ECLI:NL:RBNHO:2026:427
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens gebrek aan wettig bewijs bij beschuldiging seksueel misbruik minderjarigen
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 22 januari 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van seksueel misbruik van twee minderjarige meisjes in de periode van 2012 tot 2023 in Den Helder. De tenlastelegging omvatte onder meer het binnendringen van het lichaam van de aangeefsters en ontuchtige handelingen.
De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was en dat zij bevoegd was de zaak te behandelen. Zowel de officier van justitie als de raadsman van verdachte stelden dat er onvoldoende wettig bewijs was om tot een veroordeling te komen. De verklaringen van de aangeefsters stonden niet in voldoende verband met ander bewijs en er was geen sprake van schakelbewijs, omdat de verklaringen onderling te veel verschilden in aard en omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om de tenlasteleggingen te bewijzen en sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens verklaarde de rechtbank de vorderingen tot schadevergoeding van de aangeefsters niet-ontvankelijk, omdat de feiten niet wettig en overtuigend waren bewezen.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer onder voorzitterschap van mr. M. Hoendervoogt, met mr. L. Boonstra en mr. E. van Kampen als rechters, en mr. L.L. de Vries als griffier.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig bewijs en schadevorderingen worden niet-ontvankelijk verklaard.