6.3.Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een mes in zijn been en oksel te steken. Het slachtoffer heeft hierdoor twee steekverwondingen opgelopen en hij zal daaraan blijvende littekens overhouden. De verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat het fysieke letsel voor het slachtoffer relatief beperkt is gebleven, is niet aan het handelen van de verdachte te danken. Het gemak en de lichtvaardigheid waarmee de verdachte naar een mes heeft gegrepen en daarmee heeft gestoken, vindt de rechtbank zeer zorgelijk. Het incident is zeer beangstigend en bedreigend geweest voor het slachtoffer en hij ondervindt daarvan nog altijd de (psychische) gevolgen, zo blijkt uit de namens hem ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Hij durft niet meer in Haarlem te komen en ervaart sinds het incident herbelevingen, angstklachten en sombere gevoelens.
Een steekpartij op straat waar zich ook andere mensen bevinden zorgt bovendien voor een gevoel van onveiligheid in de samenleving. De verdachte is met een mes naar het café gegaan. Het dragen van messen, onder meer in het uitgaansleven, komt steeds vaker voor en dat is een zeer zorgelijke ontwikkeling. De verdachte heeft door zijn handelswijze aangetoond waartoe het dragen van een mes (in het uitgangsleven) kan leiden. Omdat de verdachte een mes bij zich droeg, heeft de situatie op straat snel kunnen escaleren, met een gewond slachtoffer tot gevolg. Uit de verklaring van de verdachte op zitting dat hij vrijwel permanent een mes bij zich had, leidt de rechtbank af dat hij kennelijk van te voren rekening hield met het gebruik daarvan, ongeacht de potentiële gevolgen. De rechtbank acht de omstandigheden waaronder de poging tot zware mishandeling is begaan strafverzwarend.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] door hem met een boksbeugel op het hoofd te slaan. Ook bij dit feit heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ten slotte heeft de verdachte cocaïne en heroïne voorhanden gehad.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 2 februari 2026, waaruit blijkt dat hij al eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en het voorhanden hebben van een steekwapen. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee bij de straftoemeting. Bovendien liep de verdachte in een proeftijd in verband met een eerdere veroordeling. Dit heeft hem er blijkbaar niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een (ernstig) strafbaar feit.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 17 maart 2026, waaruit het volgende kan worden afgeleid. Er is sprake van een delictpatroon ten aanzien van geweldsdelicten en de verdachte heeft moeite met het reguleren van zijn agressie. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Ten tijde van de poging tot zware mishandeling (op 5 april 2025) stond de verdachte onder toezicht van de reclassering. De reclassering ziet nog mogelijkheden voor het voortzetten van begeleiding. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod, een locatieverbod met elektronisch toezicht, een locatiegebod met elektronisch toezicht, dagbesteding, meewerken aan de aflossing van schulden en beheersing van middelengebruik. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bereid te zijn om mee te werken aan deze voorwaarden maar heeft gevraagd om een uitzondering op het locatieverbod om naar een eventuele opleiding te gaan.
Op te leggen straf
De aard en ernst van de gepleegde feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal zij een lagere straf opleggen dan is geëist.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 480 dagen passend en geboden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten 113 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd van twee jaren verbinden, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan het voorarrest (tot aan de datum van de uitspraak). Om de verdachte te doordringen van het belang zijn leven op een andere manier vorm te geven, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel naast de algemene voorwaarde ook de volgende bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht bij de reclassering, verplichte ambulante behandeling, een verbod op het gebruik van alcohol, een contactverbod met [slachtoffer 1] , een locatieverbod voor het centrum van Haarlem gedurende zes maanden, verplichte dagbesteding, meewerken aan het aflossen van schulden en beheersing van het gebruik van verdovende middelen.
De reclassering heeft ook geadviseerd om de verdachte een locatiegebod op te leggen (met elektronisch toezicht) met een maximale duur van zes maanden. Het is de rechtbank onvoldoende gebleken dat dit (verstrekkende) locatiegebod noodzakelijk is, mede omdat aan de verdachte ook een locatieverbod wordt opgelegd. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan het locatieverbod elektronisch toezicht te verbinden. Ten aanzien van het contactverbod merkt de rechtbank op dat zij op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende noodzaak ziet om een contactverbod met [slachtoffer 2] op te leggen.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
Gelet op het hoge recidiverisico, het strafblad van de verdachte en de omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn begaan, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank beveelt daarom dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Geen 38v-maatregel
Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Daarbij betrekt de rechtbank dat een contactverbod met [slachtoffer 1] deel uitmaakt van de bijzondere voorwaarden. Ook overigens ziet de rechtbank onvoldoende grond en noodzaak om het recidiverisico, waar de vrijheidsbeperkende maatregel op ziet, in te perken door het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel.