Partijen zijn broers en zussen en gezamenlijk eigenaar van een woning die door gedaagde met haar twee minderjarige kinderen wordt gehuurd. Er bestaat een geschil over de vraag of zij overeenstemming hebben bereikt over het vertrek van gedaagde uit de woning en de verkoop van de woning in onverhuurde staat aan een derde.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eisers onvoldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen, mede gezien het belang van gedaagde om in de woning te blijven. De situatie is al jarenlang onveranderd, gedaagde betaalt de lasten en de vermeende schade van eisers is onvoldoende concreet onderbouwd.
Ook is onvoldoende aannemelijk dat een definitieve overeenkomst tot stand is gekomen over de verdeling en verkoop. De vorderingen worden daarom afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.