Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4270

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
11825444 \ CV EXPL 25-5122
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 lid 1 BWArt. 6:3 BWArt. 6:5 BWArt. 6:8 BWArt. 6:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedragsaanwijzing opgelegd wegens overlast en illegale activiteiten in gehuurde woning

Stichting Woonopmaat verhuurt een woning aan de huurder die tussen oktober 2023 en januari 2026 meldingen van geluidsoverlast, stankoverlast en drugshandel ontving. Na een onaangekondigd huisbezoek in april 2025 trof de verhuurder onder meer tabak en zakjes met wietlogo aan. De huurder gaf een slaapkamer tijdelijk in gebruik aan een derde, die betrokken was bij de overlast.

De huurder heeft sindsdien hulp aanvaard, laat de derde niet meer toe in de woning en gedraagt zich recent als een goed huurder, wat bevestigd werd bij een huisbezoek in februari 2026. Stichting Woonopmaat vordert een gedragsaanwijzing met dwangsom om toekomstige overlast en illegale activiteiten te voorkomen.

De kantonrechter oordeelt dat ondanks de positieve ontwikkelingen de gedragsaanwijzing noodzakelijk blijft als stok achter de deur, maar beperkt de duur tot één jaar. De dwangsom wordt toegewezen maar lager vastgesteld dan gevorderd. Tevens vernietigt de rechter enkele oneerlijke bedingen uit de algemene voorwaarden van de verhuurder en wijst de gevorderde rente af. FHV wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter legt een gedragsaanwijzing op voor één jaar met een dwangsom en veroordeelt FHV in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11825444 \ CV EXPL 25-5122
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
STICHTING WOONOPMAAT,
te Heemskerk,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Woonopmaat,
gemachtigde: mr. N. Reinalda,
tegen

1.FHV CASTRICUM B.V.,in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde 2],

te Castricum,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 1],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: FHV en [gedaagde 2],
gemachtigde: mr. S.J. van der Aart.
De zaak in het kortDe gevorderde gedragsaanwijzing is grotendeels toewijsbaar, waarbij de duur van de gedragsaanwijzing wordt beperkt tot één jaar na betekening van dit vonnis. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar, al wordt deze door de kantonrechter wél lager vastgesteld dan gevorderd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 juli 2025
- de conclusie van antwoord van 8 oktober 2025
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025
- de aanvullende productie zijdens Stichting Woonopmaat
- de mondelinge behandeling van 19 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitaantekeningen die zijdens Stichting Woonopmaat zijn overgelegd en voorgedragen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Stichting Woonopmaat verhuurt de woning aan de [adres] te [plaats 1] aan [gedaagde 2].
2.2.
Stichting Woonopmaat heeft tussen 25 oktober 2023 en 29 januari 2026 meldingen ontvangen van onder meer geluids- en stankoverlast. Ook wordt in deze periode bij Stichting Woonopmaat geklaagd over overlast als gevolg van het dealen van drugs vanuit de woning.
2.3.
Op 17 april 2025 heeft Stichting Woonopmaat met de wijkagent een onaangekondigd bezoek aan de woning gebracht, waarbij zij een rommelige woning en een slaapkamer met een grote hoeveelheid tabak, ziplock-zakjes met wietlogo en grote zakken met daarop de namen van verschillende hasj- en wietsoorten aantroffen.
2.4.
[gedaagde 2] heeft de desbetreffende slaapkamer enige tijd in gebruik gegeven aan de heer [betrokkene 2].
2.5.
Stichting Woonopmaat heeft met de wijkagent op 12 februari 2026 een aangekondigd huisbezoek afgelegd, waarbij zij een schone en opgeruimde woning aantroffen. De slaapkamer die eerder door [betrokkene 2] in gebruik werd genomen, was als slaapkamer ingericht.
2.6.
[gedaagde 2] aanvaardt hulp van de [organisatie], ontvangt elke vrijdag hulp in de huishouding, gaat twee keer in de week naar Reakt dagbesteding in [plaats 2] en laat [betrokkene 2] niet langer toe in de woning. Ook blowt [gedaagde 2] – als hij thuis blowt – enkel nog op het balkon.

