat zij het exclusief gebruik van de huurwoning heeft. [eiser] voert daarvoor aan – samengevat – dat [gedaagde] tot en met november 2025 in de woning verbleef en dat op grond van het convenant 69,45% van de huurlasten voor rekening van [gedaagde] moet komen.
3.2.
[gedaagde] voert verweer tegen deze vordering van [eiser] . Hij voert daarvoor – kort weergegeven – het volgende aan. De huur voor januari en maart 2025 is volledig door [gedaagde] betaald, zodat hij een regresvordering op [eiser] heeft. Verder heeft [gedaagde] de woning in april 2025 verlaten en verblijft hij sinds 9 april 2025 in de opvang, zodat hij vanaf dat moment niet meer hoeft bij te dragen aan de huurlasten.
3.3.
Op de zitting heeft [eiser] haar vordering vermeerderd met de vordering dat de kantonrechter bepaalt dat zij met uitsluiting van [gedaagde] de huurovereenkomst ten aanzien van de woning mag voortzetten. [gedaagde] heeft op de zitting verklaard dat hij daartegen geen bezwaar heeft.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[eiser] zet de huurovereenkomst voort met ingang van 1 december 2025
4.1.
[gedaagde] kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat het huurrecht al per 28 november 2024 aan [eiser] is toebedeeld, waardoor [eiser] geen vrijwaringsvordering meer tegen hem zou kunnen instellen. Weliswaar hebben partijen op die datum in het convenant onderling afgesproken dat de huurovereenkomst door [eiser] zal worden voortgezet, maar die afspraak heeft geen directe werking tegenover Intermaris. Daarvoor is een afstandsverklaring van [gedaagde] nodig, aldus Intermaris in de hoofdzaak, en zo’n verklaring heeft Intermaris onbetwist niet van [gedaagde] ontvangen.
4.2.
De kantonrechter zal bepalen dat [eiser] de huurovereenkomst met ingang van 1 december 2025 mag voortzetten met uitsluiting van [gedaagde] . Dit is in overeenstemming met het convenant en [gedaagde] heeft verklaard dat hij daartegen geen bezwaar heeft.
[gedaagde] moet 69,45% van de huur betalen tot 1 juli 2025
4.3.
De vordering van [eiser] op [gedaagde] is een zogenoemde regresvordering voor de huur van de woning. [eiser] baseert haar vordering op het convenant, waarin staat dat de lasten die verbonden zijn aan de woning worden verdeeld naar rato van inkomen van partijen tot het moment dat zij gescheiden huishoudens gaan voeren.
4.4.
[eiser] stelt, op basis van de inkomensgegevens van partijen zoals die zijn opgenomen in het convenant, dat de afgesproken verdeelmaatstaf inhoudt dat 69,45% van de huurlast voor rekening van [gedaagde] komt. [gedaagde] erkent in de conclusie van antwoord deze maatstaf als juist tot juni 2025. Daarbij betwist [gedaagde] de juistheid van de door [eiser] becijferde 30,55% - 69,45% verhouding voor de periode vanaf juni 2025, vanwege het ontbreken van inkomensgegevens van [eiser] over die periode. Vervolgens heeft [eiser] voorafgaand aan de zitting deze inkomensgegevens alsnog overgelegd. [gedaagde] heeft daar niet meer op gereageerd. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de door [eiser] gestelde percentages voor de verdeling van huurlasten.
4.5.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij vanaf 9 april 2025 niet meer hoeft bij te dragen aan de huur, omdat hij sindsdien niet meer in de woning verblijft en op een ander adres staat ingeschreven. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de woning pas eind november 2025 verlaten. De kantonrechter stelt vast dat beide partijen hun standpunten over de aanwezigheid van [gedaagde] in de woning uitermate beperkt hebben gemotiveerd en onderbouwd, nog daargelaten op wie de bewijslast daarvan rust. Ook hebben beide partijen in de stukken niet of nauwelijks aandacht besteed aan het feit dat niet zozeer de woonplek of inschrijving in de BRP bepalend is, maar de vraag of partijen gescheiden huishoudens zijn gaan voeren zoals bedoeld in artikel 3.7.3. van het convenant. Dit bepalende criterium komt niet uit de verf.
4.6.
