Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4229

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
11875904 CV EXPL 25-5959
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:269 lid 1 BWArt. 7:269 lid 2 BWArt. 7:268 lid 3 sub b BWArtikel 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging voortgezette onderhuurovereenkomst wegens alle wettelijke beëindigingsgronden

Velison verhuurde een woning aan [betrokkene], die deze onderverhuurde aan [gedaagde]. Na meldingen dat [gedaagde] met zijn gezin in de woning verbleef, verzocht Velison hem te vertrekken. [gedaagde] weigerde en stelde zich op het standpunt dat er een onderhuurovereenkomst bestond.

Velison vorderde de beëindiging van de voortgezette onderhuurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De kantonrechter oordeelde dat alle vier wettelijke beëindigingsgronden aanwezig zijn: onvoldoende financiële waarborg, kennelijke strekking om [gedaagde] huurder te maken, onredelijkheid voortzetting van de huur voor Velison en het ontbreken van een huisvestingsvergunning.

De belangenafweging vond plaats waarbij het belang van Velison bij handhaving van het toewijzingsbeleid zwaarder woog dan het belang van [gedaagde] en zijn minderjarige kinderen. Wel werd een ontruimingstermijn van drie maanden toegekend om de kinderen het schooljaar te laten afmaken en tijd te geven voor alternatieve huisvesting.

De huurachterstand werd toegewezen en [gedaagde] werd veroordeeld tot betaling van de achterstand, maandelijkse vergoeding tot ontruiming, ontruiming van het gehuurde en betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De voortgezette onderhuurovereenkomst wordt beëindigd en ontruiming van het gehuurde binnen drie maanden bevolen met betaling van huurachterstand en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11875904 \ CV EXPL 25-5959
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
DE STICHTING VELISON WONEN,
te IJmuiden,
eisende partij,
hierna te noemen: Velison,
gemachtigde: mr. N. Reinalda,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. W. Albers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 13 maart 2026 met productie 8 van [gedaagde]
- het bericht van 13 maart 2026 met producties 10 tot en met 19 van Velison
- het bericht van 22 maart 2026 met producties 9 tot en met 11 van [gedaagde]
- de pleitaantekeningen van Velison
- de pleitaantekeningen van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Velison verhuurde met ingang van 24 oktober 2011 de woning aan het adres [adres] te [plaats 2] (verder: het gehuurde) aan de heer [betrokkene] (verder: [betrokkene]).
2.2.
In oktober 2024 heeft Velison meldingen van buurtbewoners ontvangen dat niet [betrokkene] maar een gezin werd gesignaleerd in het gehuurde. Tijdens een huisbezoek heeft Velison [gedaagde] met zijn partner en drie kinderen in het gehuurde aangetroffen. Velison heeft [gedaagde] verzocht het gehuurde te verlaten.
2.3.
Op 18 oktober 2024 heeft Velison een aanvraagformulier ontvangen van [betrokkene] om met terugwerkende kracht, van 1 maart 2024 tot en met 28 februari 2025, het gehuurde in bewaring te geven aan [gedaagde]. Velison heeft dit verzoek afgewezen.
2.4.
Op 6 februari 2025 heeft Velison een huuropzegging ontvangen van [betrokkene]. Met in achtneming van de opzegtermijn van een maand is de huurovereenkomst komen te eindigen op 6 maart 2025. [betrokkene] heeft Velison te kennen gegeven niet aanwezig te kunnen zijn bij de geplande voorinspectie van 17 februari 2025. Een nieuwe datum werd niet ingepland.
2.5.
Op 20 februari 2025 heeft Velison aan [gedaagde] te kennen gegeven dat hij het gehuurde uiterlijk 1 april 2025 diende te verlaten. [gedaagde] heeft aangegeven hiertoe niet over te zullen gaan.
2.6.
Op 29 augustus 2025 heeft Velison [gedaagde] gedagvaard en gevorderd het gehuurde te ontruimen omdat [gedaagde] zonder recht of titel in het gehuurde zou verblijven. Een advocaat heeft zich gesteld in die procedure, maar geen conclusie van antwoord ingediend. [gedaagde] heeft buiten de procedure om een beroep gedaan op een onderhuurovereenkomst.
2.7.
Ter bewaring van de termijn om een vordering in te stellen ter beëindiging van een onderhuurovereenkomst, heeft Velison [gedaagde] op 5 september 20226 gedagvaard in onderhavige procedure.
2.8.
Op 19 november 2025 is in de eerste procedure vonnis gewezen en werd de gevorderde ontruiming wegens het ontbreken van recht of titel toegewezen evenals de gevorderde huurachterstand.
2.9.
De ontruiming werd aangezegd tegen 29 januari 2026. In verband met het voornemen om in hoger beroep te gaan, heeft [gedaagde] een executiegeschil aanhangig gemaakt. Op 23 januari 2026 is de ontruiming bij vonnis geschorst wegens het ontbreken van een belangenafweging in verband met de aanwezigheid van minderjarige kinderen. Tevens werd bepaald dat de schorsing zou vervallen als [gedaagde] niet uiterlijk op 6 februari 2026 de appeldagvaarding zou hebben uitgebracht. [gedaagde] heeft op 11 februari 2026 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld.
2.10.
Omdat [gedaagde] niet aan de gestelde termijn voor het indienen van een hoger beroep dagvaarding heeft gehouden, heeft Velison de ontruiming opnieuw aangezegd waarna [gedaagde] een nieuw executiegeschil aanhangig heeft gemaakt. In het vonnis van 3 maart 2026 is de executie voor wat betreft de ontruiming opnieuw geschorst omdat [gedaagde] weliswaar de genoemde termijn in het vonnis van 23 januari 2026 enkele dagen heeft overschreden maar hij uiteindelijk wel binnen de wettelijke termijn hoger beroep heeft ingesteld.

3.Het geschil

3.1.
Velison vordert – samengevat – te bepalen dat de huurovereenkomst wordt beëindigd, dan wel de huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen. Ook vordert Velison [gedaagde] te veroordelen tot betaling van
€ 3.286,25 aan huurachterstand en € 657,25 aan vergoeding elke maand tot aan de daadwerkelijke ontruiming.
3.2.
Velison doet, als het bestaan van de onderhuurovereenkomst vast komt te staan, een beroep op de wettelijke beëindigingsgronden. Zo biedt [gedaagde] onvoldoende waarborg voor behoorlijke nakoming, is de kennelijke strekking van de onderhuurovereenkomst geweest om [gedaagde] de positie van onderhuurder te verschaffen, mag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van Velison niet worden verwacht dat zij de onderhuurovereenkomst voortzet en tot slot kan [gedaagde] geen huisvestingsvergunning overleggen. Verder voert Velison subsidiair aan dat de huurachterstand ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.
3.3.
[gedaagde] betwist de gronden voor beëindiging van de voortgezette huur. Zo wil hij de huur wel betalen maar weigert Velison een bankrekening door te geven. Verder betwist [gedaagde] dat de onderhuurovereenkomst tot strekking heeft gehad hem huurder te maken. Daarnaast valt de belangenafweging uit in het voordeel [gedaagde]. Zo heeft hij een kwetsbare medisch achtergrond en moeten de belangen van zijn minderjarige kinderen prevaleren. Tot slot voert [gedaagde] aan dat hem niet verweten kan worden niet te beschikken over huisvestingsvergunning. Velison zou deze zelf verstrekken en duidelijk is dat zij niet voornemens is hem een vergunning af te geven.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Juridisch kader
4.1.
Bij een onderhuurovereenkomst geldt dat, als de hoofdhuurovereenkomst tussen hoofdhuurder en hoofdverhuurder (in dit geval [betrokkene] en Velison) wordt beëindigd, de hoofdverhuurder (Velison) de onderhuurovereenkomst met de onderhuurder (in dit geval [gedaagde]) voortzet. [1] Velison kan binnen zes maanden nadat de onderhuur is voortgezet vorderen dat de rechter zal bepalen dat de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip zal eindigen.
