ECLI:NL:RBNHO:2026:4307

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/15/376126
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:15 WvggzArt. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening zorgmachtiging voor verplichte geestelijke gezondheidszorg gedurende zes maanden

De rechtbank Noord-Holland heeft op 10 april 2026 een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden aan betrokkene, die lijdt aan een psychotische stoornis. De aanvraag was ingediend door de officier van justitie op grond van artikel 6:4 Wvggz Pro. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van ernstig nadeel voor betrokkene en zijn omgeving, waaronder ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang.

De advocaat van betrokkene voerde aan dat de bevindingen van de geneesheer-directeur niet ondertekend waren en dat betrokkene vrijwillig wilde meewerken. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat ondertekening niet wettelijk vereist is en dat vrijwillige medewerking onvoldoende vertrouwen geniet. Eerdere vrijwillige behandelingen waren niet effectief en leidden tot ernstig dreigend nadeel.

De rechtbank stelde vast dat verplichte zorg noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid te stabiliseren. De opgelegde zorg omvat medicatietoediening, bewegingsbeperkingen, insluiting, toezicht, beperkingen in vrijheid en opname in een accommodatie. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven en de zorg is proportioneel en naar verwachting effectief.

De zorgmachtiging geldt tot en met 10 oktober 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor zes maanden voor verplichte zorg aan betrokkene met een psychotische stoornis wegens dreigend ernstig nadeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
zaak-/rekestnr.: C/15/376126 / FA RK 26-1561
beschikking van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026,
naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
wonende te [plaats] ,
thans verblijvende in [accommodatie] , te [adres] ,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. J.W.E. Groot, kantoorhoudende te Wognum.

1.Procedure

1.1.
Bij het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 26 maart 2026, heeft de officier van justitie verzocht om afgifte van een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene.
1.2.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • het informatierapport Wvggz van de politie van 6 maart 2026;
  • een uittreksel justitiële documentatie van betrokkene van 6 maart 2026;
  • het zorgplan van 16 maart 2026;
  • de medische verklaring van 23 maart 2026;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur van 25 maart 2026
  • een historisch overzicht van eerder gegeven machtigingen in het kader van de Wvggz;
  • een uittreksel van het curatele- en bewindregister van 26 maart 2026.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 10 april 2026, in het gebouw van voornoemde accommodatie.
1.4.
Ter zitting heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [klinisch psycholoog] , klinisch psycholoog;
  • [verpleegkundige] , verpleegkundige.
1.5.
De officier van justitie heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.Beoordeling

2.1.1.
De advocaat van betrokkene heeft ter zitting gesteld dat het verzoek niet
voldoet aan de eisen voor het verlenen van een zorgmachtiging, nu de bevindingen van de
geneesheer-directeur niet zijn voorzien van een handtekening.
2.1.2.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de bevindingen van de geneesheer-directeur niet voorzien zijn van een handtekening. De rechtbank stelt vast dat artikel 5:15 van Pro de Wvggz niet bepaalt dat de bevindingen door de geneesheer-directeur moeten zijn ondertekend. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, geconcludeerd dat er geen gebrek kleeft aan de bevindingen van de geneesheer-directeur en het verweer van de advocaat verworpen.
2.2.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten: een psychotische stoornis.
2.3.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er door voornoemde stoornis ernstig nadeel voor of van betrokkene of een ander is, te weten:
  • ernstige psychische schade;
  • maatschappelijke teloorgang;
  • de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
  • de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
2.4.
Betrokkene heeft zorg nodig om:
- ernstig nadeel af te wenden;
- de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren.
2.4.1.
De rechtbank heeft, anders dan de advocaat van betrokkene ter zitting heeft bepleit, gelet op de stukken, de verkregen informatie en het verhandelde ter zitting onvoldoende vertrouwen dat betrokkene zijn verblijf en behandeling op vrijwillige basis in de accommodatie zal voortzetten. Ook is de rechtbank van oordeel dat er zonder verplichte zorg ernstig nadeel dreigt. Betrokkene is nog niet gestabiliseerd en is nog niet goed ingesteld op medicatie. Daarnaast bestaat er een verschil van inzicht tussen betrokkene en de behandelaren over de behandeling van de psychische stoornis. Eerder is gebleken dat behandeling op vrijwillige basis niet effectief was en heeft geleid tot ernstig dreigend nadeel. Volgens de klinisch psycholoog is een zorgmachtiging daarom ook in een ambulante setting noodzakelijk. Indien betrokkene onder deze omstandigheden de accommodatie verlaat, is de kans reëel dat hij in conflict komt met anderen en zich dreigend opstelt, waardoor het risico op ernstig nadeel opnieuw ontstaat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verplichte zorg noodzakelijk is.
2.4.2.
De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Gezien de ernst van de situatie en het dreigend nadeel, zoals blijkt uit de medische verklaring, staat de afgifte van een zorgmachtiging in verhouding tot het belang om dit nadeel te voorkomen en de situatie te beheersen. Betrokkene heeft bovendien onvoldoende onderbouwd dat er een minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om het dreigend ernstig nadeel af te wenden. Het ontbreken van een zorgkaart maakt dit oordeel niet anders. Ook het verweer van de advocaat dat betrokkene weerspreekt dat hij wilsonbekwaam is wordt door de rechtbank verworpen. Het verweer is niet nader onderbouwd en de rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan wat hierover in de medische verklaring is opgenomen.
2.5.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. De rechtbank is van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn om het nadeel af te wenden:
- het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van bewegingsvrijheid, telkens maximaal drie maanden;
- het insluiten van betrokkene, telkens maximaal zeven dagen;
- het uitoefenen van toezicht op betrokkene, telkens maximaal zeven dagen;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie, telkens maximaal drie maanden.
2.6.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.7.
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief.
2.8.
De rechtbank ziet gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om de termijn van de zorgmachtiging in duur te beperken zoals door de advocaat van betrokkene is verzocht. Er is tijd nodig om de samenwerkingsrelatie tussen betrokkene en de behandelaren te herstellen en te versterken.
2.9.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van 6 maanden, en geldt aldus tot en met 10 oktober 2026.

3.Beslissing

De rechtbank:
- verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , met de vormen van verplichte zorg zoals hierboven onder 2.5 vermeld voor de volledige duur van de zorgmachtiging, tenzij onder 2.5 een kortere duur is vermeld.
- bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met
10 oktober 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. P.M. van der Linden als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.