Anders dan [eiser] op de zitting stelt is niet zonder meer pas sprake van ‘gescheiden huishoudens’ als [gedaagde] feitelijk ergens anders woont of verblijft. Naar het oordeel van de kantonrechter kan bij een redelijke uitleg van het begrip ‘gescheiden huishoudens’ taalkundig gezien ook een rol spelen of partijen bijvoorbeeld de kosten van de boodschappen delen, of zij gezamenlijk eten en of zij andere gezamenlijke activiteiten ondernemen. Dat partijen in hun convenant anders bedoeld hebben blijkt uit niets. [eiser] heeft in dit verband op de zitting verklaard dat [gedaagde] en zij niets meer samen deden en dat [gedaagde] voornamelijk in zijn eigen kamer verbleef. Verder staat tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] – voor zover hij in de woning verbleef – zijn eigen eten kocht, bereidde en alleen at.
4.7.
Bovendien is voor de vraag in welke mate partijen moeten bijdragen aan de huurlasten mede bepalend dat zij zich over en weer moeten gedragen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Daarbij is van belang dat het scheiden van een huishouden zoals in dit geval in enige mate geleidelijk zal verlopen, en dat [gedaagde] aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 9 april 2025 eigen woonlasten heeft van een ander tijdelijk verblijf.
4.8.
Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] een hogere huurtoeslag zou hebben gekregen als de kinderen niet thuis hadden gewoond en dat de hogere huurlast die daarvan het gevolg is voor rekening en risico van [eiser] moet komen gaat niet op. In redelijkheid kan niet van [eiser] worden gevraagd dat zij om die reden de kinderen van partijen uit huis zet.
4.9.
In het licht van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat het redelijk is dat [gedaagde] in zijn onderlinge verhouding tot [eiser] tot 1 juli 2025 bijdraagt in de huurlast van de woning volgens de hiervoor vastgestelde verdelingsmaatstaf, dus 69,45%.
De bedragen die partijen onderling moeten bijdragen aan de huur tot 1 juli 2025
4.10.
De kantonrechter zal hierna berekenen welke bedragen partijen in hun onderlinge verhouding concreet moeten bijdragen aan de huur tot 1 juli 2025.
4.11.
De vordering van Intermaris in de hoofdzaak gaat over de huurachterstand tot en met mei 2025. Tussen partijen is niet in geschil dat de huur voor de maand juni 2025 volledig door [eiser] aan Intermaris is betaald. Hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] in zijn verhouding tot [eiser] draagplichtig is voor 69,45% van de huur tot 1 juli 2025. De vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 423,28 voor juni 2025 wordt daarom toegewezen.
4.12.
In de hoofdzaak worden partijen hoofdelijk veroordeeld [1] tot betaling van een huurachterstand van € 2.367,20. Deze huurachterstand bestaat uit de volledig onbetaald gebleven huur voor november en december 2024 (twee keer € 609,56), een onbetaald gebleven bedrag van € 309,46 voor februari 2025, € 419,31 voor april 2025 en € 419,31 voor mei 2025. Uit de standpunten van partijen in deze vrijwaringszaak volgt, zij het opnieuw summier, dat [eiser] degene is geweest die de deelbetalingen aan Intermaris voor februari (€ 300,10), april (€ 190,25) en mei 2025 (€ 190,25) heeft gedaan, en dat [gedaagde] de volledige huur voor januari en maart 2025 (€ 609,56 per maand) aan Intermaris heeft betaald.
4.13.
De totale huurlast voor de periode waarop de hoofdzaak ziet bedraagt € 4.266,92 (7 x € 609,56). De bijdrage van 69,45% die [gedaagde] daaraan in zijn verhouding tot [eiser] moet leveren bedraagt € 2.963,38. De bijdrage die [gedaagde] met zijn hiervoor genoemde betalingen aan Intermaris heeft geleverd bedraagt € 1.219,12 (januari en maart 2025). [gedaagde] moet aan de huurachterstand tot en met mei 2025 van in totaal € 2.367,20 dus nog bijdragen € 1.744,26. De bijdrage van 30,55% die [eiser] op haar beurt in haar verhouding tot [gedaagde] moet leveren aan de huur van november 2024 tot en met mei 2025 bedraagt € 1.303,54. Zij heeft aan Intermaris betaald € 680,60 (€ 300,10 + € 190,25 + € 190,25). [eiser] moet aan de huurachterstand van € 2.367,20 dus nog bijdragen € 622,94.