4.2.
De onderhuurovereenkomst kan in vier limitatieve gevallen worden beëindigd: i) als [gedaagde] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor behoorlijk nakoming van de huur, ii) als blijkt dat de onderhuur is aangegaan met de kennelijke strekking [gedaagde] de positie van huurder te verschaffen, iii) als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de inhoud van de huurovereenkomsten die betrekking hebben op soortgelijke woonruimte alsmede op de inhoud van de geëindigde huur, niet van Velison kan worden gevergd dat zij de huur met [gedaagde] voortzet of iv) als [gedaagde] geen huisvestingsvergunning kan overleggen [2] .
Verder is van belang dat onderhuurbescherming enkel van toepassing is op huur van zelfstandige woonruimte. Onderhuur van onzelfstandige woonruimte geniet geen onderhuurbescherming.
4.3.
Velison heeft binnen de termijn van zes maanden een procedure aanhangig gemaakt zodat zij ontvankelijk is in haar vordering.
4.4.
Hoewel Velison de echtheid van het in het geding gebracht onderhuurovereenkomst in twijfel trekt, is het uitgangspunt in deze procedure dat een onderhuurovereenkomst aanwezig is. Zonder een dergelijk voorzetting kan immers geen beroep worden gedaan op de wettelijke beëindigingsgronden. In het hiernavolgende zullen de afwijzingsgronden elk apart worden besproken.
i) Onvoldoende waarborg
4.5.
Het is aan Velison om te stellen en te bewijzen dat [gedaagde] onvoldoende financiële waarborg biedt. Het is vervolgens aan [gedaagde] om de stelling van Velison gemotiveerd te betwisten en daartoe voldoende concrete gegevens te verschaffen, met name over zijn inkomen en vermogen [3] . De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] onvoldoende financiële waarborg biedt en overweegt daartoe als volgt.
4.6.
[gedaagde] heeft de huurachterstand erkend en het niet betalen van de huur is een belangrijk indicatie dat een huurder onvoldoende waarborg biedt. Het is dan aan [gedaagde] om dit gemotiveerd te betwisten. Het standpunt van [gedaagde] dat de huurachterstand hem niet verweten kan worden omdat hij niet wist waar naar welk rekeningnummer hij de gelden kon overmaken, kan niet slagen. De verplichting om huur te betalen betreft namelijk een brengschuld. Dat betekent dat [gedaagde] er zelf voor moet zorgdragen dat hij de huur telkens op tijd betaalt. [gedaagde] had meerdere mogelijkheden om bekend te worden met een bankrekeningnummer. Zo is onbetwist gesteld dat op de website van Velison een bankrekeningnummer te vinden is. Daarnaast is op het door [gedaagde] in het geding gebrachte aanvraagformulier van de huisbewaring een bankrekeningnummer terug te vinden. Ook had [gedaagde] de mogelijkheid betalingen aan de deurwaarder te verrichten. Ook al zou [gedaagde] niet weten welk bedrag hij zou moeten betalen aan huur, is dat geen reden om in het geheel niet tot betaling over te gaan. Verder heeft te gelden dat [gedaagde] eerst heeft verklaard dat hij de opeisbaar geworden huur opzij heeft gezet maar ter zitting heeft hij aangegeven dat zulks niet (meer) het geval is en hij de achterstand niet kan voldoen. Ook weegt mee dat [gedaagde] geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie zodat niet duidelijk is geworden of [gedaagde] de huur überhaupt wel kan voldoen. Het verwijt van [gedaagde] dat Velison hier niet om heeft verzocht, kan gezien de hiervoor geschetste toetsingskader hem niet baten.
ii) kennelijke strekking de onderhuurder positie van huurder te verschaffen
4.7.
Van een kennelijke strekking om de onderhuurder de positie van huurder te verschaffen is sprake als [betrokkene] en [gedaagde] op het moment van het aangaan van de onderhuur de intentie hebben gehad [gedaagde] de positie van huurder te verschaffen. Er zal daarom eerst vastgesteld moeten worden wanneer de onderhuurovereenkomst is aangegaan. [gedaagde] heeft ter zitting aangegeven al zes jaar in het gehuurde te verblijven. In eerste instantie deelde hij de woning met andere mensen en verbleef hij op een eigen kamer, later had hij de gehele woning tot zijn beschikking. Omdat onderhuurbescherming enkel geldt voor een zelfstandige woning, gaat het om het moment van onderhuur die betrekking had op de gehele woning en niet over de periode daarvoor.
4.8.
Onbetwist is gesteld dat Velison in oktober 2024 meldingen heeft ontvangen dat [betrokkene] niet in het gehuurde zou verblijven. Verder staat vast dat [betrokkene] op 18 oktober 2024 een verzoek tot huisbewaring met terugwerkende kracht over de periode maart 2024 tot en met 28 februari 2025 heeft ingediend bij Velison. Dit verzoek is ingediend vlak na het huisbezoek van Velison waarin [gedaagde] te kennen is gegeven dat hij het gehuurde moest verlaten. Na afwijzing van het verzoek heeft [betrokkene] in februari 2025 de huur opgezegd, wat overeenkomt met de einddatum van het verzoek tot huisbewaring. [gedaagde] werd, na herhaaldelijk verzoeken van Velison het gehuurde te verlaten, in augustus 2025 gedagvaard met een vordering tot ontruiming wegens verblijf zonder recht of titel. Pas na de dagvaarding heeft [gedaagde] een beroep gedaan op een onderhuurovereenkomst en pas bij het executiegeschil is een onderhuurovereenkomst voor de periode 1 september 2024 tot en met 31 augustus 2025 getoond. Hoewel [gedaagde] heeft gesteld ook eerdere onderhuurovereenkomsten te hebben gesloten, zijn deze niet in het geding gebracht en gemotiveerd betwist, zodat hieraan voorbij zal worden gegaan.
4.9.
[gedaagde] heeft in de stukken voorgaande gang van zaken herhaaldelijk erkend: er is eerst een verzoek tot huisbewaring gedaan waarna gebruik is gemaakt van een onderhuurovereenkomst. Dit heeft tot gevolg dat de onderhuurovereenkomst pas na 18 oktober 2025 kan zijn gesloten. Daarbij wordt meegewogen dat als de onderhuurovereenkomst wel al per 1 september 2024 zou zijn gesloten, een verzoek tot huisbewaring (met terugwerkende kracht) overbodig zou zijn. Het argument van [gedaagde] dat het verzoek tot huisbewaring was gericht om de feitelijke situatie te legaliseren, kan niet slagen. De periode van de onderhuurovereenkomst komt immers niet overeen met de periode voor huisbewaring. Verder geldt dat, zonder toelichting die ontbreekt, het onduidelijk blijft waarom niet direct een beroep op de onderhuurovereenkomst is gedaan in plaats van een jaar later en pas nadat [gedaagde] gedagvaard werd.
4.10.
Gezien het voorgaande is de conclusie dat de onderhuurovereenkomst is gesloten na 18 oktober 2024. Omdat [gedaagde] op dat moment al was verzocht het gehuurde te verlaten en het verzoek tot huisbewaring tot maart 2025 was afgewezen, is de conclusie dat [gedaagde] en [betrokkene] bij het aangaan van de onderhuurovereenkomst in oktober 2024 de intentie hebben gehad om [gedaagde] de positie van huurder te verschaffen.
iii) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen voortzetting van de huur
4.11.
De onderhuurovereenkomst kan worden beëindigd als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van Velison niet kan worden verlangd dat zij de huur voortzet. Er moet dan een afweging worden gemaakt tussen de wederzijdse belangen.
4.12.
