Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4153

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
K/4102/12037174
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 7:673 lid 1 onderdeel a onder 3 BWArt. 7:673 lid 9 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-verlenging tijdelijke arbeidsovereenkomst na verstoorde arbeidsrelatie zonder ernstig verwijtbaar handelen werkgever

De werknemer was op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst werkzaam als verkoopmedewerker bij SAR op Schiphol. Na een incident met een storemanager diende zij een klacht in over intimidatie en onveilige werkomstandigheden. SAR volgde de klachtenprocedure, maar de arbeidsrelatie verslechterde verder, mede door communicatieproblemen en wederzijds gebrek aan vertrouwen.

De werknemer stelde dat sprake was van constructief ontslag door ernstig verwijtbaar handelen van SAR, waaronder onvoldoende serieus nemen van de klacht, schending van vertrouwelijkheid en benadeling door non-actiefstelling. SAR voerde verweer en stelde dat de niet-verlenging was gebaseerd op een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.

De kantonrechter oordeelde dat SAR zorgvuldig had gehandeld in de klachtenafhandeling en dat het nalaten van het bewaren van camerabeelden niet ernstig verwijtbaar was. De verslechterde arbeidsrelatie was vooral het gevolg van de houding van de werknemer. Er was geen causaal verband tussen de klacht en het niet verlengen van het contract. De werknemer had recht op de transitievergoeding, maar niet op een billijke vergoeding of schadevergoeding wegens psychisch letsel of misgelopen inkomsten.

Het verzoek tot verstrekking van documentatie werd afgewezen wegens onduidelijkheid. De proceskosten werden aan de werknemer opgelegd. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad gegeven.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt niet verlengd zonder ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever; alleen transitievergoeding wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 12037174 \ AO VERZ 25-167
Beschikking van 3 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
procederend in persoon,
tegen
de besloten vennootschap,
SCHIPHOL AIRPORT RETAIL B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
verwerende partij,
hierna te noemen: SAR,
gemachtigde: mr. N.P.B. Schmeitz.
De zaak in het kort
[verzoeker] was op basis van een contract voor bepaalde tijd werkzaam als verkoopmedewerker op Schiphol. De arbeidsovereenkomst is niet verlengd. Volgens [verzoeker] is het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van SAR. [verzoeker] verzoekt daarom in deze procedure om (onder meer) een billijke vergoeding en schadevergoeding. De verzoeken worden (grotendeels) afgewezen. Wel heeft [verzoeker] recht op de transitievergoeding.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de brief van [verzoeker] van 1 maart 2026;
- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026;
- de pleitaantekeningen van [verzoeker];
- de pleitaantekeningen van SAR.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Feiten

2.1.
SAR exploiteert ‘
See Buy Fly’taxfree-winkels op Schiphol.
2.2.
[verzoeker] is op 1 augustus 2024 bij SAR in dienst getreden als Sales Assistant.
2.3.
De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd met een looptijd (na verlenging) tot 28 februari 2026.
2.4.
Op 7 februari 2025 heeft in een van de zonnebrilwinkels van SAR in de E-Zone een incident plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de storemanager [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]).
2.5.
Op 14 februari 2025 heeft [verzoeker] een klacht ingediend bij de HR afdeling van SAR over het voorval:
“(…)
Tijdens mijn werk op vrijdagmiddag, toen ik samen met C[de kantonrechter begrijpt: ‘coördinator’, zijnde [betrokkene 1]]
werkte, voelde ik me voortdurend geïntimideerd en niet veilig. Ik werd meerdere keren onderbroken terwijl ik sprak en werd luid toegesproken. C vroeg me op een agressieve manier wat er met me aan de hand was, waarop ik antwoordde dat ik geschrokken was van haar gedrag. Daarna greep ze mijn hand en dwong me letterlijk om achteruit te lopen, terwijl ze zei: “Oh, sorry.” “Ik wilde je alleen maar sterker maken.” Op dat moment stonden we al in de hoek van de winkel.
De situatie ging verder toen C zich op een onvoorspelbare manier gedroeg. Ze schreeuwde tegen me en gooide met een bril doos, wat me ernstig in de war bracht. Ik voelde me volledig onveilig en had geen controle over de situatie. Toen ik haar vroeg om me met rust te laten, bleef ze doorgaan met haar manipulatieve en ongepaste gedrag. Dit gedrag leidde uiteindelijk tot een situatie waarin ik niet in staat was om normaal te functioneren op de werkvloer.(…)”
2.6.
SAR heeft nog dezelfde dag bevestigd dat de klachtenprocedure zou worden gevolgd en [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 18 of 20 februari 2025.
2.7.
Op 19 februari 2025 heeft [verzoeker] aan SAR geschreven:
“(…) De manier waarop mijn klacht is afgehandeld, heeft mij het gevoel gegeven dat ik onterecht ben behandeld. De angst die ik die dag voelde, was echt. Werk draait niet alleen om salaris, maar ook om mijn gevoel van veiligheid, een vertrouwde omgeving en goede werkrelaties. Na het incident is mijn werkomgeving plotseling onzeker geworden, wat mij veel stress en angst bezorgt.
Daarnaast maken de interne machtsverhoudingen binnen het bedrijf mij bezorgd. Ik wil mijn rechten verdedigen, maar ik ben bang om als een ruziezoeker te worden gezien. Dit gevoel maakt mij nog onzekerder. Na zorgvuldige overweging heb ik daarom besloten mijn klacht voorlopig niet oor te zetten, deels uit angst voor mogelijke vergelding.
Hoewel ik ervoor kies om mijn klacht niet verder door te zetten, betekent dit niet dat het probleem is opgelost. Ik hoop dat het management dit incident serieus neemt en passende maatregelen treft om ervoor te zorgen dat alle medewerkers in een veilige en stabiele omgeving kunnen werken. Daarnaast sta ik open voor verdere communicatie met het bedrijf om samen tot een passende oplossing te komen.(…)”
2.8.
SAR heeft [verzoeker] vervolgens telefonisch uitgenodigd voor een (informeel) gesprek op 20 februari 2025. Dit gesprek is meermaals verplaatst en heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 18 maart 2025. [verzoeker] heeft vervolgens laten weten haar klacht toch formeel te willen doorzetten.
2.9.
Op 27 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden waarbij de klacht van [verzoeker] uitvoerig is besproken en de klachtenprocedure aan haar is uitgelegd.
2.10.
Na de hoorzitting is discussie ontstaan over de verslaglegging daarvan.
2.11.
Op 25 april 2025 heeft [verzoeker] haar eigen versie van het gespreksverslag met [betrokkene 2] (interne bedrijfsmanager bij SAR) gedeeld.
2.12.
Op 12 mei 2025 is [verzoeker] heeft SAR voorgesteld om onder begeleiding van een onafhankelijk mediator in gesprek te gaan en heeft zij [verzoeker] tijdelijk (met behoud van loon) vrijgesteld van werkzaamheden:
“(…) Wij nemen jouw bericht(en) uiterst serieus en willen deze situatie tot op zijn best oplossen. (…)
Gebrek aan vertrouwen
Wij zien dat jouw vertrouwen in SAR ontbreekt. Dit volgt uit het feit dat je herhaaldelijk hebt aangegeven dat:
ontevreden bent over hoe HR dit alles behandeld;
wij jouw vertrouwen hebben geschaad;
wij jouw veiligheid niet waarborgen;
wij onze verantwoordelijkheid ontwijken
wij geen maatregelen nemen;
jouw vertrouwen in ‘het systeem’ is geschaad en;
de eerlijkheid van het bedrijf ernstig wordt ondermijnd.
Ook heb je aangegeven dat HR informatie zou hebben gelekt (over jouw klacht).Dit alles nemen wij zeer hoog op. Hierdoor is ook ons vertrouwen in jou beschadigd. Dit wordt versterkt door het feit dat je jouw gebrek aan vertrouwen ook met anderen binnen SAR deelt.Dit alles staat aan een goede voortzetting van het dienstverband bij SAR in de weg. Dit moet eerst opgelost. Daarvoor willen wij ons inzetten. Dat willen we doen door het voeren van een gesprek met jou. Daarbij willen we ons laten begeleiden door een onafhankelijke derde: een mediator. (…) Intussen geldt dat zolang dit probleem niet is opgelost, je zolang geen werkzaamheden mag verrichten (je staat zolang op non-actief).”
2.13.
Op 14 mei 2025 heeft [verzoeker] per e-mail een uitgebreide (kritische) reactie gegeven op de non-actiefstelling.
2.14.
Op 21 mei 2025 heeft [verzoeker] aangegeven dat zij graag haar werkzaamheden zou hervatten en heeft zij haar klacht ingetrokken:
“(…) Wat betreft deze klachtprocedure: er is nooit officieel een traject gestart, en daarom heb ik het recht om te beslissen om het niet meer te voortzetten. Gezien mijn huidige situatie kies ik ervoor om mijn eerdere klacht – inclusief de per post verzonden documenten – in te trekken. Ik wil niet dat dit verder wordt opgevolgd. Ik verzoek hierbij om het volledig stop te zetten. (…)”
2.15.
Op 27 mei 2025 heeft SAR de intrekking van de klacht bevestigd. Daarnaast heeft zij laten weten dat [betrokkene 1] per 1 juni 2025 uit dienst zou treden.
2.16.
Op 3 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden over de voorgestelde mediation en de non-actiefstelling, waarbij namens [verzoeker] ook een juridisch adviseur aanwezig was.
2.17.
Op 12 juni 2025 heeft SAR een gespreksverslag aan [verzoeker] verstuurd en benadrukt dat mediation noodzakelijk werd geacht om onder begeleiding van een onafhankelijke derde te bezien of herstel van de arbeidsrelatie nog mogelijk was.
2.18.
Op 7 juli 2025 heeft [verzoeker] aan de mediator laten weten bij de huidige stand van zaken niet open te staan voor mediation.
2.19.
Op diezelfde dag heeft [verzoeker] formeel bezwaar gemaakt tegen de non-actiefstelling.
2.20.
Op 11 juli 2025 heeft op verzoek van [verzoeker] een gesprek plaatsgevonden met [betrokkene 3] en [betrokkene 4], twee directieleden van SAR. SAR heeft hiervan een gespreksverslag opgemaakt.
2.21.
Op 18 juli 2025 heeft [verzoeker] kritisch op het gespreksverslag gereageerd.
2.22.
Op 6 augustus 2025 heeft [verzoeker] een reminder aan (de directie van) SAR verstuurd.
2.23.
Op 13 augustus 2025 heeft SAR de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 28 februari 2026:
“In onze e-mail van 14 juli 2025 hebben wij u verzocht ons schriftelijk te informeren over uw visie op het vervolg met betrekking tot een eventueel herstel van de verstoorde arbeidsrelatie, aangezien u tijdens het gesprek van 11 juli 2025 had aangegeven hierover te willen nadenken. Wij hebben daarbij tevens aangegeven dat wij, naast uw reactie, ook het wederhoor van de betrokken medewerkers van HR wilden betrekken alvorens een formele reactie te geven op uw tweede bezwaarschrift van 7 juli 2025. Tot op heden hebben wij geen inhoudelijke reactie van u ontvangen op dit verzoek.
Daarnaast is zowel tijdens het gesprek van 11 juli 2025 als in onze e-mail van 14 juli 2025 duidelijk vermeld dat onze formele reactie op uw tweede bezwaarschrift, mede vanwege vakanties en het wachten op uw volledige terugkoppeling, in geen geval vóór 7 augustus 2025 zou plaatsvinden. Gedurende deze periode bleef de bestaande situatie van non-actiefstelling ongewijzigd, met volledige doorbetaling van salaris en de mogelijkheid tot het opnemen van vakantie (na voorafgaande melding).
Uw e-mail van 6 augustus 2025 is verzonden vóór de datum waarop u redelijkerwijs een reactie van ons had kunnen ontvangen, en wordt daarom als prematuur beschouwd. Zoals hiervoor vermeld, ontbreekt bovendien nog steeds de door ons gevraagde inhoudelijke terugkoppeling.
Met betrekking tot uw e-mail van 17 juli 2025 merken wij op dat wij ons niet herkennen in de daarin weergegeven versie van het gesprek van 11 juli 2025. Wij constateren feitelijke onjuistheden over hetgeen is besproken en over onze kennis van de situatie. Tijdens het gesprek hebben wij expliciet aangegeven dat dit in openheid en objectiviteit zou plaatsvinden, waarbij u volledig in de gelegenheid bent gesteld uw standpunt uiteen te zetten.
Wij constateren voorts dat – gelet op uw e-mails van 17 juli 2025 en 6 augustus 2025, de daarbij gevoegde bijlagen, de gevoerde gesprekken, gespreksverslagen en eerdere formele reacties van onze kant (vanuit directie en/of HR) – onze inspanningen en standpunten van uw zijde onvoldoende zijn erkend. In onze reactie op uw eerste bezwaarschrift hebben wij de redenen voor uw non-actiefstelling uitgebreid gemotiveerd. Deze gronden – het bestaan van een verstoorde arbeidsrelatie en het ontbreken van vertrouwen – zijn onverminderd van toepassing. Ondanks meerdere pogingen en voorstellen van onze zijde in de afgelopen weken en maanden, is geen vooruitgang geboekt in het herstel van de arbeidsrelatie. Wij hebben daarom geconcludeerd dat er geen basis meer is voor een duurzaam herstel of voortzetting van het dienstverband.
Besluit en gevolgen
Wij hebben besloten de arbeidsovereenkomst te laten eindigen per de reeds overeengekomen einddatum, teneinde de situatie op een duidelijke en correcte wijze af te ronden.(…)”

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om:
te oordelen dat sprake is van een constructief ontslag veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen van SAR;
te oordelen dat SAR het verbod op benadeling na melding heeft geschonden;
SAR te veroordelen tot betaling van € 35.000 bruto, bestaande uit de transitievergoeding, een billijke vergoeding, schadevergoeding wegens psychisch letsel, vergoeding voor misgelopen inkomsten en overige schade;
SAR te veroordelen tot betaling van de proceskosten;
SAR te verplichten tot het verstrekken van correcte documentatie en alle relevante gegevens die betrekking hebben op de klacht en de arbeidsrelatie.
3.2.
[verzoeker] legt – kort samengevat – aan haar verzoeken ten grondslag dat sprake is van een ‘constructief ontslag’. SAR heeft zich na indienen van de klacht door [verzoeker] niet gedragen zoals van haar verwacht mocht worden en daarbij ernstig verwijtbaar gehandeld. Dit heeft ertoe geleid dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] ten onrechte niet is verlengd en [verzoeker] schade heeft geleden. [verzoeker] heeft daarom recht op vergoedingen.
3.3.
SAR voert verweer en stelt – kort samengevat – dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst is gebaseerd op de duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. SAR betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het einde van de arbeidsovereenkomst: ernstig verwijtbaar handelen?
4.1.
[verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ‘constructief ontslag’ en daarbij verwezen naar artikel 7:671 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dat wetsartikel is echter niet van toepassing, omdat geen sprake is van een ‘opzegging’ door SAR (maar van een einde van rechtswege). De kantonrechter begrijpt de stellingen van [verzoeker] zo dat zij in feite een beroep doet op artikel 7:673 lid 9 sub a BW Pro. Op grond van dat wetsartikel kan de kantonrechter aan de werknemer naast de transitievergoeding ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen indien, na een einde van rechtswege, het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen. Voor toekenning van de billijke vergoeding is verder vereist dat een causaal verband bestaat tussen het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.
4.2.
[verzoeker] kleurt de ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van SAR in door te stellen dat SAR haar klacht over het incident (zie 2.5) onvoldoende serieus heeft genomen en heeft nagelaten om adequaat in te grijpen, waardoor [verzoeker] zich onveilig heeft gevoeld op de werkvloer. Daarnaast verwijt zij SAR dat de camerabeelden van het incident niet zijn bewaard en dat de vertrouwelijkheid van de klacht is geschonden. Ten slotte heeft SAR [verzoeker] (in strijd met de interne meldregeling) naar aanleiding van de klacht benadeeld door haar op non-actief te stellen en haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen.
4.3.
De kantonrechter volgt het betoog van [verzoeker] niet. [verzoeker] heeft haar klacht op 14 februari 2025 ingediend. SAR heeft nog diezelfde dag een gesprek met [verzoeker] ingepland. Dat SAR de betrokken collega ([betrokkene 1]) niet direct heeft geschorst, is naar het oordeel van de kantonrechter begrijpelijk en vormt eerder een aanwijzing voor een zorgvuldige handelwijze van SAR. Op 19 februari 2025 heeft [verzoeker] aan HR laten weten dat zij haar klacht voorlopig niet wenste door te zetten. SAR heeft daarop telefonisch contact opgenomen met [verzoeker] om te benadrukken dat signalen van pestgedrag op de werkvloer serieus worden genomen en dat er ook zonder formele klacht ruimte bestaat voor een gesprek. Partijen hebben vervolgens afgesproken dat het (reeds ingeplande) gesprek van 20 februari 2025 in informele setting zou plaatsvinden. Dit (informele) gesprek is vervolgens een aantal keer verplaatst vanwege ziekte van verschillende gesprekpartners. Dat SAR in die periode geen verdere actie heeft ondernomen, is naar het oordeel van de kantonrechter begrijpelijk. Op het moment dat duidelijk werd dat [verzoeker] de klacht wél formeel wilde doorzetten, heeft SAR een hoorzitting georganiseerd. Op de hoorzitting van 27 maart 2025 is de klacht van [verzoeker] uitgebreid besproken. SAR heeft hiervan een gespreksverslag opgemaakt. [verzoeker] heeft in reactie daarop aangegeven teleurgesteld en geschokt te zijn over de inhoud van het verslag en het vertrouwen in een eerlijk proces te zijn verloren. Ook heeft zij SAR dringend verzocht om de camerabeelden van het incident voor de duur van de klachtenprocedure te bewaren. SAR heeft uitgebreid inhoudelijk op het commentaar van [verzoeker] gereageerd en uitgelegd dat camerabeelden automatisch na tien dagen verwijderd worden en daarom helaas niet meer beschikbaar zijn.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat hoewel SAR de roosters van [verzoeker] en [betrokkene 1] beter had kunnen afstemmen om verdere confrontaties op de werkvloer te voorkomen en het voor de hand had gelegen dat SAR de camerabeelden had bewaard, het nalaten daarvan niet als ernstig verwijtbaar kan worden aangemerkt. Ook kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat SAR de klacht niet serieus heeft genomen en/of de aanzet of de oorzaak heeft gegeven voor de verdere gebeurtenissen die uiteindelijk tot het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst hebben geleid. Integendeel, de manier waarop [verzoeker] vervolgens met de situatie is omgesprongen lijkt eerder de kern te zijn van de verstoring van de arbeidsverhouding die vervolgens is ontstaan. [verzoeker] heeft herhaaldelijk aangegeven geen vertrouwen (meer) te hebben in SAR. Ook is zij SAR steeds meer verwijten gaan maken, zoals het verwijt dat vertrouwelijke informatie over de klacht met derden (waaronder [betrokkene 1]) zou zijn gedeeld. Deze beschuldiging heeft [verzoeker] echter (ook in deze procedure) op geen enkele wijze onderbouwd. Wel staat vast dat [verzoeker] zélf (buiten de klachtenprocedure om) contact heeft gezocht met een manager van SAR die niet haar eigen leidinggevende was, met wie zij haar eigen versie van het gespreksverslag heeft gedeeld.
4.5.
De hiervoor geschetste gang van zaken heeft ertoe geleid dat het wederzijds vertrouwen tussen partijen ernstig onder druk is komen te staan. SAR heeft daarom op 12 mei 2025 voorgesteld om onder begeleiding van een onafhankelijke mediator in gesprek te gaan. Dit voorstel was gericht op herstel van de arbeidsrelatie en een zorgvuldige voortzetting van het dienstverband. Onder die omstandigheden heeft SAR besloten om [verzoeker] in de tussentijd vrij te stellen van werkzaamheden met behoud van loon. SAR heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat deze maatregel niet was bedoeld als sanctie of benadeling, maar juist als doel had om rust en ruimte te creëren.
4.6.
De kantonrechter stelt vast dat de verhoudingen tussen partijen na de vrijstelling van werkzaamheden alleen maar zijn verslechterd. Hoewel [verzoeker] (na een eerste zeer kritische reactie op 14 mei 2025) op 21 mei 2025 een meer constructieve houding leek aan te nemen, is tijdens het gesprek van 3 juni 2025 de (spreekwoordelijke) bom gebarsten. Beide partijen hebben dit gesprek als zeer onprettig ervaren en aangegeven dat het gesprek absoluut niet heeft bijgedragen aan de-escalatie of het herstel van vertrouwen. In de nasleep van dit gesprek is [verzoeker] steeds meer verwijten en beschuldigingen richting SAR gaan uiten, waarbij haar toon steeds scherper werd. Ook heeft [verzoeker] bij de voorgestelde mediator aangegeven op dat moment geen heil in mediation in te zien, omdat SAR volgens haar de basisbeginselen van het arbeidsrecht (waaronder hoor- en wederhoor) zou schenden. In een poging de ontstane impasse te doorbreken, heeft SAR vervolgens ingestemd met het verzoek van [verzoeker] om een gesprek met de directie te voeren. Dit gesprek heeft op 11 juli 2025 plaatsgevonden. Ook in dit gesprek heeft [verzoeker] meermaals aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in de organisatie. Afgesproken werd dat [verzoeker] aan de directie zou terugkoppelen welke vervolgstappen zij zelf voor ogen had om de situatie te verbeteren. Een inhoudelijke reactie daarop is uitgebleven. In plaats daarvan heeft [verzoeker] opnieuw verwijtende e-mails aan SAR verstuurd. SAR is vervolgens tot de conclusie gekomen dat het vertrouwen niet meer kon worden hersteld.
4.7.
De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat het besluit van SAR om de tijdelijke arbeidsovereenkomst van [verzoeker] niet te verlengen is gebaseerd op het feit dat de arbeidsrelatie inmiddels duurzaam was vastgelopen (en dus niet op het feit dat [verzoeker] een klacht had ingediend). Een verslechterde verhouding tussen werknemer en werkgever is in beginsel een legitieme reden om een dienstverband niet te verlengen. Niet is gebleken dat de verslechterde verhouding SAR ernstig valt aan te rekenen. In tegendeel, de kantonrechter is (al het voorgaande in overweging nemende) van oordeel dat SAR zich aantoonbaar heeft ingespannen om de verhoudingen tussen partijen te verbeteren. Mogelijk heeft de taalbarrière bijgedragen aan de communicatieproblemen tussen partijen, maar dit neemt niet weg dat [verzoeker] alle redelijke voorstellen van SAR om met elkaar in gesprek te gaan en tot een constructieve oplossing te komen heeft afgewezen. De slotsom is dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet. Dat heeft tot gevolg dat [verzoeker] geen recht heeft op een billijke vergoeding en dat ook haar verzoek om voor recht te verklaren dat de SAR ernstig verwijtbaar heeft gehandeld wordt afgewezen.
Het verbod op benadeling na melding
4.8.
Omdat een direct causaal verband tussen de klacht en het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst ontbreekt, kan van een benadeling na melding geen sprake zijn. Het antwoord op de vraag of de klacht als een ‘melding van een misstand’ in de zin van de interne klachtenprocedure en/of de klokkenluiderswetgeving kan worden aangemerkt, kan daarom in het midden blijven. Het verzoek van [verzoeker] om voor recht te verklaren dat SAR het verbod op benadeling na melding heeft geschonden wordt afgewezen.
Transitievergoeding
4.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding. [1] SAR heeft toegezegd dat de transitievergoeding in maart 2026 zal worden uitbetaald. Aangezien niet is gebleken dat die betaling inmiddels heeft plaatsgevonden, zal het verzoek tot betaling van de wettelijke transitievergoeding (voor zover deze nog niet is voldaan) worden toegewezen.
Schadevergoeding wegens psychisch letsel, misgelopen inkomsten en overige schade
4.10.
[verzoeker] heeft daarnaast om immateriële en materiële schadevergoeding verzocht. De kantonrechter wijst dit verzoek af. Daarover wordt als volgt overwogen.
4.11.
Het enkele feit dat binnen de arbeidsrelatie spanningen zijn ontstaan en [verzoeker] als gevolg daarvan (veel) stress heeft ervaren, is onvoldoende voor toekenning van immateriële schadevergoeding. Voor zover [verzoeker] een beroep doet op ‘PDF document 2’ zoals opgenomen in Annex 1 bij het verzoekschrift, geldt dat niet duidelijk is van wie dat document afkomstig is en of sprake is van een objectief vastgestelde stoornis of beperkingen die in causaal verband staan met het werk of met enig onrechtmatig handelen van SAR. [verzoeker] heeft haar verzoek tot immateriële schadevergoeding dan ook onvoldoende onderbouwd.
4.12.
De verzochte vergoeding wegens ‘misgelopen inkomsten en overige schade’ mist eveneens grondslag. [verzoeker] heeft niet toegelicht welke inkomsten zij zou zijn misgelopen. Tussen partijen is niet in geschil dat SAR het salaris van [verzoeker] tot het einde van de arbeidsovereenkomst (inclusief openstaande vakantiedagen) heeft uitgekeerd. Voor zover het gaat om inkomensschade na de einddatum van het contract, geldt dat deze schadepost verband houdt met het einde van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan. Dergelijke schade wordt exclusief gedekt door de billijke vergoeding, in die zin dat er naast deze (specifieke) vergoeding geen ruimte is voor een andere (generieke) vergoeding. Als een billijke vergoeding wordt afgewezen, is er dus geen ruimte om vervolgens op een andere grondslag een vergoeding voor deze vorm van schade toe te wijzen.
4.13.
Voor zover [verzoeker] daarnaast vergoeding van ‘overige schade’ heeft verzocht, geldt dat zij dit verzoek op geen enkele wijze heeft gespecificeerd of onderbouwd, zodat ook dit onderdeel wordt afgewezen.
Het verzoek tot afgifte van documentatie en gegevens
4.14.
Ten slotte verzoekt [verzoeker] om SAR te verplichten tot het verstrekken van ‘
correcte documentatie en alle relevante gegevens met betrekking tot haar klacht en arbeidsrelatie’. Het is de kantonrechter niet duidelijk welke concrete documenten [verzoeker] daarmee bedoelt en welk belang zij daarbij heeft. De kantonrechter heeft hier op de zitting naar gevraagd, maar [verzoeker] kon daar geen antwoord op geven. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
4.15.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van SAR worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt SAR om – voor zover deze betaling nog niet heeft plaatsgevonden – de wettelijke transitievergoeding aan [verzoeker] te betalen;
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [2] ;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 7:673 lid 1 onderdeel Pro a onder 3 BW.
2.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.