ECLI:NL:RBNHO:2026:413

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/15/366549 HA ZA 25-366
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 lid 3 BWArt. 3:209 BWArt. 3:220 lid 1 BWArt. 4:7 lid 1 sub f BWArt. 4:29 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vruchtgebruik molen en B&B aan echtgenote na overlijden erflater

De kinderen van de overleden eigenaar vorderen verdeling van een molen die zij samen met hun moeder bezaten. De moeder vordert in reconventie vestiging van vruchtgebruik op de molen en de daarin geëxploiteerde Bed & Breakfast (B&B), omdat zij daar woonde en afhankelijk is van de inkomsten uit de B&B.

De rechtbank oordeelt dat de moeder recht heeft op vruchtgebruik van de woning en de B&B op grond van artikel 4:29 en Pro 4:30 BW, gezien haar leeftijd, medische situatie en het ontbreken van andere inkomsten. De vordering tot vruchtgebruik op de schuur wordt afgewezen omdat zij geen behoefte aan die ruimte heeft.

De rechtbank wijst de vordering tot betaling van facturen door de moeder af, omdat de B&B onderdeel is van de nalatenschap. De moeder moet gebruikers- en eigenaarslasten vergoeden. De kosten voor vestiging van het vruchtgebruik komen voor rekening van de erfgenamen. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vruchtgebruik op molen en B&B toegewezen aan echtgenote, vorderingen op schuur en afdracht B&B-opbrengsten afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/366549 / HA ZA 25-366
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiser sub 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 2] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
advocaat: mr. L. Bosch,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.V. Vermeij.
De zaak in het kort
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn de kinderen van erflater. Erflater was bij zijn overlijden gehuwd met [gedaagde] . Erflater en [gedaagde] waren gemeenschappelijk eigenaar van een molen, waarin ook een Bed & Breakfast werd geëxploiteerd. In deze zaak vorderen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , als enig erfgenamen van erflater verdeling van de gemeenschappelijke molen. De tegenvordering van [gedaagde] tot vestiging van het vruchtgebruik op de molen wordt toegewezen omdat zij ten tijde van het overlijden van erflater woonachtig is in de molen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] afhankelijk is van het inkomen uit de B&B. Zij heeft verder geen inkomen, zoals een nabestaandenpensioen. Dus ook ten behoeve van de ruimte waarin de B&B wordt geëxploiteerd mag [gedaagde] een recht van vruchtgebruik vestigen. De rechtbank wijst de vordering tot vestiging van een vruchtgebruik op de schuur nabij de molen af. Het is niet gebleken dat [gedaagde] deze ruimte nodig heeft voor de exploitatie van de B&B of voor de exploitatie van haar atelier.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 juni 2025 met producties 1 tot en met 7,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 6 augustus 2025 met producties 1 tot en met 30,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens aanvulling eis van 17 september 2025 met productie 8,
- het tussenvonnis van 24 september 2025,
- de aanvullende producties 31 tot en met 49 van [gedaagde] ,
- de aanvullende producties 50 tot en met 59 van [gedaagde] ,
- de aanvullende productie 9 van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ,
- de aanvullende productie 60 van [gedaagde] ,
- de op 2 december 2025 gehouden mondelinge behandeling. De griffier heeft gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
Op 11 oktober 2024 is de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater was de vader van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Erflater was bij zijn overlijden gehuwd met met [gedaagde] . Erflater en [gedaagde] hebben huwelijkse voorwaarden gesloten waarbij iedere gemeenschap van goederen is uitgesloten
2.2.
Enkele jaren geleden heeft erflater een molen gekocht, genaamd [de molen] , gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de molen). Een deel van de molen wordt als woonruimte gebruikt en in het overige gedeelte is een B&B. De molen was voor 80% eigendom van erflater en voor 20% eigendom van [gedaagde] . Op de molen rust geen financiering.
2.3.
Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn, ieder voor gelijke delen, tot zijn enige erfgenamen benoemd. De nalatenschap is door hen zuiver aanvaard. Verder is er een executeur benoemd, maar hij heeft zijn taak niet aanvaard.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen, na aanvulling van hun eis, – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de (wijze van) verdeling van de gemeenschap vaststelt, dan wel bepaalt dat het aandeel van [gedaagde] , te weten 1/5e deel, in de molen wordt toebedeeld aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] onder vergoeding van 1/5e deel van de waarde aan [gedaagde] ;
II. bepaalt dat partijen gezamenlijk een taxateur opdracht geven tot een bindende bepaling van de waarde van de molen;
III. bepaalt dat als de waarde bindend is vastgesteld, [gedaagde] verplicht is om haar medewerking te verlenen aan het notariële transport van haar aandeel aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde] aan deze levering en [gedaagde] vervolgens met datum levering van haar aandeel aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de molen dient te verlaten;
IV. bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de taxateur, de notaris en de overige kosten ter zake van de levering te dragen;
V. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de onderhavige procedure, vermeerderd met de wettelijke rente;
VI. [gedaagde] veroordeelt in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
VII. bepaalt dat [gedaagde] gehouden is om 80% van de netto opbrengsten van de B&B aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] af te dragen;
VIII. bepaalt dat [gedaagde] gehouden is om de gebruikerslasten voor de molen, die per datum overlijden erflater zijn c.q. nog worden betaald van de ervenrekening aan de nalatenschap te vergoeden en vervolgens de gebruikerslasten op haar eigen naam en rekening over te zetten en te voldoen;
IX. bepaalt dat [gedaagde] gehouden is om haar deel van de eigenaarslasten (20%) voor de molen, die per datum overlijden erflater zijn/worden betaald van de ervenrekening aan de nalatenschap te vergoeden;
X. bepaalt dat [gedaagde] gehouden is onderhoudswerkzaamheden aan de molen eerst met [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] te overleggen, alvorens een opdracht te verstrekken, en hen de gelegenheid te geven en dus toegang tot het object te verschaffen aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en door hen in te schakelen experts, om de uit te voeren werkzaamheden te beoordelen en zelf ook offertes op te kunnen vragen;
XI. bepaalt dat [gedaagde] gehouden is per direct alle administratie met betrekking tot de subsidieregeling te overleggen en hierover op eerste verzoek uitleg te verschaffen aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , zodat zij de verplichtingen hierin kunnen beoordelen en kwalificeren op straffe van een dwangsom.
3.2.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] leggen het volgende aan hun vordering ten grondslag. Partijen zijn deelgenoot in een gemeenschap, bestaande uit de molen met daarin gevestigd de B&B en op het terrein van de molen enkele opstallen. onderdeel van uitmaakt. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] willen niet in deze gemeenschap vast blijven zitten. [gedaagde] heeft meegedeeld dat zij de molen niet toebedeeld wil krijgen maar wil verkopen. Over de prijs van het aandeel van [gedaagde] in de molen kunnen partijen geen overeenstemming bereiken. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen daarom de (wijze van) verdeling te gelasten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] doet een beroep op artikel 3:178 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), uitstel van verdeling gelet op haar medische situatie. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij er belang bij heeft dat zij haar aandeel in de molen kan overdragen tegen vergoeding van de economische waarde omdat zij van de molen afhankelijk is voor haar inkomsten en de molen haar woonruimte is. Volgens [gedaagde] maakt de B&B geen onderdeel uit van de nalatenschap van erflater omdat die door haarzelf werd geëxploiteerd, maar is zij bereid de B&B over te dragen aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] of aan een derde tegen de economische waarde. Echter, indien er op de molen een vruchtgebruik ten behoeve van [gedaagde] wordt gevestigd, hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geen rechtens te respecteren belang meer bij het vorderen van verdeling. [gedaagde] vordert daarom in reconventie dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden veroordeeld tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op de molen ten behoeve van [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert, na wijziging eis, – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Vestiging vruchtgebruik
I. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt mee te werken aan de vestiging van een (levenslang) vruchtgebruik ten behoeve van [gedaagde] op de molen en de in de molen aanwezige inboedel van erflater waaronder, maar niet uitsluitend door:
- het opdracht geven aan een nader door [gedaagde] aan te wijzen notaris tot het vestigen van het (levenslange) vruchtgebruik van de molen en de aldaar aanwezige inboedel te vestigen ten behoeve van [gedaagde] ;
- het akkoord geven op de (notariële) akte(s) tot vestiging van het vruchtgebruik van de molen en de inboedel ten behoeve van [gedaagde] door ondertekening van de (notariële) akte(s);
- het opdracht geven aan de notaris tot de inschrijving van het vruchtgebruik van de molen ten behoeve van [gedaagde] in de openbare registers;
op straffe van een dwangsom;
Machtiging met betrekking tot vestiging vruchtgebruik
II. Indien en voor zover [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet tijdig en/of niet volledig aan het onder II gevorderde hebben voldaan en dientengevolge het maximum aan dwangsommen is verbeurd, [gedaagde] machtigt om namens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] al hetgeen te doen wat noodzakelijk is om het vruchtgebruik op de molen en de inboedel ten behoeve van [gedaagde] te vestigen, waaronder maar niet uitsluitend door:
- het opdracht geven aan een nader door [gedaagde] aan te wijzen notaris tot het vestigen van het (levenslange) vruchtgebruik van de molen en de aldaar aanwezige inboedel te vestigen ten behoeve van [gedaagde] ;
- het akkoord geven op de (notariële) akte(s) tot vestiging van het vruchtgebruik van de molen en de inboedel ten behoeve van [gedaagde] door ondertekening van de (notariële) akte(s);
- het opdracht geven aan de notaris tot de inschrijving van het vruchtgebruik van de molen ten behoeve van [gedaagde] in de openbare registers;
Kosten vestigen vruchtgebruik
III. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt om de kosten voor of in verband met de vestiging van het vruchtgebruik op de molen en de inboedel aan [gedaagde] te betalen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend:
- de kosten van de notaris voor of in verband met het vestigen van het vruchtgebruik op de molen;
- de eventuele kosten voor het inschrijven van het vruchtgebruik op de molen in de openbare registers;
Afwikkeling subsidie
IV. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt om alle noodzakelijke medewerking te verlenen met betrekking tot het correct afwikkelen van de subsidieregeling en verder voor recht verklaart dat, indien deugdelijke medewerking niet wordt verleend en [gedaagde] dientengevolge door de subsidie verlenende instanties wordt aangesproken, [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] jegens [gedaagde] aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door [gedaagde] geleden en te lijden schade en verder voor recht verklaart dat een terugbetalingsverplichting van de subsidie een schuld van de nalatenschap is die door de nalatenschap c.q. door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dient te worden voldaan aan de betreffende instantie;
Medewerking/kosten met betrekking tot onderhoud molen
V. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt om hun medewerking te verlenen aan het noodzakelijk behoud en (groot) onderhoud van de molen, bestaande uit al hetgeen volgens het Besluit kleine herstellingen voor rekening van de verhuurder zou komen en – voor zover [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] daar niet na een daartoe schriftelijk verzoek van [gedaagde] zijn overgegaan – bepaalt dat [gedaagde] de werkzaamheden door een derde kan laten uitvoeren en dat [gedaagde] de kosten daarvan op [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] kan verhalen;
VI. bepaalt dat de kosten van het onderhoud/behoud van de molen volledig voor rekening van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] komen voor zover de kosten vallen onder de subsidieregeling;
VII. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 2.277,50 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 341,63 en de wettelijke handelsrente;
VIII. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt tot betaling van de door [gedaagde] betaalde brandverzekeringspremie van € 373,78 en verder voor recht verklaart dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de toekomstige brandverzekeringspremie dienen te voldoen, tot het moment waarop de molen aan een derde is overgedragen;
in voorwaardelijke reconventie
voor zover [gedaagde] wordt veroordeeld om mee te werken aan verdeling van de molen:
Uitstel verdeling
I. bepaalt dat de vordering tot verdeling van het onverdeeld eigendom van de molen met ten hoogste drie jaren zal worden uitgesloten;
Verkoop aan een derde
II. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt tot medewerking aan de verkoop en de levering van de molen aan een derde, zulks op de door [gedaagde] voorgestelde wijze;
Verklaring voor recht met betrekking tot B&B
III. voor recht verklaart dat de B&B geen onderdeel uitmaakt van de nalatenschap van erflater en/of dat de (meer) waarde van de B&B volledig ten goede komt aan [gedaagde] en de waarde primair vast te stellen op een bedrag van € 220.000, althans subsidiair een bindend door de makelaar te bepalen bedrag;
Kosten verdeling
IV. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt om ieder – naar rato van hun aandeel in het onverdeeld eigendom van de molen – de kosten van de makelaar/notaris te dragen en bepaalt dat die kosten uit de verkoopopbrengst van de molen kunnen worden voldaan;
Medewerking verkoop
V. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt om hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de molen door:
- in te stemmen met de door de makelaar voorgestelde vraagprijs;
- het aanvaarden van een volgens de makelaar marktconform aanbod;
- akkoord te geven op de koopovereenkomst door deze te ondertekenen;
- het akkoord geven op de akte van levering door deze te ondertekenen;
- het geven van een opdracht aan de notaris om de verkoopopbrengst – onder aftrek van kosten en met inachtneming van het gevorderde onder IX (de rechtbank begrijpt: onder IV) – te verdelen overeenkomstig ieders deelgerechtigdheid;
op straffe van een dwangsom;
Machtiging [gedaagde] met betrekking tot verkoop
VI. indien en voor zover [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet, niet tijdig en/of niet volledig aan het onder XI (de rechtbank begrijpt: onder V) gevorderde hebben voldaan en dientengevolge het maximum aan verbeurde dwangsommen is bereikt, [gedaagde] machtigt om namens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] al hetgeen te doen wat noodzakelijk is om de molen aan een derde te verkopen en te leveren, waaronder maar niet uitsluitend door:
- in te stemmen met de door de makelaar voorgestelde vraagprijs;
- het aanvaarden van een volgens de makelaar marktconform aanbod;
- akkoord te geven op de koopovereenkomst door deze te ondertekenen;
- het akkoord geven op de akte van levering door deze te ondertekenen;
- het geven van een opdracht aan de notaris om de verkoopopbrengst – onder aftrek van kosten en met inachtneming van het gevorderde onder IX (de rechtbank begrijpt: onder IV) – te verdelen overeenkomstig ieders deelgerechtigdheid;
3.6.
[gedaagde] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde] doet een beroep op artikel 4:29 en Pro 4:30 BW. Zij heeft behoefte en belang bij de vestiging van het vruchtgebruik op de molen want zij woont daar en zij verdient haar inkomen via het atelier en de B&B in de molen.
3.7.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] voeren verweer voor zover het betreft de vestiging van het vruchtgebruik ten behoeve van de B&B en de schuur.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in reconventie
4.1.
De rechtbank zal eerst de vorderingen van [gedaagde] bespreken. Dit omdat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in conventie verdeling van de gemeenschappelijke molen nastreven, maar verdeling daarvan voor hen niet aan de orde is indien en voor zover de vorderingen van [gedaagde] in reconventie tot het vestigen van een vruchtgebruik op de molen voor toewijzing in aanmerking komen.
Bevoegdheid rechtbank
4.2.
Voordat de rechtbank deze vordering inhoudelijk kan bespreken, dient zij in te gaan op de bevoegdheid van de rechtbank. Uit de beslissing van de Hoge Raad van 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:511) blijkt dat zaken die strekken tot veroordeling tot medewerking aan vestiging van een vruchtgebruik op grond van de artikelen 4:29 lid 1 BW of art. 4:30 lid 1 BW Pro behoren tot de bevoegdheid van de kantonrechter en moeten worden ingeleid met een verzoekschrift. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel ten aanzien van de vordering in reconventie onder I tot en met III niet bevoegd is. Onbevoegdverklaring ten aanzien van deze vorderingen zou betekenen dat deze vorderingen moeten worden verwezen naar de kantonrechter en afzonderlijk van de conventie zullen worden behandeld. Dat is onwenselijk, gelet op de vergaande samenhang tussen de diverse vorderingen. Gelet hierop , alsmede het feit dat het grootste gedeelte van de overige vorderingen onder de absolute bevoegdheid van de rechtbank valt en de toestemming van partijen ter zitting dat de rechtbank deze vorderingen aan zich houdt, zal de rechtbank ook de vorderingen in reconventie onder I tot en met III behandelen. Het is in strijd met de goede procesorde om zich ten aanzien van de vorderingen in reconventie onder I tot en met III onbevoegd te verklaren.
Vruchtgebruik
4.3.
[gedaagde] maakt op grond van artikel 4:29 en Pro 4:30 BW aanspraak op het vruchtgebruik van de molen. Zij voert daartoe aan dat zij behoefte heeft aan en belang heeft bij het vruchtgebruik omdat ze er woont en ze haar inkomen verdient via het atelier en de B&B in de molen. [gedaagde] is 59 jaar oud en exploiteert een onderneming, zodat zij geen pensioen opbouwt. Het vinden van een baan in loondienst zal niet makkelijk zijn. Daarnaast kampt [gedaagde] met de nodige medische problematiek. Ook is het vinden van een woning op de krappe woningmarkt nagenoeg onmogelijk. [gedaagde] staat niet ingeschreven voor een sociale huurwoning en voor een woning in de private sector heeft zij een inkomen nodig, aldus [gedaagde] .
4.4.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verzetten zich niet tegen vestiging van het vruchtgebruik op de molen en inboedel. Tegen het gevorderde vruchtgebruik op de schuur en de B&B verzetten zij zich wel omdat [gedaagde] hieraan geen behoefte heeft. In de schuur staan roerende zaken van erflater. De schuur staat los van de woning en is een zelfstandig object, waar [gedaagde] verder geen gebruik van maakt of voor haar verzorging geen gebruik van hoeft te maken.
4.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:29 lid 1 BW Pro zijn erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik ten behoeve van de echtgenoot van de erflater op de tot diens nalatenschap behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, voor zover de echtgenoot van de erflater ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet enig rechthebbende is tot die woning en voor zover de echtgenoot dit van de erfgenamen verlangt.
4.6.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn dus in beginsel verplicht hun medewerking te verlenen aan het vestigen van een vruchtgebruik op de molen ten behoeve van [gedaagde] . [gedaagde] voldoet immers aan de in artikel 4:29 BW Pro gestelde voorwaarden. Zij is de echtgenote van erflater en woonde ten tijde van zijn overlijden in de molen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben meegedeeld dat zij kunnen instemmen met het vruchtgebruik van de woning in de molen. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich geen feiten en omstandigheden voor op basis waarvan aan [gedaagde] haar wettelijk recht van artikel 4:29 BW Pro moet worden ontzegd. De vraag rijst wel op welk deel van de molen het recht van vruchtgebruik rust. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben immers bezwaar tegen een recht van vruchtgebruik op de B&B en de schuur.
Vruchtgebruik B&B
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat de ruimte waar de B&B wordt geëxploiteerd geen onderdeel uitmaakt van de woning in de molen. Of daar een vruchtgebruik op moet worden gevestigd, dient daarom te worden beantwoord aan de hand van artikel 4:30 BW Pro.
4.8.
Krachtens artikel 4:30 lid 1 BW Pro zijn erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 4:29 BW Pro ten behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor zover de echtgenoot daaraan behoefte heeft, de omstandigheden in aanmerking genomen, en die medewerking van hen verlangt. De onterfde echtgenoot zal dan ook aannemelijk moeten maken dat hij of zij voor zijn verzorging behoefte heeft aan een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:30 BW Pro. Met dit vruchtgebruik wordt beoogd hem niet meer dan een vangnet te bieden in de vorm van een passende voorziening indien en voor zover zijn verzorging niet is gewaarborgd (HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2507). Gelet op het bepaalde in artikel 4:33 lid 5 BW Pro houdt de rechter bij de beantwoording van de vraag of de echtgenoot van erflater behoefte heeft aan de vestiging van een verzorgingsvruchtgebruik in ieder geval rekening met:
de leeftijd van de echtgenoot;
de samenstelling van de huishouding waartoe de echtgenoot behoort;
de mogelijkheid van de echtgenoot om zelf in de verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen;
hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan worden beschouwd.
4.9.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij behoefte heeft aan het verzorgingsvruchtgebruik slechts overgelegd een aantal bescheiden betreffende de B&B en het atelier van [gedaagde] . Andere bescheiden heeft zij niet overgelegd omdat, zo stelt [gedaagde] , zij geen andere inkomsten heeft (genoten) sinds het overlijden van erflater. Weliswaar betwisten [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dit, maar zij hebben niet concreet gemaakt welke inkomstenbronnen [gedaagde] dan moet hebben (gehad). De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij naast het inkomen uit de B&B en haar atelier geen andere inkomstenbron heeft zoals een nabestaandenpensioen. Mede gezien haar leeftijd, het vooruitzicht op een huur- of koopwoning elders en haar medische situatie, is de rechtbank van oordeel dat er bij [gedaagde] een verzorgingsbehoefte aanwezig is. In dat licht zal de rechtbank de vordering voor het vestigen van een vruchtgebruik ten behoeve van de B&B toewijzen.
Vruchtgebruik schuur
4.10.
De rechtbank ziet in wat [gedaagde] ter zitting heeft gesteld over de behoefte aan een verzorgingsvruchtgebruik op de schuur, daarvoor geen aanleiding. Volgens [gedaagde] gebruikt zij de schuur als opslag voor spullen ten behoeve van de B&B en haar atelier. Nog daargelaten dat er volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] voornamelijk spullen in de schuur staan van henzelf van vroeger en van erflater, heeft [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt dat zij voor haar verzorging behoefte heeft aan het vruchtgebruik over de schuur. De rechtbank wijst de vordering voor het vestigen van een vruchtgebruik ten behoeve van de schuur af.
Vorderingen ten aanzien van vestigen vruchtgebruik
4.11.
Ten aanzien van de vestiging van het vruchtgebruik vordert [gedaagde] een dwangsom en een machtiging om namens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] al hetgeen te doen wat noodzakelijk is om het vruchtgebruik te vestigen. De rechtbank wijst deze vorderingen af omdat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben toegezegd te zullen meewerken. Uit niets blijkt – en [gedaagde] heeft daar ook niets voor aangevoerd – dat zij dat niet gaan doen.
Kosten vestigen vruchtgebruik
4.12.
Verder vordert [gedaagde] dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de kosten voor of in verband met de vestiging van het vruchtgebruik aan haar betalen, waaronder de kosten van de notaris en kosten voor het inschrijven in de openbare registers.
4.13.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen dat deze kosten volledig voor rekening van [gedaagde] dienen te komen omdat zij het vruchtgebruik wil laten vestigen bij de notaris en hiervan profijt heeft.
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voor rekening van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dienen te komen. Het zijn namelijk schulden van de nalatenschap zoals blijkt uit artikel 4:7 lid 1 sub f BW Pro. De rechtbank wijst deze vordering toe.
Afwikkeling subsidie
4.15.
