Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4417

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/15/370489 / FA RK 25-5148
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253t BWVerordening (EG) nr. 2019/1111Art. 7 Brussel II terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag aan vader en oma over minderjarige na overlijden moeder

De vader en de oma hebben gezamenlijk verzocht om het gezag over de minderjarige aan hen beiden toe te wijzen. Na het overlijden van de moeder was het eenhoofdig gezag bij de vader komen te liggen, maar de feitelijke zorg wordt al langere tijd door de oma gedragen. De minderjarige woont bij de oma en heeft een nauwe persoonlijke band met haar.

De rechtbank constateert dat de vader kampt met een slechte gezondheid en dat hij niet in staat is om alleen voor de minderjarige te zorgen. De samenwerking tussen vader en oma is goed en zij kunnen gezamenlijk belangrijke beslissingen nemen. De rechtbank acht het in het belang van het kind dat de juridische situatie aansluit bij de feitelijke situatie.

Op grond hiervan wijst de rechtbank het verzoek toe en belast zij de vader en de oma gezamenlijk met het gezag over de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe en belast de vader en oma gezamenlijk met het gezag over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/370489 / FA RK 25-5148
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 23 april 2026
in de zaak van:
[de oma],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de oma,
advocaat mr. A. Sarioglu, kantoorhoudende te Amsterdam, op de zitting waargenomen door mr. A. El. Aqde, kantoorhoudende te Amsterdam,
en
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A. Sarioglu, kantoorhoudende te Amsterdam, op de zitting waargenomen door mr. A. El. Aqde, kantoorhoudende te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek, met bijlagen, van de oma en de vader ingekomen op 1 oktober 2025;
- het F-formulier, met bijlage, van de advocaat van de oma en de vader van 7 februari 2026.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 maart 2026 in aanwezigheid van mr. A. El. Aqde (waarnemend voor mr. A. Sarioglu) namens de oma en de vader. De oma en de vader zijn niet verschenen, omdat ze ziek waren. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft zich, wegens personeelstekort, voor de zitting afgemeld.
1.3.
Tijdens de zitting heeft de advocaat van de oma en de vader nog een beschikking van de IND overlegd.
1.4.
De minderjarige [de minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader is gehuwd geweest met mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).
2.2.
Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] . Daarnaast is uit dit huwelijk geboren de inmiddels meerderjarige [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [gemeente] .
2.3.
Het huwelijk van de vader en de moeder is in 2013 ontbonden middels echtscheiding. Na de echtscheiding zijn de kinderen bij de moeder gaan wonen. Het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder is na de echtscheiding in stand gebleven.
2.4.
De moeder is op [datum] overleden. Door het overlijden van de moeder is de vader belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
2.5.
De kinderen wonen bij de oma.

3.Het verzoek

3.1.
De oma en de vader verzoeken te bepalen dat de oma samen met de vader zal worden belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2.
Zij leggen aan hun verzoek ten grondslag dat deze wijziging in het belang van [de minderjarige] is, omdat de oma zowel tijdens de ziekteperiode van de moeder, als na haar overlijden, de volledige zorg van de kinderen op zich heeft genomen. Ook nu draagt zij de volledige zorg van [de minderjarige] (en [meerderjarige] ). Bovendien staan de oma en [de minderjarige] in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar en hebben ze family life met elkaar. Verder is de vader niet in staat is om alleen voor [de minderjarige] te zorgen en alleen (gezags)beslissingen over hem te nemen. Hij heeft namelijk al lange tijd nauwelijks contact met [de minderjarige] en [de minderjarige] vertrouwt zijn vader niet. Daarnaast is de privé- en gezondheidssituatie van de vader niet stabiel. Het nieuwe huwelijk van de vader is recentelijk ontbonden en deze situatie zorgt voor veel stress. Deze stress beïnvloedt zijn gezondheid, die al slecht is, in negatieve zin. De vader heeft namelijk een ernstige vorm van nierdisfunctie aan beide nieren.

4.De beoordeling

bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de vader en [de minderjarige] de Nederlandse nationaliteit bezitten en de oma de Marokkaanse nationaliteit. Het verzoek betreft een geschil over het gezag en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter).
Ingevolge artikel 7, eerste lid, Brussel II ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
4.2.
Nu [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht toepasselijk.
gezag
4.3.
Op grond van artikel 1:253t, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van de stukken en wat tijdens de zitting is verklaard, constateert de rechtbank dat de oma al langere tijd de volledige zorg voor [de minderjarige] draagt en dat [de minderjarige] – samen met zijn oudere broer – bij zijn oma woont. [de minderjarige] ziet zijn oma als zijn hoofdverzorgster sinds zijn moeder is overleden. Daarnaast begrijpt de rechtbank dat de oma degene is die de (belangrijke) beslissingen over [de minderjarige] neemt, waarbij de oma en de vader een goede samenwerking hebben en in staat zijn om te overleggen. Verder neemt de rechtbank in overweging dat de vader kampt met een slechte gezondheid en dat in het belang van [de minderjarige] voorkomen moet worden dat een eventueel gezagsvacuüm zal ontstaan als er wat met de vader gebeurd.
4.5.
Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] dat de juridische situatie in overeenstemming komt met de feitelijke situatie. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vader en de oma toewijzen en de oma naast de vader belasten met het gezag over [de minderjarige] .

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat voortaan de vader en [de oma] , geboren op [geboortedatum] gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [gemeente] ;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door A.K. Mireku, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E. Vogel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 .
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.