Pré Wonen verhuurde sinds 2000 een standplaats aan de overleden huurder. Na het overlijden van de huurder werd de partner als huurder aangemerkt. Na diens overlijden vroeg eiser voortzetting van de huurovereenkomst, wat Pré Wonen weigerde vanwege verkoopplannen.
Eiser stelde dat hij ruim vijf jaar samenwoonde met de overleden huurder en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, wat onderdeel zou zijn van de woonwagencultuur. Pré Wonen betwistte dit en stelde dat eiser niet zijn hoofdverblijf had in het gehuurde, onvoldoende financiële waarborg bood en geen huisvestingsvergunning had.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de verzwaarde stelplicht om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te tonen. De overgelegde verklaringen en bankafschriften boden onvoldoende bewijs. Ook was onvoldoende gesteld over het duurzame karakter van het samenwonen. Daarom werd de vordering afgewezen.
De gevorderde ontruiming werd toegewezen, waarbij rekening werd gehouden met het belang van minderjarige kinderen, maar geen noodsituatie werd vastgesteld. De veroordeling werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat eiser de woning mocht blijven gebruiken totdat onherroepelijk op de vordering was beslist.
Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van Pré Wonen, terwijl de kosten in reconventie werden begroot op nihil.