Ten behoeve van het onderhoud van de molen zijn subsidies verstrekt. [gedaagde] vordert veroordeling van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het correct afwikkelen van de subsidieregeling. Voor het geval [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat niet doen, vordert [gedaagde] dat de rechtbank voor recht verklaard dat een eventuele vordering in verband hiermee ten laste van de nalatenschap komt. Erflater heeft ten behoeve van het onderhoud van de molen subsidies op zijn bankrekening betaald gekregen. Eind 2025 dient de gehele ontvangen subsidie verantwoord te zijn en dat is nu nog niet het geval, aldus [gedaagde] .
4.16.
Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] heeft [gedaagde] samen met erflater de subsidie aangevraagd en de gelden ontvangen op de bankrekening. Zij vermoeden dat erflater een groot deel van de werkzaamheden voor het onderhoud van de molen zelf heeft verricht. De accountant heeft bevestigd dat erflater vanuit zijn onderneming facturen zou sturen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn niet bekend met deze constructie en de uitvoering daarvan. Daarentegen, is [gedaagde] degene die alle ins en outs hierover weet, aldus [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] .
4.17.
De rechtbank wijst de vordering van [gedaagde] af omdat zij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke medewerking zij van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verlangt om tot een deugdelijke afwikkeling van de subsidie te komen en waarom dit de verantwoordelijkheid van alleen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] is.
Onderhoud molen
4.18.
Verder vordert [gedaagde] dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hun medewerking moeten verlenen aan het noodzakelijk behoud en (groot) onderhoud van de molen.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] willen graag de mogelijkheid krijgen om onderhoudswerkzaamheden te kunnen beoordelen alsmede zelf offertes op te kunnen vragen en met elkaar te vergelijken.
4.19.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3:220 lid 1 BW Pro bepaalt dat gewone lasten en herstellingen door de vruchtgebruiker worden gedragen en verricht. Wanneer buitengewone herstellingen nodig zijn, is de vruchtgebruiker verplicht aan de hoofdgerechtigde van deze noodzakelijkheid kennis te geven en hen de gelegenheid te verschaffen tot het doen van deze herstellingen. De hoofdgerechtigde is echter niet tot het doen van enige herstelling verplicht. De vruchtgebruiker is bevoegd de buitengewone herstellingen voor eigen rekening uit te voeren, maar kan de uitgaven daarvoor niet van de hoofdgerechtigde terugvorderen, tenzij daarover van te voren overleg is gevoerd en behoudens een eventuele vordering uit ongerechtvaardigde verrijking
4.20.
De rechtbank is van oordeel dat uit de vordering van [gedaagde] niet blijkt op welke manier [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] medewerking moeten verlenen en voor welk onderhoud zij dat dan moeten doen. Daarnaast komen deze kosten (of een deel daarvan), op grond van artikel 3:220 BW Pro, vanaf het moment van vestiging van het vruchtgebruik voor rekening van [gedaagde] . Verder is ter zitting onduidelijk gebleven waarom moet worden aangesloten bij het Besluit kleine herstellingen, te meer omdat [gedaagde] mede-eigenaar is van de molen.
4.21.
Ter zitting heeft [gedaagde] meegedeeld dat de vordering ten aanzien van het instemmen met de offertes kan komen te vervallen. Tijdens het opstellen van de conclusie van antwoord was er spoed bij het herstellen van een lekkage maar uiteindelijk heeft [gedaagde] geen kosten hiervoor gemaakt.
Kosten onderhoud/behoud van de molen
4.22.
[gedaagde] stelt dat de kosten van het onderhoud/behoud van de molen volledig voor rekening van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dienen te komen voor zover deze kosten vallen onder de subsidieregeling.
4.23.
De rechtbank wijst deze vordering af omdat [gedaagde] onvoldoende inzicht heeft gegeven in de (huidige) stand van zaken met betrekking tot de subsidieregelingen en op welke kosten haar vordering betrekking heeft.
Facturen exploitatie B&B
4.24.
[gedaagde] heeft de B&B na het overlijden van erflater geëxploiteerd maar enkele boekingsbetalingen zijn toen voldaan op de ervenrekening. [gedaagde] stelt dat zij recht heeft op die betalingen omdat zij met erflater had afgesproken dat degene die de werkzaamheden verrichtte voor de B&B, ook recht heeft op de opbrengsten uit die werkzaamheden. Verder stelt [gedaagde] dat erflater de onderneming aan haar heeft overgedragen.
4.25.
Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] heeft erflater de B&B opgericht. Erflater heeft het startkapitaal geïnvesteerd en de kosten altijd betaald. De boekingen verliepen via zijn account en bankrekening en de inboedel van de B&B behoort hem ook toe. Als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid kon hij in het eerste jaar geen inkomsten ontvangen en dus werd [gedaagde] hiervoor tijdelijk ingeschakeld. Nadat de AOV werd beëindigd, heeft erflater alle verdiensten in de B&B weer overgenomen. [gedaagde] hielp mee in de B&B en voor deze werkzaamheden stuurde zij een factuur. Na het overlijden van erflater heeft [gedaagde] zonder overleg de onderneming voortgezet. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen dat de B&B onderdeel is van de nalatenschap, in ieder geval voor 80%. [gedaagde] dient de winst in de onderneming aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] uit te betalen. Eventuele verrichte werkzaamheden kan zij factureren aan de onderneming, aldus [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] .
4.26.
De rechtbank wijst de vordering van [gedaagde] tot betaling van de facturen inzake de exploitatie van de B&B af. Weliswaar zijn de boekingsbetalingen na het overlijden van erflater op de rekening van [gedaagde] gestort maar dat de onderneming is overgedragen aan [gedaagde] blijkt nergens uit. Integendeel. [gedaagde] en erflater exploiteerden ieder een eigen onderneming onder dezelfde handelsnaam,
B&B Molen [de molen]. Uit de door [gedaagde] als producties 9 en 10 overgelegde jaarrekeningen van de beide ondernemingen, leidt de rechtbank af dat de B&B in 2023 werd geëxploiteerd door erflater. De netto-omzet van de onderneming van erflater bedroeg in 2023 € 50.820,27. De kostprijs van de omzet bedroeg in dat jaar € 25.608,65. De netto-omzet van de onderneming van [gedaagde] in 2023 bedroeg € 16.722,72 terwijl de kostprijs van de omzet slechts € 51,- bedroeg. Met andere woorden; [gedaagde] factureerde haar werkzaamheden aan de onderneming van erflater. Uit de jaarrekeningen blijkt niet dat erflater zijn werkzaamheden aan [gedaagde] factureerde. Dat erflater na 2023 de onderneming aan [gedaagde] heeft overgedragen, blijkt niet uit wat zij heeft aangevoerd. Kortom, de onderneming valt in de nalatenschap. Dus de nalatenschap heeft recht op de boekingsinkomsten.
Brandverzekeringspremie
4.27.
[gedaagde] stelt dat de brandverzekering door de eigenaren van de molen moet worden voldaan ter bescherming van het eigendom. Dus vordert zij dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] 80% van de premie voldoen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn het hier mee eens. De rechtbank wijst deze vordering van [gedaagde] aldus toe.
4.28.
Verder heeft [gedaagde] een verklaring voor recht gevorderd dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de toekomstige brandverzekeringspremie dienen te voldoen tot het moment waarop de molen aan een derde is overgedragen.
4.29.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:209 BW Pro is de vruchtgebruiker verplicht het voorwerp van zijn vruchtgebruik ten behoeve van de hoofdgerechtigde te verzekeren tegen die gevaren, waartegen het gebruikelijk is een verzekering te sluiten. In ieder geval is de vruchtgebruiker, indien een gebouw aan zijn vruchtgebruik is onderworpen, verplicht dit tegen brand te verzekeren. Het is dus [gedaagde] als vruchtgebruiker verplicht om de brandverzekering af te sluiten en de kosten daarvoor te voldoen. De rechtbank wijst de vordering op dit punt af.
in conventie
Verdeling
4.30.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben in de conclusie van antwoord in reconventie betoogd dat zij hun vordering ter zake de verdeling intrekken, indien het vruchtgebruik ex artikel 4:29 BW Pro wordt toegewezen. Dat is het geval. De overige vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden hierna besproken.
Opbrengsten B&B
4.31.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen dat [gedaagde] 80% van de netto-opbrengsten van de B&B aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moet afdragen. De molen en de daarbij behorende B&B zijn voor 80% van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , zodat [gedaagde] voor het gebruik een vergoeding aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moet betalen.
4.32.
De rechtbank wijst deze vordering af. Zoals hiervoor onder 4.26 overwogen, was de gang van zaken dat [gedaagde] een factuur aan de onderneming van erflater stuurde voor de werkzaamheden die zij uitvoerde. De gefactureerde bedragen waren gelijk aan het bedrag dat er voor de boeking van de B&B door de gasten werd betaald. Dat erflater en [gedaagde] iets anders hadden afgesproken, blijkt niet uit wat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben aangevoerd. Dat [gedaagde] meer heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft blijkt niet, gelet op dat wat zij mocht facturen, niet.
Gebruikers- en eigenaarslasten
4.33.
Per datum overlijden worden er gebruikerslasten van de ervenrekening afgeschreven. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen dat [gedaagde] gehouden is deze lasten, als zijnde de gebruiker, aan de erven te vergoeden. Dit geldt ook voor de eigenaarslasten, in die zin dat partijen een verhouding van 80/20 in het eigendom hebben en [gedaagde] volgens die verdeelsleutel de eigenaarslasten dient te dragen, aldus [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] .
4.34.
Volgens [gedaagde] hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de eigenaarslasten en de gebruikerslasten niet nader gespecificeerd en dient een algemene veroordeling als gevolg van een gebrek aan onderbouwing te worden afgewezen.
4.35.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ter zitting inzichtelijk hebben gemaakt om welke bedragen het gaat. De opsomming zoals is opgenomen in de pleitnota komt voor toewijzing in aanmerking. Dat betekent een bedrag van € 1.810,39 inzake de gebruikerslasten en een bedrag van € 424,30 inzake de eigenaarslasten. Echter hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geen veroordeling tot betaling van deze kosten gevorderd. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat [gedaagde] deze bedragen aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zal voldoen.
Onderhoudswerkzaamheden
4.36.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen dat [gedaagde] de onderhoudswerkzaamheden aan de molen slechts zal laten uitvoeren, na overleg en instemming met [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Zij willen in de gelegenheid worden gesteld de werkzaamheden te laten inspecteren en hiertoe zelf ook offertes opvragen omdat zij beschikken over een netwerk van aannemers.
4.37.
Zoals in 4.20 en verder is overwogen worden gewone lasten en herstellingen door de vruchtgebruiker gedragen en verricht en wanneer buitengewone herstellingen nodig zijn, is de vruchtgebruiker verplicht aan de hoofdgerechtigde van deze noodzakelijkheid kennis te geven en hen de gelegenheid te verschaffen tot het doen van deze herstellingen. Uit deze regeling vloeit geen verplichting voor [gedaagde] voort om te overleggen met [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . De rechtbank wijst de vordering af.
Administratie subsidieregeling
4.38.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen dat [gedaagde] alle administratie met betrekking tot de subsidieregeling (zie hiervoor onder 4.15) moet overleggen zodat zij de verplichtingen kunnen beoordelen en kwalificeren. Dat weigert [gedaagde] terwijl zij alle ins en outs kent. Het zou onredelijk zijn als [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] daardoor worden geconfronteerd met naheffingen of werkzaamheden moeten verrichten .
4.39.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Artikel 194 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Artikel 195 lid 1 Rv Pro bepaalt vervolgens dat op verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194 lid 1 Rv Pro recht op heeft, de rechter de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover die partij beschikt.
4.40.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de vordering tot afgifte van de administratie te algemeen hebben geformuleerd. Het vereiste dat het moet gaan om bepaalde gegevens betekent dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] voldoende concreet moeten aangeven om welke bescheiden het hen te doen is. Dat hebben zij nagelaten dus wijst de rechtbank de vordering af.
in conventie en in reconventie
Proceskosten
4.41.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
bepaalt dat [gedaagde] gehouden is om de gebruikerslasten voor de molen, die per datum overlijden erflater zijn c.q. nog worden betaald van de ervenrekening aan de nalatenschap te vergoeden en vervolgens de gebruikerslasten op haar eigen naam en rekening over te zetten en te voldoen,
5.2.
bepaalt dat [gedaagde] gehouden is om haar deel van de eigenaarslasten (20%) voor de molen, die per datum overlijden erflater zijn/worden betaald van de ervenrekening aan de nalatenschap te vergoeden,
in reconventie
5.3.
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] mee te werken aan de vestiging van een (levenslang) vruchtgebruik ten behoeve van [gedaagde] op de in de molen (kadastraal bekend Gemeente [plaats] , [kadastraalnummer] ) aanwezige woning, in die molen aanwezige B&B en de in de molen aanwezige inboedel van erflater waaronder:
  • het opdracht geven aan een nader door [gedaagde] aan te wijzen notaris tot het vestigen van het (levenslange) vruchtgebruik op de in de molen aanwezige woning, in die molen aanwezige B&B en de in de molen aanwezige inboedel van erflater te vestigen ten behoeve van [gedaagde] ;
  • het akkoord geven op de (notariële) akte(s) tot vestiging van het vruchtgebruik op de in de molen aanwezige woning, in die molen aanwezige B&B en de in de molen aanwezige inboedel van erflater ten behoeve van [gedaagde] door ondertekening van de (notariële) akte(s);
  • het opdracht geven aan de notaris tot de inschrijving van het vruchtgebruik op de in de molen aanwezige woning, in die molen aanwezige B&B en de in de molen aanwezige inboedel van erflater ten behoeve van [gedaagde] in de openbare registers,
5.4.
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om de kosten voor of in verband met de vestiging van het vruchtgebruik op de woning in de molen, de B&B en de inboedel aan [gedaagde] te betalen, waaronder:
  • de kosten van de notaris voor of in verband met het vestigen van het vruchtgebruik;
  • de eventuele kosten voor het inschrijven van het vruchtgebruik in de openbare registers,
5.5.
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] tot betaling van de door [gedaagde] betaalde brandverzekeringspremie van € 373,78,
in conventie en in reconventie
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.