Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4425

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/15/366158 / FA RK 25-2881
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en toekenning eenhoofdig gezag aan moeder wegens onbereikbaarheid vader

De moeder verzoekt de rechtbank om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. Zij stelt dat de vader sinds lange tijd geen contact onderhoudt met haar en het kind, en bovendien onbereikbaar is, waardoor zij niet samen beslissingen kan nemen die noodzakelijk zijn voor het welzijn van het kind.

De rechtbank constateert dat de vader sinds oktober 2024 als niet-ingezetene staat geregistreerd en niet op de zitting is verschenen, ondanks behoorlijke oproeping. De moeder heeft aangetoond dat het ontbreken van contact en bereikbaarheid praktische problemen veroorzaakt, zoals bij het aanvragen van een identiteitskaart en medische beslissingen. Tevens is er sprake geweest van een incident waarbij de vader zich agressief uitliet in het bijzijn van het kind.

Op grond van de relevante wetsartikelen concludeert de rechtbank dat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt en dat het in het belang van het kind is het gezamenlijk gezag te beëindigen. De moeder wordt daarom belast met het eenhoofdig gezag. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder krijgt het eenhoofdig gezag over de minderjarige toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/366158 / FA RK 25-2881
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 23 april 2026
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H. Beekelaar, kantoorhoudende te Kwadijk,
tegen
[de vader],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de vader,
--betreffende--
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
hierna mede te noemen: [de minderjarige] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek, met producties 1 t/m 11, van de moeder ingekomen op 20 mei 2025;
- de beschikking van deze rechtbank van 24 december 2025.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 maart 2026 in aanwezigheid van de moeder, bijgestaan door mr. H. Beekelaar
.De Raad voor de Kinderbescherming heeft zich, wegens personeelstekort, vlak voor de zitting afgemeld.
1.3.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen. Hij is sinds 29 oktober 2024 in de Basis Registratie Personen geregistreerd als niet-ingezetene, wegens emigratie. De oproeping van de vader is bekend gemaakt in de Staatscourant en daarin gepubliceerd op 24 december 2025.
1.4.
Bij beschikking van 24 december 2025 van deze rechtbank is bepaald dat de vader vanaf 23 april 2024 een bedrag van € 250,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de moeder. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om te bepalen dat zij wordt belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] aangehouden tot een nader te bepalen zitting.

2.Het verzoek

2.1.
De moeder verzoekt wijziging van het gezag over [de minderjarige] , in die zin dat voortaan het gezag over hem alleen aan de moeder toekomt.
2.2.
Zij heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat de wijziging in het belang van [de minderjarige] is, omdat zowel tussen de vader en de moeder als tussen de vader en [de minderjarige] al langere tijd geen contact en/of omgang is. Doordat geen contact met de vader is, heeft hij al langere tijd geen zicht op wat in het leven van [de minderjarige] speelt en evenmin wat hij nodig heeft. Daarnaast is de vader niet bereikbaar voor de moeder en zij weet ook niet waar de vader op dit moment verblijft. Hierdoor voorziet de moeder problemen bij het krijgen van toestemming van de vader voor bijvoorbeeld de aanvraag van een identiteitskaart of het krijgen van medicijnen voor [de minderjarige] . Voor de moeder is het dan ook niet mogelijk om samen met de vader aan het ouderlijk gezag invulling en uitvoering te geven. Verder heeft de moeder sinds de geboorte van [de minderjarige] altijd hoofdzakelijk de verzorging en opvoeding gedragen. De vader is daarentegen – ondanks de pogingen van de moeder om hem bij de opvoeding te betrekken – altijd beperkt betrokken geweest. Tot slot heeft voordat het contact werd verbroken, nog een incident plaatsgevonden waarbij de vader zich in het bijzijn van [de minderjarige] tegenover de moeder agressief uitliet en waarbij de politie betrokken is geraakt en een melding is gemaakt bij Veilig Thuis.

3.Verweer

3.1.
De vader is niet op de zitting verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

4.De verdere beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.2.
Niet in geschil is dat sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n, eerste lid, BW.
4.3.
Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.4.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg ter zake en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen, zodanig dat de minderjarige niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
4.5.
De rechtbank concludeert uit de stukken en wat door de moeder op de zitting naar voren is gebracht dat de vader al geruime tijd niet bereikbaar is voor de moeder en [de minderjarige] en dat zodoende de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag van de ouders ontbreekt. Daarmee bestaat het risico dat de beslissingen over de [de minderjarige] , bijvoorbeeld over de schoolkeuze of medisch handelen, niet in het vereiste tempo genomen kunnen worden. De moeder loopt momenteel al tegen praktische problemen op, zoals bij de aanvraag van een identiteitskaart om familie te kunnen bezoeken in Suriname. Voor de moeder is het onder de huidige omstandigheden lastig om uitvoering te geven aan haar gezag en dat acht de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige] . Er zijn geen aanwijzingen dat partijen in de nabije toekomst wel weer op ouderniveau met elkaar zullen kunnen overleggen over de [de minderjarige] .
4.6.
Gelet op het voorgaande en het feit dat de vader het verzoek niet heeft weersproken, acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder overeenkomstig haar verzoek met het eenhoofdig gezag zal worden belast.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wordt beëindigd en dat de moeder alleen het gezag over voornoemde minderjarige toekomt;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door A.K. Mireku, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E. Vogel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.