Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4680

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 5310
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.39a Wet IB 2001Art. 6.33 Wet IB 2001Art. 26 IVBPRArt. 14 EVRMArt. 1 Twaalfde Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering multiplier voor giften aan niet-culturele instellingen

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting 2023 vanwege de weigering van een multiplier voor giften aan christelijke instellingen, die geen culturele instellingen zijn. Zij stelt dat dit onderscheid discriminerend is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel en internationale verdragsbepalingen.

De rechtbank stelt vast dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een fiscale stimulans uitsluitend voor giften aan culturele instellingen, met als doel de culturele sector te ondersteunen. Dit onderscheid is niet gebaseerd op geloof of godsdienst en is niet evident van redelijke grond ontbloot. De regeling beperkt ook niet de godsdienstvrijheid.

De rechtbank concludeert dat giften aan culturele instellingen en aan andere algemeen nut beogende instellingen geen gelijke gevallen zijn. De keuze van de wetgever valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid bij fiscale faciliteiten. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter A.A. Fase op 23 april 2026 te Haarlem.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de multiplier voor giften aan niet-culturele instellingen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5310

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) van € 50.373 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (bisb) van € 151. Bij de aanslag is bij beschikking € 61 belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 te Haarlem.
Namens belanghebbende is [naam 2] verschenen die ter zitting een daartoe strekkende machtiging van belanghebbende heeft overgelegd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

Feiten
1. Voor het jaar 2023 heeft belanghebbende een biww, tevens verzamelinkomen, aangegeven van € 45.673, als volgt gespecificeerd:
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 46.283
Inkomsten uit eigen woning - 338
Aftrekbare giften -/-
- 998
€ 45.673
2. Met dagtekening 18 mei 2024 heeft verweerder belanghebbende een voorlopige aanslag opgelegd, berekend naar een biww van € 45.673 en een bisb van € 151.
3. Met dagtekening 15 november 2024 heeft verweerder belanghebbende de definitieve aanslag opgelegd, berekend naar een biww van € 50.273 en een bisb van € 151. Het biww kan als volgt worden gespecificeerd:
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 50.883
Inkomsten uit eigen woning - 388
Aftrekbare giften -/-
- 998
€ 50.273

Geschil4. In geschil is de hoogte van de aftrek giften.

5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aftrek giften ingevolge artikel 6.39a, eerste lid, van de Wet IB 2001 moet worden verhoogd met 25% tot € 1.247. De door haar gedane giften zijn voornamelijk gedaan aan christelijke instellingen en dit zijn geen culturele instellingen in de zin van genoemd artikellid. Omdat de verhoging alleen wordt toegekend ter zake van giften aan culturele instellingen en niet ter zake van giften aan andere instellingen is volgens belanghebbende sprake van discriminatie. Verder betoogt belanghebbende dat IB/PVV wordt geheven naar draagkracht en de desbetreffende regeling daarmee in strijd is omdat de draagkracht van iemand die een gift doet aan een culturele instelling uiteindelijk niet minder is dan die van iemand die een gift doet aan een niet-culturele instelling.
6. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een biww van € 50.024 (€ 50.883 + € 388 -/- € 1.247) en een bisb van € 151.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van discriminatie en heeft daarvoor – kort weergegeven – aangevoerd dat giften aan culturele instellingen en giften aan andere instellingen geen gelijke gevallen zijn. De wetgever heeft met artikel 6.39a van de Wet IB 2001 bewust gekozen voor een extra fiscale stimulans voor giften aan culturele instellingen, met als doel het ondersteunen van de culturele sector. De keuze om uitsluitend giften aan culturele instellingen in aanmerking te laten komen voor een verhoging van 25% valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt bij het vormgeven van fiscale faciliteiten. Daarbij is van belang dat het hier niet gaat om onderscheid op basis van een in artikel 26 IVBPR Pro expliciet genoemde discriminatiegrond, zoals geslacht, ras of godsdienst. In een dergelijk geval dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dit oordeel evident van iedere redelijke grond is ontbloot. Hiervan is in dit geval geen sprake. Verder betoogt verweerder dat de draagkracht een belangrijk uitgangspunt is bij de heffing van IB/PVV, maar dit beginsel niet uitsluit dat wordt gekozen voor fiscale stimulansen die niet direct samenhangen met de draagkracht.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
9. Ingevolge artikel 6.39a, eerste lid, van de Wet IB 2001, wordt het bedrag van giften aan culturele instellingen voor het bepalen van de persoonsgebonden aftrek verhoogd met 25%, doch ten hoogste met € 1.250. Deze verhoging (hierna ook: de multiplier) geldt niet voor giften aan andere algemeen nut beogende instellingen als bedoeld in artikel 6.33 aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 (ANBI’s). Belanghebbende meent dat dit onderscheid tussen giften aan culturele instellingen enerzijds en aan niet-culturele instellingen anderzijds leidt tot een met artikel 26 IVBPR Pro, artikel 14 EVRM Pro en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM strijdige ongelijke behandeling, aangezien de belastingplichtige die giften doet aan ANBI’s/culturele instellingen wordt bevoordeeld ten opzichte van de belastingplichtige die giften doet aan andere ANBI’s/niet-culturele instellingen.
10. De hiervoor vermelde verdragsbepalingen verbieden een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Daarbij is uitgangspunt dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond is ontbloot. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot (HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:273). Ook geldt op grond van genoemde verdragsbepalingen een verbod op discriminatie naar geloofsovertuiging.
11. De rechtbank stelt voorop dat de genoemde wettelijke bepalingen geen onderscheid maken op grond van geloof of godsdienst. De multiplier geldt in zijn algemeenheid alleen voor culturele instellingen en niet voor andere ANBI’s/niet-culturele instellingen, dus ook niet voor instellingen die zich bezighouden met religie, levensbeschouwing en spiritualisme (zie artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De onderhavige wettelijke regeling hanteert geloofsovertuiging dus niet als onderscheidende maatstaf en leidt er evenmin toe dat de (meeste) belastingplichtigen met een (bepaalde) geloofsovertuiging anders worden behandeld dan belastingplichtigen die zo’n overtuiging niet hebben. Ook vormt de onderhavige regeling geen beperking van de vrijheid die een ieder toekomt om zijn godsdienst te belijden.
12. De rechtbank is voorts van oordeel dat de belastingplichtige die giften doet aan culturele instellingen enerzijds en de belastingplichtige die giften doet aan andere instellingen geen gelijke gevallen zijn. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd (zie onder 7) heeft de wetgever met artikel 6.39a van de Wet IB 2001 bewust gekozen voor een extra fiscale stimulans voor giften aan culturele instellingen, met als doel het ondersteunen van de culturele sector (o.a. Kamerstukken II 2011/12, 33 006, nr. 3, p. 9). De rechtbank wijst in het bijzonder op de volgende passages uit de Nota naar aanleiding van het Verslag inzake de Geefwet (Kamerstukken II, 2011/12, 33 006, nr. 6, p. 22-24):
“Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks of door het onderscheid binnen ANBI’s geen strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel ontstaat. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe het kabinet de tweedeling in ANBI’s, en daarmee de bevoordeling van culturele ANBI’s, rechtvaardigt. Indien deze bevoordeling is gerelateerd
aan de bezuinigingen in deze sector, zo vragen deze leden, waarom gaat deze zelfde bevoorrechting dan niet op voor instellingen die zich richten op een aantal andere algemeen nuttige doelen die immers ook met bezuinigingen worden geconfronteerd. Culturele instellingen en andere typen ANBI’s zijn om verschillende redenen niet vergelijkbaar. Dit
wetsvoorstel is in het Regeer- en Gedoogakkoord nadrukkelijk in het kader van de bezuinigingen op de cultuursector geplaatst. Dit wetsvoorstel biedt daarom, naast een aantal faciliteiten die voor alle ANBI’s begunstigend zijn, een aantal specifieke faciliteiten voor culturele instellingen. Daar komt bij dat is gebleken dat giften aan cultuur in het geheel van particuliere giften slechts een fractie zijn. Daarom is de (tijdelijke) multiplier in het bijzonder mede bedoeld om het aandeel van giften aan culturele instellingen in het geheel van de giftenmassa substantieel toe te laten nemen.
(…) Het kabinet constateert dat het aandeel giften aan culturele instellingen in de totale giftenmassa relatief klein is en stelt zich met de multiplier tot doel om dit aandeel substantieel toe te laten nemen. De bedoeling van het kabinet met de multiplier is derhalve
fondswerving van culturele instellingen (tijdelijk) extra te ondersteunen en dergelijke instellingen in staat te stellen meer donaties te verwerven. De multiplier leidt immers tot een hoger belastingvoordeel bij aftrekbare giften en dus kan de donateur een hogere gift doen bij een gelijkblijvende netto besteding. Hoeveel de gift toe kan nemen bij een gelijkblijvende netto besteding is afhankelijk van het marginale tarief waartegen de giften afgetrokken kunnen worden.
(…) Zoals hiervoor is aangegeven, is de uiteindelijke bedoeling van de multiplier niet om de donateur van die instellingen meer te bevoordelen, maar om de instellingen in staat te stellen meer giften te werven en meer donateurs aan zich te binden. Donateurs kunnen door de multiplier een hogere gift aan een culturele instelling doen, zonder dat dit tot een hogere netto bijdrage van de donateur leidt.
(…) Zoals hiervoor aangegeven is de bedoeling van de multiplier dat culturele
instellingen meer donateurs en meer giften kunnen gaan werven. Door de
kosten van een gift op het niveau van de donateur te verlagen, kan een
donateur eerder worden bewogen te geven en bovendien een grotere gift
te doen.”
13. Uit de weergegeven passages volgt dat ook de wetgever van oordeel is dat geen sprake is van gelijke gevallen en dat er bewust voor is gekozen de multiplier alleen toe te kennen bij giften aan culturele instellingen en niet aan andere ANBI’s. De keuze van de wetgever om uitsluitend giften aan culturele instellingen in aanmerking te laten komen voor de multiplier valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt bij het vormgeven van fiscale faciliteiten. Het gemaakte onderscheid tussen giften aan culturele instellingen en andere instellingen is niet van iedere redelijke grond ontbloot. De omstandigheid dat het gaat om een faciliteit die niet direct samenhangt met de draagkracht van de belastingplichtige die de gift doet maakt dit niet anders.
14. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het gelijk aan de zijde van verweerder is. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
15. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).