Velison heeft een zwaarwegend belang in het strikt handhaven van haar toewijzingsbeleid en precedentwerking tegen te gaan. Door het woningtekort bestaan lange wachtlijsten voor dergelijke woningen. Door een (onbevoegde) onderhuurconstructie aan te gaan, heeft [gedaagde] de lange wachtlijsten omzeild waardoor ingeschrevenen nog langer zullen moeten wachten op een woning.
4.13.
[gedaagde] heeft belang bij behoud van het gehuurde en heeft daarbij aangevoerd dat hij (en daarmee zijn gezin) kwetsbaar is. Hij heeft in het verleden psychiatrische klachten gehad die door de stress van het mogelijk kwijtraken van zijn woning zijn verergerd. [gedaagde] heeft dit standpunt onderbouwd door medische verslagen in het geding te brengen. Uit de verslagen van 2011, 2012 en 2020 volgt weliswaar dat opname en behandeling aan de orde is geweest maar ook dat het onduidelijk is of de diagnoses PTSS en psychose wel juist zijn geweest. Daarvoor zou aanvullende behandeling en onderzoek nodig zijn maar te lezen valt dat [gedaagde] hieraan niet heeft meegewerkt. Zo werden afspraken afgezegd en liep [gedaagde] weg uit klinieken. Dit maakt dat de precieze psychische gesteldheid van [gedaagde] onduidelijk is, althans niet voldoende is vastgesteld.
4.14.
[gedaagde] verwijst ook naar recente verslagen van de huisarts van [gedaagde] maar daarin wordt vanaf december 2025 vermeld dat [gedaagde] niet meer in het gehuurde verblijft maar in noodopvanglocaties of bij familie. Desgevraagd heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat dit, vanwege zijn slechte beheersing van de Nederlandse taal, op een misverstand zou berusten; [gedaagde] zou nog altijd in het gehuurde verblijven en slechts zeer kort in de opvang hebben verbleven. In de notities wordt echter herhaaldelijk aangegeven dat [gedaagde] niet meer in het gehuurde zou verblijven. Verder zijn de notities gedetailleerd. Zo worden adressen van de noodopvanglocaties genoemd en heeft de huisarts met HVO Querido en de noodopvanglocatie contact gehad hierover. Een toelichting waarom ondanks de precieze notities toch sprake is van een misverstand, heeft [gedaagde] onvoldoende gegeven. Het enkele feit dat [gedaagde] geprobeerd heeft daar te verblijven maar dat dit niet toegestaan was en hij weer weg moest, is onvoldoende en blijkt in het geheel niet uit de notities. Verder valt op dat in de verslagen wordt aangegeven dat [gedaagde] in scheiding ligt en daarom niet in het gehuurde zou verblijven, terwijl hij ter zitting heeft aangegeven nog niet gescheiden te zijn, maar dat zijn relatie wel onder hoge druk staat. Dit maakt dat op dit moment onduidelijk is althans niet voldoende is vastgesteld dat [gedaagde] geen aanspraak kan of mag maken op (nood)opvang in [plaats 1].
4.15.
Naast het belang van [gedaagde] zelf moet ook gekeken worden naar de belangen van de minderjarige kinderen; dit belang moet zelfs een eerste overweging zijn [4] . Dat betekent echter niet dat een woning met een huurder met minderjarig kinderen niet mag worden ontruimd. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor de omstandigheden die tot ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Als er een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn. De conclusie is dat de aanwezigheid van minderjarige kinderen een ontruiming in dit geval niet uitsluit. Hiertoe wordt als volgt overwogen.
4.16.
[gedaagde] huurt relatief kort (sinds najaar 2024) onder met zijn gezin en was bekend met het tijdelijke karakter van zijn verblijf daar. Er is immers eerst een verzoek tot huisbewaring tot maart 2025 gedaan. Verder is van belang dat Velison al vanaf oktober 2024 duidelijk te kennen heeft gegeven dat [gedaagde] niet in het gehuurde mocht blijven en [gedaagde] pas kort zich heeft ingeschreven als woningzoekende. Voor wat betreft de (onbetwiste) stelling dat de gemeente Velsen geen fatsoenlijke opvangmogelijkheden heeft voor gezinnen met kinderen overweegt de kantonrechter dat zowel [gedaagde] als zijn kinderen niet zijn ingeschreven in gemeente Velsen maar in de gemeente [plaats 1], zodat het mogelijk zou moeten zijn aanspraak te kunnen maken op opvang in [plaats 1]. Zoals eerder overwogen, is de stelling van [gedaagde] dat hij geen aanspraak mag maken op opvang in [plaats 1] niet voldoende onderbouwd.
4.17.
Alles in samenhang bezien en overwegende, prevaleert het belang van Velison voor het strikt handhaven van haar toewijzingsbeleid en precedentwerking te voorkomen, boven het belang van [gedaagde] en zijn minderjarige kinderen om de woning te behouden. Wel wordt aan het belang van de kinderen tegemoetgekomen in die zin dat de ontruimingstermijn op drie maanden na betekening van het vonnis zal worden gesteld. Hierdoor kunnen de (oudere) kinderen het schooljaar op hun eigen school afmaken en is er meer tijd om alternatieve huisvesting te vinden voor de kinderen.
iv) het niet kunnen overleggen van een huisvestingsvergunning
4.18.
Velison heeft onbetwist gesteld dat de woning een zogeheten WMO-woning is en een huisvestingsvergunning nodig is. Het is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] een hierover beschikt of dat hij een vergunning heeft aangevraagd. Het argument van [gedaagde] dat, omdat Velison de huisvestingsvergunningen zelf afgeeft, het voor hem niet mogelijk is om een dergelijke vergunning te verkrijgen, slaagt niet. [gedaagde] kan namelijk, als Velison zijn verzoek afwijst, bezwaar maken bij het college van Burgemeester en Wethouders. Daarnaast heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat te verwachten is dat een huisvestingsvergunning zal worden toegekend. Zo beschikt het gehuurde slechts over een slaapkamer zodat het niet geschikt is voor een gezin van vijf personen. De enkele stelling van [gedaagde] dat in vergelijkbare WMO-woningen ook gezinnen wonen is, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende.
Conclusie
4.19.
Omdat alle vier beëindiginggronden aan de orde zijn, zal de gevorderde beëindiging van de voortgezette huurovereenkomst worden toegewezen. Aan het subsidiair gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst wordt dan, ook al is de hoogte van de huurachterstand voldoende om de ontruiming toe te wijzen, niet toegekomen.
4.20.
De ontruiming van het gehuurde zal worden toegewezen met dien verstande dat de ontruimingstermijn zal worden bepaald op drie maanden na betekening van het vonnis.
4.21.
De gevorderde huurachterstand zal als onbetwist worden toegewezen.
4.22.
De belangenafwegingen die hiervoor onder 4.13 tot en met 4.17 zijn gemaakt, leiden tevens tot het oordeel dat de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad zullen worden verklaard.
4.23.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Velison worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
289,93
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.436,43

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
beëindigt de huurovereenkomst tussen Velison en [gedaagde] met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaats 2],
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om drie maanden na betekening van dit vonnis het gehuurde te verlaten en met al het zijne en de zijnen te (laten) ontruimen en te verlaten, en leeg en bezemschoon, onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking te stellen aan Velison,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.286,25 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 september 2025 tot aan de dag van algehele betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] aan Velison te voldoen een bedrag van € 657,25 per maand vanaf 1 oktober 2025 tot aan de dag dat het gehuurde is ontruimd en verlaten,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.436,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:269 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)
2.Artikel 7:269 lid 2 BW Pro
3.ECLI:NL:HR:203:804 r.o. 3.1.3. De overweging ziet op artikel 7:268 lid 3 sub Pro b, dat hetzelfde criterium bevat als artikel 7:269 lid 2 BW Pro.
4.Artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (verder: IVRK)