ECLI:NL:RBNHO:2026:450

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
373072 JU RK 25-1832
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 1:255 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 7 Brussel II terArtikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een veertienjarige minderjarige vanwege ernstig ontregeld gedrag, dagelijks softdruggebruik, schoolverzuim en betrokkenheid bij een crimineel netwerk. De ouders zijn niet in staat de noodzakelijke structuur en veiligheid te bieden, ondanks hun bereidheid tot hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect heeft gehad. De huidige verblijfplaats bij een sociale jeugddienst biedt te veel vrijheid en is wegens wangedrag niet langer geschikt. Diagnostisch onderzoek wijst op hechtingsproblematiek en trauma’s.

Gezien de grote zorgen en het ontbreken van een passende woon- en dagbestedingsplek wordt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar toegekend. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/373072 / JU RK 25-1832
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd in Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. B. Blom, kantoorhoudende te Purmerend,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
gezamenlijk ook te noemen: de ouders.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van 17 december 2025 met bijlagen, waaronder het rapport van de Raad van 16 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] via een videoverbinding.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont op een groep van [sociale jeugddienst] in [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. Ter zitting heeft de Raad het verzoek gewijzigd, in die zin dat ook de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar wordt verzocht.
De Raad verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] . Hij is al langere periode niet naar school geweest, laat probleemgedrag zien, blowt dagelijks en gaat om met probleemjongeren. Hij lijkt de gevolgen van zijn gedrag niet in te zien en is erg beïnvloedbaar, waardoor al meerdere keren sprake is geweest van onveiligheid. De ouders verschillen in visie over de opvoeding en het lukt hen onvoldoende om met elkaar afspraken te maken in het belang van [de minderjarige] . De ouders accepteren hulpverlening, maar hebben op dit moment geen grip meer op [de minderjarige] en kunnen hem niet de structuur, duidelijkheid en veiligheid bieden die hij nodig heeft. [de minderjarige] verblijft nu op een groep van [sociale jeugddienst] in [plaats] , maar krijgt hier (te) veel vrijheid. De komende periode moet aan de hand van diagnostiek gerichte hulpverlening ingezet worden voor [de minderjarige] en gezocht worden naar een passende woonplek en een vorm van dagbesteding.
3.3.
Ter zitting heeft de Raad de noodzaak van een machtiging tot uithuisplaatsing voor een langere duur verzocht, omdat inmiddels is gebleken dat [de minderjarige] niet meer bij [sociale jeugddienst] kan verblijven. Hij is daar namelijk wegens wangedrag opnieuw geschorst.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft naar voren gebracht dat per direct een jeugdbeschermer voor [de minderjarige] beschikbaar is. Zij zal aan de hand van de diagnostiek kijken naar een passende woonplek voor [de minderjarige] . Gezien de grote zorgen verwacht de GI dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden te kort zal zijn. Een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar passender en in het belang van [de minderjarige] .
4.2.
De moeder en de advocaat hebben ingestemd met het verzoek. Wel staan volgens de moeder onjuistheden in het raadsrapport, die door de Raad moeten worden gecorrigeerd. Verder heeft de moeder afgelopen week te horen gekregen, dat uit het diagnostisch onderzoek naar voren is gekomen, dat bij [de minderjarige] sprake is van hechtingsproblematiek en trauma’s. De moeder vindt ook dat [de minderjarige] op dit moment intensieve begeleiding, structuur en bescherming nodig heeft en dat dit niet binnen de thuissituatie kan worden gerealiseerd. Of de huidige plek van [de minderjarige] dit wel kan bieden, betwijfelt de moeder ernstig, omdat daar feitelijk juist meer vrijheid is voor [de minderjarige] dan thuis. Naar mening van de moeder is [de minderjarige] meer gebaat bij een driemilieuvoorziening. Daarnaast plaatst de moeder een kanttekening bij de duur van de verzochte uithuisplaatsing en zij vraagt zich af waarom deze niet wordt gelijkgetrokken met de verzochte duur van de ondertoezichtstelling.
4.3.
De vader heeft ingestemd met het verzoek. Hij denkt niet dat binnen een half jaar veel hulpverlening kan worden ingezet en zou de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar passender vinden.

5.De beoordeling

Rechtsmacht
5.1.
Door de omstandigheid dat de vader de Deense nationaliteit heeft, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de Raad. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ter zake van het verzoek. [1] Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op het verzoek van toepassing is. Dat is in dit geval het Nederlands recht. [2]
Inhoudelijke behandeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [3] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat hij lijkt te stagneren op alle ontwikkelingsgebieden. [de minderjarige] is nog maar net veertien jaar, maar laat nu al ernstig ontregeld gedrag zien. Hij onttrekt zich aan de regels en het gezag van de volwassenen in zijn leven en er zijn zorgen over zijn seksuele ontwikkeling. [de minderjarige] steelt, gebruikt dagelijks softdrugs (blowen) en hij rookt vapes met ketamine en THC. [de minderjarige] heeft daarnaast geen dagstructuur, gaat al langere tijd niet naar school, heeft geen andere dagbesteding en heeft een omgekeerd dag- en nachtritme. Ook bestaan zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] in [plaats] , vanwege het criminele netwerk waarin hij zich lijkt te bevinden. Tot slot bestaan zorgen over het welzijn van [de minderjarige] ; [de minderjarige] heeft aan de moeder verteld dat hij stemmen hoort in zijn hoofd. Hij is daarnaast vaak vermoeid en zijn begeleiding van [sociale jeugddienst] heeft laten weten dat zij het vermoeden hebben dat informatie niet altijd bij [de minderjarige] binnenkomt. Ter zitting is besproken dat uit het recente diagnostisch onderzoek, volgens de moeder afgerond in december 2025 door Indaad, naar voren is gekomen dat bij [de minderjarige] sprake is van hechtingsproblematiek en trauma’s.
5.4.
De ouders zijn op dit moment wel bereid, maar niet in staat om zelfstandig de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. De hulpverlening in het vrijwillig kader heeft niet tot verbetering geleid. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. Gezien de grote zorgen en omdat passende hulpverlening en dagbesteding nog opgestart moet worden, stelt de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.5.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [4] Het is op dit moment niet in zijn belang om bij één van de ouders te wonen. De kinderrechter overweegt hiertoe dat de situatie onveranderd is ten opzichte van de situatie ten tijde van de (vrijwillige) uithuisplaatsing. De ouders hebben geen grip meer op [de minderjarige] en kunnen hem niet de kaders en veiligheid bieden die hij nu nodig heeft. Zowel de Raad als de ouders hebben aangegeven dat [de minderjarige] op de groep van [sociale jeugddienst] te veel vrijheden krijgt. Hij heeft geen dagbesteding en is regelmatig afwezig van de groep, waarbij de begeleiding geen zicht op hem heeft. Inmiddels is duidelijk dat [de minderjarige] niet meer bij [sociale jeugddienst] mag verblijven, omdat hij zich te vaak heeft misdragen. Het is ook daarom van belang dat zo snel mogelijk gekeken wordt naar een passende (vervolg)plek voor [de minderjarige] , waar de juiste hulpverlening voor [de minderjarige] ingezet kan worden. Met de moeder is de kinderrechter van oordeel dat hierbij ook de mogelijkheid van een driemilieuvoorziening onderzocht moet worden. Gezien de grote zorgen is de verwachting niet gerechtvaardigd dat [de minderjarige] binnen een kortere termijn weer thuis kan wonen. De kinderrechter verleent daarom de machtiging voor de verzochte duur van een jaar.
5.6.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [5]
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 9 januari 2026 tot 9 januari 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 januari 2026 tot 9 januari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 22 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof [plaats] . Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 10:113 BW Pro jo. artikel 7 Brussel Pro II ter.
2.Artikel 15 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996
3.Artikel 1:255 BW Pro.
4.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
5.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.