3.Het geschil

3.1.
Stichting Woonopmaat vordert – na vermindering van eis – oplegging van een gedragsaanwijzing aan [gedaagde 2] onder meer inhoudende dat vanuit de woning geen illegale activiteiten mogen worden verricht, geen geluids- en stankoverlast mag worden veroorzaakt en de heer [betrokkene 2] niet langer in de woning wordt toegelaten, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van FNV in de rente en kosten.
3.2.
FHV en [gedaagde 2] voeren verweer. [betrokkene 2] heeft in een zware periode in het leven van [gedaagde 2] misbruik van hem gemaakt. [gedaagde 2] heeft in die periode weliswaar onvoldoende toezicht gehouden op hetgeen [betrokkene 2] in (de slaapkamer van) de woning uitvoerde, maar sinds het huisbezoek van 17 april 2025 heeft [gedaagde 2] positieve stappen gezet. Hij laat [betrokkene 2] niet langer toe in de woning, vanuit de woning worden geen illegale activiteiten uitgevoerd en [gedaagde 2] heeft met de wijkagent afgesproken alleen nog op het balkon te blowen. [gedaagde 2] voert echter aan dat hij regelmatig een rondje gaat wandelen als hij de behoefte voelt om te blowen. Een gedragsaanwijzing met dwangsom is gelet op deze positieve ontwikkelingen zijdens [gedaagde 2] daarom niet langer noodzakelijk. Verder is de gevorderde gedragsaanwijzing ten aanzien van de geluids- en stankoverlast te onbepaald. FHV en [gedaagde 2] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Stichting Woonopmaat, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Stichting Woonopmaat in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De huurder ([gedaagde 2]) is verplicht zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen [1] . [gedaagde 2] moet - als een goed huurder - goed voor de woning zorgen en voorkomen dat de leefomgeving overlast van hem en/of zijn bezoek ervaart.
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Stichting Woonopmaat toegelicht dat [gedaagde 2] de afgelopen maanden heeft laten zien dat hij zich als een goed huurder kan gedragen. Stichting Woonopmaat heeft zo goed als geen klachten van omwonenden meer ontvangen. Ook heeft op 12 februari 2026 een huisbezoek met de wijkagent plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat de woning schoon en opgeruimd was. Hoewel [gedaagde 2] zich op dit moment als een goed huurder gedraagt, doet dat de (ernst van de) tekortkomingen van daarvoor niet teniet. Daarom vordert Stichting Woonopmaat een gedragsaanwijzing, als ‘stok achter de deur’ om [gedaagde 2] ertoe te bewegen zich als goed huurder te blijven gedragen.
4.3.
Hoewel [gedaagde 2] het afgelopen jaar heeft laten zien dat hij zich als een goed huurder kan gedragen, is de kantonrechter van oordeel dat Stichting Woonopmaat belang heeft bij toewijzing van de vordering. Daarbij speelt de duur van de overlast in het verleden mee, alsook dat toewijzing van de vordering voor [gedaagde 2] feitelijk geen gevolgen hoeft te hebben zolang hij zich als een goed huurder blijft gedragen. Ook speelt mee dat Stichting Woonopmaat desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling voldoende heeft toegelicht in staat te zullen zijn de bij haar binnenkomende meldingen te beoordelen, waarbij onderscheid zal worden gemaakt tussen een (geluids- en stank)overlastmelding en overige meldingen. De kantonrechter zal de duur van de gedragsaanwijzing beperken tot één jaar vanaf betekening van het vonnis. Verder zal de kantonrechter de gevorderde gedragsaanwijzing afwijzen voor zover die ziet op het veroorzaken van stankoverlast bestaande uit sigarettenlucht, omdat elke grondslag daartoe ontbreekt.
4.4.
De aan de gedragsaanwijzing gekoppelde dwangsommen zijn als niet gemotiveerd weersproken toewijsbaar. Deze zullen worden gemaximeerd als omschreven in de beslissing.
Ambtshalve toetsing van:Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte 2012
4.5.
Voordat de kantonrechter een eindoordeel over de vordering kan geven, moet hij eerst ambtshalve beoordelen of op de overeenkomst met [gedaagde 2] algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument [2] , omdat dit gevolgen kan hebben voor (de hoogte van) de vordering. In het Nederlandse recht is dit tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder Pro a BW, waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
4.6.
Artikel 13.1 van de algemene voorwaarden ziet onder meer op de proceskosten. Voor zover Stichting Woonopmaat op grond van dit beding aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter [3] ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.
4.7.
Daarbij komt dat in combinatie met artikel 13.1 en het boetebeding in artikel 14.3 van de algemene voorwaarden de rente- en incassobedingen in artikel 6.1 en 13.2 (ook) oneerlijk zijn. Het boetebeding wijkt immers ten nadele van de consument aanzienlijk af van de aanvullend rechtelijke bepalingen in artikel 6:92 BW Pro. Bovendien kunnen op grond van artikel 13.1 van de algemene voorwaarden daarnaast alle kosten, in en buiten rechte, op de consument worden verhaald indien er als gevolg van een niet-nakomen door de consument maatregelen moeten worden genomen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is onredelijk bezwarend [4] en daarmee oneerlijk in de zin van de Richtlijn. Gelet op het voorgaande vernietigt de kantonrechter de artikelen 6.1, 13.1 en 13.2 van de algemene voorwaarden voor zover deze betrekking hebben op de rente. Als gevolg daarvan wordt de gevorderde rente afgewezen.
4.8.
FHV is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Woonopmaat worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
496,97

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
legt aan de bewindvoerder q.q. en [gedaagde 2] voor de duur van één jaar vanaf de dag van betekening van dit vonnis de volgende gedragsaanwijzingen op en verbiedt de FHV, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde 2], en [gedaagde 2]:
- om vanuit de woning illegale activiteiten te verrichten, alsook de voorbereiding daarvan, die volgens de Opiumwet strafbaar zijn;
- de heer [betrokkene 2] te ontvangen in, te laten verblijven in en/of op andere wijze toe te laten tot de woning;
- geluidsoverlast te veroorzaken door ruzie, schreeuwen en het afspelen van harde muziek;
- stankoverlast bestaande uit hasj- en/of wietgeuren te veroorzaken;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 2] niet aan (een van) de gedragsregel(s) voldoet en met een maximum van € 5.000,00 in totaal,
5.2.
veroordeelt FHV, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde 2], in de proceskosten van € 496,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als FHV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:213 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 6.3, 6.5, 6.8, 6.10 en 6.13 van de algemene voorwaarden.
2.In de zin van artikel 3 van Pro de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
3.Op grond van de artikelen 237 en 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.ECLI:NL:HR:2023:198, r.o. 3.8.4, en in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW.