Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4198

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
K/4102/12077059
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:87 BWArt. 6:127 BWArt. 6:58 BWArt. 6:74 BWArt. 6:82 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en schadevergoeding wegens gebrek aan inbouw bedrijfsbus

NHI en gedaagde sloten een overeenkomst voor de inbouw van een vloerplaat in een bedrijfsbus. NHI factureerde de werkzaamheden, maar gedaagde betaalde niet vanwege gebreken aan de vloerplaat die het sluiten van de achterdeuren belemmerden.

Gedaagde stelde NHI in gebreke en bood haar de mogelijkheid het gebrek te herstellen, maar NHI maakte hier geen gebruik van en ging over tot dagvaarding. De rechtbank oordeelde dat NHI onvoldoende had weersproken dat sprake was van een gebrek en dat zij daardoor in verzuim was.

Gedaagde mocht de kosten van herstel door een ander bedrijf verrekenen met de factuur, waarna hij het resterende bedrag moest betalen. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot betaling van wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde moet na verrekening van schadevergoeding het resterende factuurbedrag plus rente en incassokosten aan NHI betalen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12077059 \ CV EXPL 26-647
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
NOORD HOLLAND INBOUW B.V.,
te Uitgeest,
eisende partij,
hierna te noemen: NHI,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde],
handelend onder de naam [bedrijf],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
NHI en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst heeft NHI in opdracht van [gedaagde] in april 2025 werkzaamheden verricht en bijbehorende materialen geleverd. Die werkzaamheden bestonden uit de inbouw van een bedrijfsbus (een Volkswagen ID-Buzz) van [gedaagde].
2.2.
NHI heeft voor deze werkzaamheden op 24 oktober 2025 een factuur aan [gedaagde] gestuurd van € 4.704,20. [gedaagde] heeft deze factuur niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
NHI vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.407,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
NHI legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op grond van de overeenkomst tussen partijen de factuur moet betalen voor de werkzaamheden die zij in opdracht van [gedaagde] heeft verricht.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] heeft NHI de werkzaamheden niet goed uitgevoerd, heeft hij NHI de gelegenheid geboden om de gebreken te herstellen, maar wilde NHI daarop niet wachten. [gedaagde] wil daarom de vloerplaat in de auto door een ander bedrijf laten herstellen en de kosten daarvan verrekenen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
NHI heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord geen verweer heeft gevoerd tegen haar vordering en dat haar vordering daarom moet worden toegewezen. De kantonrechter kan NHI daarin niet volgen. Uit het mondeling antwoord van [gedaagde] blijkt namelijk dat hij zich op het standpunt stelt dat NHI haar werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd en dat hij daarom vindt dat hij de vloerplaat in de auto door een andere partij kan laten uitvoeren. De kosten daarvan wenst hij te verrekenen, waarna hij het resterende bedrag aan NHI zal betalen. Dat betekent dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat NHI tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, dat hij vervangende schadevergoeding vordert in plaats van nakoming [1] , en dat hij zijn vordering tot schadevergoeding verrekent met de vordering van NHI [2] .
4.2.
Uit de dagvaarding blijkt dat NHI ook bekend was met dat verweer. Zij heeft daarover aangevoerd dat volgens haar geen sprake is van een gebrek in de werkzaamheden die zij heeft uitgevoerd. Verder heeft zij aangevoerd dat zij niet in verzuim is, omdat [gedaagde] haar niet in gebreke heeft gesteld en niet de mogelijkheid heeft geboden een eventueel gebrek zelf te beoordelen en – zo nodig – te verhelpen. Daarnaast is [gedaagde] volgens NHI in schuldeisersverzuim [3] , omdat zij [gedaagde] vele malen de mogelijkheid heeft geboden om met de bus bij haar langs te komen, maar [gedaagde] hier geen gehoor aan heeft gegeven.
NHI heeft onvoldoende weersproken dat sprake is van een gebrek
4.3.
Volgens [gedaagde] heeft NHI de montage van de vloerplaat ondeugdelijk uitgevoerd. Hij stelt dat de deuren (nog steeds) open staan en dat de auto niet op slot gaat. Hij heeft verwezen naar de door hem overgelegde foto’s van de ingebouwde vloerplaat en foutmeldingen op het dashboardscherm: “Achterklep is open”, waarvan hij stelt dat hij die wekelijks dan wel dagelijks ontvangt.
4.4.
NHI heeft zich op het standpunt gesteld dat de opmerkingen van [gedaagde] over de vloerplaat esthetisch van aard zijn en dat daarom geen sprake is van een gebrek. De kantonrechter volgt NHI daarin niet, want de klachten van [gedaagde] zien op het niet goed kunnen sluiten van de achterdeuren van de bus, kennelijk als gevolg van de wijze waarop de inbouw van de vloerplaat in de bus is uitgevoerd. Dat heeft wel degelijk betrekking op een gebrek dat invloed heeft op het gebruik van de bus en is geen kwestie van smaak.
4.5.
NHI heeft verder gesteld dat zij de werkzaamheden deugdelijk heeft uitgevoerd, omdat de bus in het voorjaar van 2025 is opgeleverd en [gedaagde] de bedrijfswagen sindsdien vol in gebruik heeft gehad. Het feit dat [gedaagde] de bus na uitvoering van de werkzaamheden heeft gebruikt, wil nog niet zeggen dat geen sprake is van een gebrek aan de uitgevoerde werkzaamheden. [gedaagde] heeft immers gesteld dat het gebrek aan de vloerplaat het gevolg heeft dat de achterdeuren van de bus niet (goed) sluiten. Dat hoeft niet te betekenen dat hij in het geheel geen gebruik kon maken van de bus voor zijn werkzaamheden. Het is wel een gebrek dat hij op grond van de overeenkomst niet hoefde te verwachten, omdat onder het gebruik van de bus ook valt dat [gedaagde] deze (goed) moet kunnen (af)sluiten.
4.6.
De conclusie van het voorgaande is dat NHI onvoldoende heeft weersproken dat sprake is van een gebrek aan de uitgevoerde werkzaamheden aan (de vloerplaat van de) bus. De kantonrechter moet op grond daarvan aannemen dat sprake is van een gebrek waardoor de deuren van de bus niet (goed) meer sluiten.
[gedaagde] heeft NHI in gebreke gesteld en NHI is in verzuim
4.7.
Zoals hiervoor (onder 4.1) is overwogen, maakt [gedaagde], in plaats van herstel van het gebrek aan de vloerplaat, aanspraak op (vervangende) schadevergoeding. Die vordering tot schadevergoeding wenst hij te verrekenen met de factuur van NHI. NHI hoeft de schade van [gedaagde] pas te vergoeden als NHI ook in verzuim is. [4] NHI is in verzuim als [gedaagde] haar in gebreke heeft gesteld met een schriftelijke aanmaning waarbij hij een redelijke termijn heeft gegeven om alsnog (deugdelijk) na te komen, en nakoming binnen deze termijn is uitgebleven. [5]
4.8.
NHI stelt dat [gedaagde] haar niet in gebreke heeft gesteld en niet de gelegenheid heeft geboden het gebrek te verhelpen. De kantonrechter volgt NHI daarin niet. [gedaagde] heeft gesteld dat zij NHI wel degelijk de mogelijkheid heeft gegeven om het gebrek te herstellen. Verder heeft hij gesteld dat hij in februari (2026) daarvoor beschikbaar was. Daarmee verwijst hij kennelijk naar zijn emailbericht van 21 december 2025 aan (de gemachtigde van) NHI, dat NHI zelf in het geding heeft gebracht bij de bespreking van het verweer van [gedaagde]. [6]
4.9.
Onder verwijzing naar een gebrek in de uitgevoerde werkzaamheden schrijft [gedaagde] in zijn bericht van 21 december 2025 onder meer het volgende aan NHI:
‘[…].
Onze eerste mogelijkheid om de auto aan te leveren is de derde week van februari. We verwachten binnen 14 dagen uw schriftelijke bevestiging dat u instemt met de reeds telefonische 50% betaling en zonder incassokosten, en dat u uw client[NHI]
zijn verplichtingen nakomt. Bij het herstel zullen wij direct het resterende bedrag van de hoofdsom voldoen.
Indien u client niet aan deze redelijke eis voldoet, zullen wij zonder aarzeling verdere juridische stappen ondernemen. En het herstel door derden laten uitvoeren. Kosten voor dit herstel zullen wij met de openstaande hoofdsom verrekenen.’
4.10.
Met dit bericht heeft [gedaagde] aan NHI de gelegenheid geboden het gebrek in de derde week van februari 2026 te herstellen. Daarmee heeft [gedaagde] NHI voldoende gelegenheid geboden het gebrek te verhelpen. Het staat vast dat NHI van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt (in plaats daarvan is zij op 26 januari 2026 tot dagvaarding van [gedaagde] overgegaan). Daarmee is NHI in verzuim.
[gedaagde] was in schuldeisersverzuim
4.11.
Het staat tussen partijen vast dat NHI eerder in 2025 een aantal keer aan [gedaagde] heeft aangeboden om het gebrek te onderzoeken en zondig te verhelpen. NHI heeft daarvoor [gedaagde] gevraagd met de bus bij haar langs te komen. Het staat ook vast dat [gedaagde] van die gelegenheden geen gebruik heeft gemaakt, volgens eigen zeggen van [gedaagde] omdat hij de bus nodig had voor zijn eigen werkzaamheden. NHI heeft op zichzelf terecht naar voren gebracht dat [gedaagde] daarmee in schuldeisersverzuim is komen te verkeren, omdat [gedaagde] daarmee NHI de mogelijkheid heeft onthouden om haar werkzaamheden alsnog deugdelijk uit te voeren of te herstellen. Dat [gedaagde] de bus zelf nodig had, neemt niet weg dat hij die mogelijkheid (eerder) wel aan NHI had moeten geven. Zolang [gedaagde] zelf in verzuim was doordat NHI niet de kans gaf om het gebrek te herstellen, kon NHI niet in verzuim zijn. [7] Maar in zijn bericht van 21 december 2025 heeft [gedaagde] alsnog de gelegenheid geboden het gebrek te herstellen. Daarmee is het schuldeisersverzuim van [gedaagde] komen te vervallen. Het schuldeisersverzuim van [gedaagde] is geëindigd op 16 februari 2026 (de eerste werkdag van de derde week van februari), want dat was de eerste dag dat NHI de gelegenheid had (gekregen) het gebrek te herstellen. Omdat NHI van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, was zij vanaf 21 februari 2026 in verzuim (de dag na de laatste werkdag van de derde week van februari) .
