Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4404

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
11978976 CV EXPL 25-7825
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:290 BWArt. 3:291 lid 2 BWArt. 6:52 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op opheffing retentierecht door ouder gerechtigde op legerboot

De eigenaar van een legerboot vorderde dat de retentierechten van de reparateurs op de boot werden opgeheven, omdat zij geen mededelingen hadden gedaan over kostenstijgingen en de factuur betwist werd. De reparateurs hadden de boot onder zich gehouden wegens onbetaalde facturen voor reparaties die waren overeengekomen met de echtgenoot van de eigenaar, die als ouder gerechtigde werd beschouwd.

De rechtbank oordeelde dat het retentierecht terecht was ingeroepen omdat de vordering opeisbaar was en er voldoende samenhang bestond tussen de vordering en het vasthouden van de boot. Tevens was de echtgenoot bevoegd om de overeenkomst aan te gaan en hadden de reparateurs geen reden om aan die bevoegdheid te twijfelen.

De vordering van de eigenaar werd afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het retentierecht wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11978976 \ CV EXPL 25-7825
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.P. Harten,
tegen

1.[gedaagde 1], H.O.D.N. [bedrijf 1],

te [plaats 2],
2.
[gedaagde 2], H.O.D.N. [bedrijf 2],
te [plaats 3],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna afzonderlijk te noemen: respectievelijk vader en zoon, gezamenlijk te noemen: [gedaagden]
gemachtigde: mr. S.J. van der Aart.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- het tussenvonnis waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is eigenaar van een legerboot (verder: de boot).
2.2.
De echtgenoot van [eiser], de heer [betrokkene] (verder: [betrokkene]), heeft de boot eerder ter reparatie ondergebracht bij [gedaagden]. In het najaar van 2024 heeft [betrokkene] opnieuw contact opgenomen met [gedaagden] voor het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden, in het bijzonder reparaties aan het uitlaatsysteem.
2.3.
[gedaagden] hebben voor de reparaties aan het uitlaatsysteem aan [betrokkene] een offerte uitgebracht voor € 7.000,00. Naast voornoemde reparaties zijn er gaandeweg ook verschillende andere werkzaamheden aan de boot verricht.
2.4.
[gedaagden] hebben altijd alleen contact gehad met [betrokkene], niet met [eiser].
2.5.
[gedaagden] hebben in totaal € 17.943,55 bij [betrokkene] in rekening gebracht. [betrokkene] heeft € 10.243,55 onbetaald gelaten. [gedaagden] hebben een beroep op retentierecht gedaan en de boot onder zich gehouden.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – [gedaagden] te bevelen het retentierecht op te heffen en [eiser] het bezit van haar boot te verschaffen op straffe van een dwangsom.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] geen mededelingen hebben gedaan over een toename aan kosten, terwijl zij hiertoe wel verplicht zijn. Zij kunnen daarom geen aanspraak maken op meer dan de geoffreerde richtprijs. Omdat geen sprake is van een opeisbare vordering, kunnen [gedaagden] geen beroep doen op een retentierecht.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. Zij betwisten dat [eiser] contractspartij is geweest. Zij voeren aan dat zij terecht een beroep doen op betaling van hun factuur. Zo heeft [betrokkene] opdracht gegeven voor meerwerk en zijn de hiermee gepaard gaande kosten met hem besproken, althans had het voor [betrokkene] duidelijk moeten zijn dat de extra werkzaamheden extra kosten zouden opleveren. Zij mogen daarom een retentierecht inroepen jegens [eiser], als ouder gerechtigde.
in voorwaardelijke reconventie
3.4.
[gedaagden] vorderen – samengevat – voorwaardelijk, voor zover wordt geoordeeld dat wel een overeenkomst met [eiser] tot stand is gekomen, [eiser] te veroordelen om aan vader € 5.210,97 te voldoen en aan zoon € 5.032,98 te voldoen.
3.5.
Het verweer van [eiser] volgt uit hetgeen in conventie is aangevoerd.
3.6.
Op de stellingen van partijen zowel in conventie als in reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Een retentierecht is een bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser (in dit geval [gedaagden]) toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak (in dit geval de boot) aan zijn schuldenaar (in dit geval [betrokkene]) op te schorten totdat de vordering wordt voldaan [1] . Voor het ontstaan van een retentierecht gelden als vereisten dat [gedaagden] een opeisbare vordering moet hebben op hun tegenpartij en dat tussen de vordering van [gedaagden] en de verplichting tot afgifte van de boot voldoende samenhang bestaat om de opschorting te rechtvaardigen [2] .
4.2.
Aan die voorwaarden zijn voldaan. Zo is de vordering van [gedaagden] opeisbaar; aan de vordering kleven bijvoorbeeld geen termijnen of voorwaarden die afgewacht moeten worden voordat betaling kan worden gevorderd. Omdat de vordering van [gedaagden] betrekking heeft op werkzaamheden aan de boot is voldoende samenhang tussen de vordering en het onder zich houden van de boot.
4.3.
[gedaagden] mogen het retentierecht vervolgens inroepen tegenover [eiser] als ouder gerechtigde als de vordering voortvloeit uit een overeenkomst die [betrokkene] bevoegd was met betrekking tot de boot aan te gaan (op grond van zijn verhouding tot de ouder gerechtigde [eiser]) [3] , of als [gedaagden] geen reden hadden om aan de bevoegdheid van [betrokkene] te twijfelen [4] . Ook aan die voorwaarden is voldaan. Niet gesteld of gebleken is dat [betrokkene] niet bevoegd was om een overeenkomst met [gedaagden] aan te gaan en [gedaagden] hebben onbetwist gesteld dat zij geen reden hadden om aan de bevoegdheid van [betrokkene] te twijfelen. Daarom moet [eiser] het retentierecht tegen zich te dulden.
4.4.
[eiser] heeft nog aangevoerd dat geen beroep op retentierecht kan worden gedaan omdat de in rekening gebrachte facturen worden betwist maar dat kan niet slagen. Voor zover [eiser] hiermee bedoelt dat de vordering niet opeisbaar is, is al overwogen dat hiervan geen sprake is. Voor zover [eiser] hiermee bedoelt dat de vordering niet verschuldigd is (vanwege de betwisting), gaat [eiser] voorbij aan het feit dat onbetaald gelaten en meestal betwiste facturen juist ten grondslag liggen aan een beroep op een retentierecht.
4.5.
De conclusie is dat [gedaagden] een beroep mogen doen op een retentierecht tegenover [eiser]. De vordering van [eiser] zal worden afgewezen. Daarmee wordt niet toegekomen aan de voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagden]
4.6.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden]
worden begroot op:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
720,00

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 3:290 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)
2.Artikel 6:52 lid 1 BW Pro
4.Artikel 3:291 lid 2 BW Pro