Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4163

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
HAA 25/2914
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 22.27 Omgevingsplan gemeente HoornWet algemene bepalingen omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning garage wegens onvoldoende motivering evenwichtige toedeling functies

Eiser vroeg op 21 juli 2024 een omgevingsvergunning aan voor de bouw van een garage in zijn achtertuin. Het college van burgemeester en wethouders van Hoorn wees deze aanvraag op 31 oktober 2024 af, en handhaafde dit besluit op bezwaar van eiser op 14 mei 2025. De weigering was gebaseerd op het argument dat de garage de parkeerdruk in de wijk zou verhogen en negatieve effecten zou hebben op het straatbeeld, de architectuur en het groen.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de omgevingsvergunning wordt geweigerd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank stelt vast dat de bouw van de garage geen toename van parkeerdruk veroorzaakt, omdat de parkeerbehoefte op het perceel gelijk blijft. Ook de motivering over negatieve invloed op het straatbeeld en groen wordt niet gevolgd, aangezien esthetiek een welstandskwestie is en het zicht op groen in een achtertuin niet relevant is voor de vergunning.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het college de belangen opnieuw moet afwegen en motiveren. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wegens onvoldoende motivering en draagt het college op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2914

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: R.H. de Kamper),
en

Het college van burgemeester en wethouders van Hoorn, het college

(gemachtigde: mr. C. Haring).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de omgevingsvergunning die door eiser is aangevraagd voor de bouw van een garage in zijn achtertuin.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de omgevingsvergunning wordt geweigerd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Dat betekent niet automatisch dat eiser een omgevingsvergunning krijgt voor de garage, maar betekent dat het college een nieuwe beoordeling moet maken van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een garage aan de achterkant van zijn perceel op [adres] in [plaats] .
2.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 31 oktober 2024 afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 14 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

