Verzoekers hebben boetes opgelegd gekregen wegens overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen, respectievelijk € 13.500,- en € 28.125,-. Zij maakten bezwaar tegen deze besluiten en vroegen om een voorlopige voorziening om de directe werking van de boetes te schorsen.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 9 april 2026 en oordeelde dat de belangen van verzoekers zwaarder wegen dan het algemeen belang bij directe werking van de boetebesluiten. Dit omdat de intrekking van exploitatievergunningen van meerdere vestigingen dreigt, wat grote financiële gevolgen voor verzoekers kan hebben.
Daarom werd besloten de boetebesluiten voorlopig te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van verzoekers. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.