Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4381

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
C/15/377128 / JU RK 26-623
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b BWArt. 7 Verordening Brussel-II-terArtikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens mishandeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 22 april 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling van een 17-jarig meisje en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing vanwege ernstige mishandeling door haar pleegmoeder en pleegbroer. De minderjarige was gevlucht en verbleef bij een vriend, waarbij zij aangaf niet terug te willen naar huis. De pleegmoeder had haar niet onderhouden, geïsoleerd en gecontroleerd, wat leidde tot eigen onderhoud door de minderjarige en middelengebruik.

De kinderrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat Nederlands recht van toepassing is. Gezien de acute bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het ontbreken van instemming van de pleegmoeder met crisisplaatsing, werd een voorlopige ondertoezichtstelling voor drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken verleend. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het onmiddellijke gevaar.

De kinderrechter stelde dat een zitting niet kon worden afgewacht zonder ernstig gevaar voor de minderjarige. De behandeling van het verzoek werd voor het overige aangehouden, met een oproep voor een zitting en een kindgesprek. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing met onmiddellijke uitvoerbaarheid wegens acute bedreiging door mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377128 / JU RK 26-623
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de pleegmoeder],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge verzoek van de Raad op 22 april 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De pleegmoeder is belast met de voogdij over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Door de omstandigheid dat [de minderjarige] een onbekende nationaliteit heeft, dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen. [1]
4.2.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [de minderjarige] , een meisje van 17 jaar, woont bij haar (pleegbroer en) pleegmoeder, die zich over [de minderjarige] heeft ontfermd toen [de minderjarige] biologische moeder uit het vluchtelingenkamp in [land] vertrok en [de minderjarige] daar achterliet. [de minderjarige] is vannacht weggevlucht omdat zij door haar pleegmoeder en pleegbroer al jarenlang structureel wordt mishandeld. [de minderjarige] verblijft nu bij een vriend en heeft aangegeven niet terug te willen naar huis. De pleegmoeder heeft -tevergeefs- geprobeerd haar op te halen en mee terug te nemen naar huis. Haar pleegmoeder onderhoudt haar niet, maar isoleert en controleert haar. [de minderjarige] voorziet om die reden in haar eigen onderhoud door in een pizzeria te werken, en gebruikt alcohol en joints om met haar situatie om te gaan.
4.4.
[de minderjarige] is eerder in beeld gekomen bij de Beschermtafel vanwege schoolverzuim en openbare dronkenschap. Toen [de minderjarige] zes jaar was is ze naar Nederland gekomen. De Raad vindt het noodzakelijk om onderzoek te doen naar de situatie van [de minderjarige] . Gelet op de omschreven acute bedreiging in de ontwikkeling is een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk. Om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen is verder nodig dat zij op een veilige, geheime plek wordt ondergebracht, omdat zij nu niet terug naar huis kan. De kinderrechter vindt daarom een machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder noodzakelijk, mede omdat haar pleegmoeder niet instemt met plaatsing van [de minderjarige] op een crisisplek
4.5.
De kinderrechter is daarom van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [2] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
4.6.
Gelet op het bovenstaande is de kinderrechter daarnaast van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. [3]
4.7.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.9.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 22 april 2026 tot 22 juli 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 april 2026 tot 20 mei 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de GI en de pleegmoeder op voor de zitting van mr. G.D. de Jong op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.7.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 door mr. B.M.A. Bataille, kinderrechter, en op schrift gesteld en ondertekend door mr. F.W. van Dongen, kinderrechter, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 10:113 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 7 van Pro de Verordening Brussel-II-ter
2.Artikel 1:257 BW Pro.
3.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).