3. Het college geeft in het bestreden besluit aan dat een binnenplanse omgevingsvergunning voor de bouw van de garage niet mogelijk is. Het bouwen van de garage is namelijk niet vergunningsvrij op grond van de rijksregels of het Omgevingsplan gemeente Hoorn (het Omgevingsplan), omdat de garage op minder dan 1 meter vanaf het openbaar toegankelijk gebied wordt gerealiseerd. Het college ziet daarnaast geen aanleiding om een omgevingsvergunning te verlenen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op de zitting is door het college verduidelijkt dat er weliswaar nog geldende Beleidsregels voor buitenplans afwijken op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2° Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (kruimelgevallenbeleid) zijn, maar dat de omgevingsvergunning is geweigerd met oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de zin van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In dat verband wijst het college er in de eerste plaats op dat door de garage de parkeerdruk in de wijk toeneemt. Daarbij betrekt het college de Parkeernormennota van de gemeente Hoorn (de Parkeernormennota). Uit die Parkeernormennota volgt dat het perceel van eiser nu een berekeningsaantal van 0,8 parkeerplaatsen kent en dat dit afneemt naar 0,4 door de bouw van de garage. De garage is weliswaar van een vergelijkbaar formaat (5m bij 5m) als de in de Parkeernormennota genoemde dubbele oprit zonder garage met een berekeningsaantal van 1,7 maar in de praktijk passen er in de garage geen twee auto’s. Daarnaast heeft de garage een negatief effect op het straatbeeld en de architectuur van de wijk. De garage grenst aan een openbare weg. Ook heeft het invloed op het groen, omdat met de garage het groen in de tuinen niet meer zichtbaar is. Tot slot vreest het college voor negatieve precedentwerking wanneer toch medewerking wordt verleend aan deze omgevingsvergunning met als gevolg een verdere verdichting van de straat.
4. Eiser stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom een evenwichtige toedeling van functies aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat. Volgens eiser heeft de bouw van een garage in zijn achtertuin geen negatieve impact op de parkeerdruk in de omgeving. Hij heeft nu één parkeerplek en zal met de garage ook (tenminste) één parkeerplek hebben. Ook kijkend naar de Parkeernormennota is er geen sprake van een afname van parkeerruimte. De garage is qua afmetingen gelijk aan een dubbele oprit zonder garage waarvoor een berekeningsaantal van 1,7 parkeerplaatsen geldt. Als daarop een garage staat, dan zou dat een berekeningsaantal van op z’n minst 0,8 parkeerplaatsen moeten opleveren, waarmee de parkeervoorziening op zijn perceel niet zou afnemen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie waarin ook een berekeningsaantal van 0,8 geldt. Verder ziet eiser niet in hoe de garage een aantasting van het straatbeeld en de architectuur van de wijk oplevert. De garage komt in de plaats van een oprit aan de achterzijde van zijn perceel en grenst aan een smalle straat tussen andere achtertuinen die alleen wordt gebruikt door bewoners. Bovendien gaat het argument van precedentwerking niet op, omdat de straat nu al volstaat met vergelijkbare garages waarop niet gehandhaafd wordt.
5. De rechtbank stelt voorop dat de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelingen van toepassing zijn, omdat eisers aanvraag dateert van 21 juli 2024. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit betreft. De benodigde omgevingsvergunning kan in dat geval op grond van het tweede lid van artikel 8.0a van het Bkl alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft hierbij beleidsruimte. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat. De rechtbank licht dit als volgt toe.
5.2.
In de eerste plaats ziet de rechtbank niet in waarom de parkeerdruk in de wijk zou toenemen door de garage. Niet in geschil is namelijk dat eiser nu één auto kan parkeren op de oprit in zijn achtertuin en hij met de garage nog altijd één auto in zijn achtertuin kan parkeren. Feitelijk neemt de parkeerbehoefte op straat dus niet toe door de bouw van de garage. Voor zover er dan nog zou moeten worden gekeken naar de Parkeernormennota, merkt de rechtbank op dat het college niet heeft tegengeworpen dat het bouwplan in strijd is met Paraplubestemmingsplan parkeren & laden en lossen, maar de Parkeernormennota alleen heeft betrokken bij de beoordeling van de parkeerdruk als belang dat in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden afgewogen tegen de overige belangen. Kijkend naar die Parkeernormennota, dan leidt dat echter evenmin tot de conclusie dat de (theoretische) parkeerdruk met de komst van de garage toeneemt. Een oprit zonder garage (van minimaal 5m bij 2,5m) kent een berekeningsaantal van 0,8, wat één theoretische parkeerplaats oplevert. Een garage zonder oprit (van minimaal 5m bij 2,5m) kent een berekeningsaantal van 0,4, wat eveneens één theoretische parkeerplaats oplevert. Hoewel het berekeningsaantal lager ligt, levert het volgens de nota dus wel één theoretische parkeerplaats op. Daar komt bij dat eiser een grotere garage wenst van 5m bij 5m. Die optie staat weliswaar niet in de Parkeernormennota, maar een dubbele oprit zonder garage (met hetzelfde formaat van 5m bij 5m) wel en dat kent een berekeningsaantal van 1,7, wat twee theoretische parkeerplaatsen oplevert. Daarbij moet dan wel rekening worden gehouden met het feit dat een garage tot een lager berekeningsaantal en aantal theoretische parkeerplaatsen leidt dan een oprit, maar dan gaat het nog altijd om een berekeningsaantal van 0,8, zoals het college zelf ook noemt. Dat levert theoretisch één parkeerplek op en is gelijk aan de huidige situatie. Dat de garage van eiser is omgeven door muren en er daardoor feitelijk niet twee auto’s in passen, is verder niet relevant. Dat is immers al verdisconteerd in het berekeningsaantal voor garages.
5.3.
In de tweede plaats kan de rechtbank de motivering van het college over de negatieve invloed van de garage op het straatbeeld, de architectuur van de wijk en het groen niet volgen. De functie van de betreffende locatie, namelijk een parkeerplaats op het achtererf van eiser, wordt met het bouwplan niet gewijzigd. De garage zou verder weliswaar grenzen aan openbaar toegankelijk gebied, maar dit is een relatief nauwe straat tussen de achtertuinen van twee rijen huizen. Vanaf de voorkant of de grotere wegen is de garage niet te zien. Voor zover het gaat om de architectuur van de wijk, merkt de rechtbank op dat esthetiek van het bouwplan een kwestie van welstand is. De rechtbank begrijpt daarnaast niet dat verlies op zicht op groen in de achtertuin een relevant element is bij de beoordeling van de vraag of de garage past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook als de omgevingsvergunning wordt geweigerd, dan kan de achtertuin geen (vanaf de openbare weg zichtbaar) groen bevatten, omdat het aan de bewoners zelf is om te bepalen of zij al dan niet groen in hun achtertuin aanbrengen. Precedentwerking is verder weliswaar iets dat een rol kan spelen in de afweging, maar dat moet in samenhang worden genomen met andere omstandigheden. Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat het college de omgevingsvergunning vooral moet beoordelen op de punten waarop deze in strijd is met het Omgevingsplan. Hetzelfde bouwplan lijkt volgens artikel 22.27 van het Omgevingsplan vergunningsvrij te zijn als het niet binnen één meter vanaf openbaar toegankelijk gebied was gelegen. Dat roept de vraag hoe de door het college genoemde omstandigheden moeten worden gewogen, als vergunningsvrije bouwplannen hetzelfde gevolg zouden kunnen hebben.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het college moet opnieuw beslissen op het bezwaar binnen de wettelijke termijn. Dat betekent dat het college, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw moet beoordelen en motiveren of hij de gevraagde omgevingsvergunning al dan niet wil verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 mei 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.