4.14.
Op dit moment kan nog niet worden vastgesteld wat partijen in de hoofdzaak daadwerkelijk aan Intermaris zullen gaan betalen. Afhankelijk daarvan kan vervolgens in de onderlinge verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] worden vastgesteld wie per saldo welk bedrag aan wie moet betalen. Stel dat [eiser] de volledige hoofdsom van € 2.367,20 aan Intermaris betaalt, dan moet [gedaagde] € 1.744,26 aan [eiser] betalen. Maar stel dat [gedaagde] de volledige hoofdsom aan Intermaris betaalt, dan moet [eiser] € 622,94 aan [gedaagde] betalen. Het kan ook ergens daartussenin liggen. In dat geval is het aan partijen zelf om te berekenen wat naar rato voortvloeit uit hetgeen hiervoor is overwogen.
De proceskosten in de hoofdzaak
4.15.
In de hoofdzaak worden [gedaagde] en [eiser] ook hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van Intermaris die zijn begroot op € 1.040,45, te vermeerderen met de eventuele kosten van betekening van het vonnis. Uitgangspunt is dat [gedaagde] en [eiser] in hun onderlinge verhouding voor gelijke delen moeten bijdragen aan deze schuld. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van omstandigheden die meebrengen dat sprake is van een uitzondering op de verdeling bij helfte.
Waar leidt het voorgaande toe in deze vrijwaringszaak?
4.16.
Weliswaar kan nog niet worden vastgesteld welk bedrag [eiser] in de hoofdzaak daadwerkelijk aan Intermaris zal gaan betalen, maar wel staat vast dat áls [eiser] meer aan Intermaris heeft betaald dan het gedeelte dat zij in haar onderlinge verhouding tot [gedaagde] moet bijdragen, zij dat meerdere mag verhalen op [gedaagde] . Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat de vordering van [eiser] voorwaardelijk kan worden toegewezen, namelijk indien en voor zover [eiser] meer dan € 622,94 heeft betaald in mindering op de hoofdsom van € 2.367,20 en/of meer dan de helft van de proceskosten die zij uit hoofde van het vonnis in de hoofdzaak aan Intermaris moet voldoen. Hieraan staat niet in de weg het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. [2] Dit laat namelijk onverlet dat degene die onder een voorwaarde tot iets gehouden is, onder die voorwaarde kan worden veroordeeld. [3] Zo kan in een vrijwaringszaak een voorwaardelijke veroordeling worden uitgesproken tot betaling ter zake van de onderlinge draagplicht, ook al is de wettelijke voorwaarde voor het ontstaan van de regresvordering nog niet vervuld.
4.17.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van alle bedragen waartoe [eiser] in de hoofdzaak wordt veroordeeld. Voor zover [eiser] daarmee bedoelt meer te vorderen dan het hiervoor berekende bedrag waarvoor [gedaagde] bijdrage plichtig is geoordeeld, dan heeft [eiser] haar vordering onvoldoende geconcretiseerd en is deze niet toewijsbaar.
De proceskosten in de vrijwaringszaak
4.18.
Gelet op de relatie tussen partijen (ex-echtgenoten) zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat [eiser] de huurovereenkomst met ingang van 1 december 2025 mag voortzetten met uitsluiting van [gedaagde] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 423,28 voor zijn aandeel in de huur van juni 2025,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] , indien en voor zover [eiser] meer dan € 622,94 heeft betaald in mindering op de hoofdsom van € 2.367,20 en/of meer dan de helft van de proceskosten die zij uit hoofde van het vonnis in de hoofdzaak aan Intermaris moet voldoen, om dat meerdere aan [eiser] te betalen,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Voetnoten

1.Een hoofdelijke veroordeling betekent dat iedere veroordeelde door de eisende partij kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de ene veroordeelde (een deel) aan eisende partij betaalt, hoeft de andere veroordeelde dat (deel van het) bedrag niet meer aan eisende partij te betalen.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 6 april 2012, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2012:BU3784)
3.Artikel 3:296 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)