[gedaagde] heeft terecht zijn vordering tot schadevergoeding verrekend met de factuur van NHI; [gedaagde] moet het resterende bedrag aan NHI betalen
4.12.
Omdat NHI vanaf 21 februari 2026 in verzuim is, heeft [gedaagde] vanaf dat moment in plaats van alsnog (deugdelijke) nakoming van NHI te verlangen, aanspraak kunnen maken op (vervangende) schadevergoeding. [gedaagde] heeft zijn schade begroot op de kosten voor het herstel van de vloerplaat door een andere partij. Hij heeft daarvoor een offerte overgelegd van Sortimo Bedrijfswageninrichting in Moordrecht voor een bedrag van € 1.721,35. NHI heeft de hoogte van deze offerte niet betwist. De kantonrechter begroot de schade van [gedaagde] daarom op een bedrag van € 1.721,35. [gedaagde] heeft terecht zijn vordering tot schadevergoeding verrekend met de vordering van NHI tot betaling van haar factuur. [8] Dat betekent dat [gedaagde] van de gevorderde hoofdsom van € 4.704,20 van de factuur van NHI nog een bedrag van (4.704,20 – 1.721,35 =) € 2.982,85 aan NHI moet betalen. [gedaagde] heeft immers niet weersproken dat hij het resterende bedrag nog aan NHI verschuldigd is.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen, voor een deel over de gevorderde hoofdsom en voor het andere deel over het toegewezen bedrag
4.13.
NHI vordert de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum van de factuur (8 november 2025). De kantonrechter zal de wettelijke handelsrente toewijzen over de hoofdsom vanaf 8 november 2025 tot 16 februari 2026 (dus over een bedrag van
€ 4.704,20), omdat [gedaagde] over die periode in verzuim was tot betaling van de hoofdsom. Over de periode vanaf 16 februari 2026 was zij alleen nog in verzuim tot betaling van het resterende bedrag na verrekening. De kantonrechter zal daarom vanaf 16 februari 2026 de wettelijke handelsrente toewijzen over de toe te wijzen hoofdsom (dus over
€ 2.982,85) tot de dag dat [gedaagde] dat bedrag volledig heeft betaald.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.14.
NHI vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [9] NHI heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter is van oordeel dat het ook redelijk is dat NHI buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, omdat [gedaagde] sinds 8 november 2025 (na het verstrijken van de betalingstermijn van de factuur) in verzuim was met zijn betalingsverplichting. Zoals hiervoor is overwogen was [gedaagde] tot 16 februari 2026 ook in schuldeisersverzuim tegenover de herstelverplichting van NHI, zodat hij zijn betalingsverplichting tegenover NHI niet rechtsgeldig kon opschorten. NHI kon daarom in redelijkheid incassomaatregelen nemen. Omdat [gedaagde] zijn betalingsverplichting pas vanaf 21 februari 2026, nadat hij al was gedagvaard, kon verrekenen met zijn vordering tot schadevergoeding, zal de kantonrechter de buitengerechtelijke incassokosten berekenen over de hoofdsom van de factuur van € 4.704,20. Daarom zal de kantonrechter een bedrag van € 595,42 toewijzen.
Beide partijen moeten de eigen proceskosten betalen
4.15.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat NHI [gedaagde] heeft gedagvaard, nadat [gedaagde] haar (alsnog) in de gelegenheid had gesteld het gebrek te herstellen. Omdat NHI van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, heeft [gedaagde] een geldig beroep op verrekening kunnen doen. NHI had dus mogelijk (de kosten van) een procedure kunnen voorkomen door eerst gebruik te maken van de geboden gelegenheid tot herstel.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan NHI te betalen een bedrag van € 2.982,85, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 4.704,20, met ingang van 8 november 2025 tot 16 februari 2026, en over het toegewezen bedrag van € 2.982,85, vanaf 16 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan NHI te betalen een bedrag van € 595,42 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:87 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 6:127 BW Pro
3.Artikel 6:58 BW Pro
4.Artikel 6:74 en Pro artikel 6:87 lid 1 BW Pro
5.Artikel 6:82 lid 1 BW Pro
6.Productie 4 bij de dagvaarding
7.Artikel 6:61 lid 2 BW Pro
8.Artikel 6:127 BW Pro
9.Artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten