Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4700

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/15/375989
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft momenteel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en er bestaat een voorlopige ondertoezichtstelling.

De moeder, die het ouderlijk gezag heeft, is het niet eens met het verzoek en betwist dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing. De minderjarige heeft wisselende verklaringen gegeven over mishandeling door de moeder, wat aanleiding geeft tot ernstige twijfel over haar emotionele en fysieke veiligheid thuis.

De kinderrechter oordeelt dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Er is een ernstig vermoeden van onveiligheid, en het is van belang dat nader onderzoek plaatsvindt naar de wensen en veiligheid van de minderjarige. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt tot het einde van de voorlopige ondertoezichtstelling.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot het einde van de voorlopige ondertoezichtstelling wegens ernstig vermoeden van onveiligheid bij de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/375989 / JU RK 26-480
Datum uitspraak: 1 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdamte Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.E. Oud uit Krommenie.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de beschikking van 24 maart 2026 mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren is geweest op 1 april 2026. Aanwezig waren:
- de moeder met een tolk en met haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [de minderjarige] tante van moederszijde (mz) om tijdens de zitting aanwezig te zijn.
1.4.
[de minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om haar mening te geven. Namens [de minderjarige] heeft [jeugdhulpaanbieder] (hierna te noemen: [jeugdhulpaanbieder] ) op 31 maart 2026 een e-mail gestuurd met het standpunt van [de minderjarige] . Nu niet duidelijk is of [de minderjarige] ermee akkoord is dat deze e-mail wordt gedeeld met de moeder of anderen, heeft de kinderrechter de inhoud daarvan tijdens de zitting niet samengevat.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 11 februari 2026 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 11 mei 2026. Ook is een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg tot 11 maart 2026. Bij beschikking van de kinderrechter van 20 februari 2026 is deze machtiging verlengd tot 25 maart 2026.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 24 maart 2026 is (opnieuw) een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of (aansluitend) een voorziening voor pleegzorg tot 21 april 2026, waarbij de beslissing op het verzoek voor het overige is aangehouden tot de zitting van 1 april 2026 om de belanghebbenden de mogelijkheid te geven te worden gehoord door de kinderrechter.

3.Het (resterende) verzoek

3.1.
De GI verzoekt in aansluiting op de spoedmachtiging om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI onderbouwt het verzoek als volgt. [de minderjarige] heeft meerdere keren aangegeven dat zij is geslagen door de moeder. Sinds [de minderjarige] verblijf bij [jeugdhulpaanbieder] zijn er ongeveer zes omgangsmomenten geweest tussen [de minderjarige] en de moeder (eerst begeleid, daarna onbegeleid). Daarbij is weinig warmte tussen [de minderjarige] en de moeder te zien en daarbij richt de moeder zich veel op [de minderjarige] schoolgang. Het eerste logeermoment bij de moeder is niet positief verlopen en (ook daar) vertellen [de minderjarige] en de moeder allebei iets anders over. Volgens de GI moet nu eerst hulp van [hulpverleningsorganisatie] worden ingezet voor de moeder om haar te ondersteunen bij [de minderjarige] opvoeding en om haar te leren aansluiten bij [de minderjarige] emotionele behoeften. Het is daarom niet in het belang van [de minderjarige] en niet in het belang van de moeder om [de minderjarige] weer bij de moeder te laten wonen. Nu [de minderjarige] steeds meer verwijderd raakt van haar familie en overvraagd wordt bij [jeugdhulpaanbieder] , wil de GI – nadat een veiligheidscheck heeft plaatsgevonden – dat [de minderjarige] tijdelijk bij de tante (mz) gaat wonen. [de minderjarige] zal een vertrouwenspersoon, hulp, diagnostiek en behandeling krijgen.
3.3.
De GI heeft hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat [de minderjarige] erg angstig is en niet bij de moeder wil verblijven. Zoals uit de e-mail van [jeugdhulpaanbieder] volgt, zegt [de minderjarige] tegen de een dit en tegen de ander dat als het erom gaat of zij bij de tante (mz) wil verblijven en ook vertelt zij verschillende verhalen over de mishandelingen door de moeder. Daarom moet nog beter worden uitgezocht wat [de minderjarige] van de mogelijke netwerkplaatsing bij de tante (mz) vindt en moet verder worden onderzocht wat de (on)mogelijkheden van deze netwerkplaatsing zijn. Uit de stukken volgt dat [de minderjarige] in 2023 meerdere keren contact heeft opgenomen met verschillende instanties, (onder andere) een adoptiewebsite. De inzet van hulpverlening is nodig om te onderzoeken wat er met [de minderjarige] is en wat er tussen [de minderjarige] en de moeder is gebeurd.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder en haar advocaat hebben tijdens de zitting aangegeven dat de moeder het niet eens is met het verzoek en ook niet met een mogelijke netwerkplaatsing van [de minderjarige] bij de tante (mz), omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een machtiging tot uithuisplaatsing. In 2023 is er één keer sprake geweest van een Veilig Thuis melding vanuit [de minderjarige] , waarna [de minderjarige] aangaf dat zij niet uit huis geplaatst wilde worden. Op 20 februari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing met vijf weken verlengd, omdat er meer duidelijkheid moest komen over de mogelijke fysieke onveiligheid. Ook toen was dat namelijk al weinig onderbouwd en [de minderjarige] vertelde daar wisselende verhalen over. In de afgelopen periode heeft de GI niet de nodige duidelijkheid gegeven. Uit de verslagen volgt niet dat er sprake zou zijn van acute dreigingen of onveiligheid bij de moeder. Nu [de minderjarige] verschillende verhalen vertelt, moet onderzocht worden wat er mogelijk bij haar speelt. Vóór de melding van 11 februari 2026 waren er geen problemen tussen [de minderjarige] en de moeder. De moeder staat open voor hulpverlening, ook (dagelijks) bij haar thuis. Tijdens de ondertoezichtstelling zijn er dan ook voldoende mogelijkheden om de zorgen over [de minderjarige] te verminderen. Daarbij komt dat het sinds [de minderjarige] plaatsing bij [jeugdhulpaanbieder] volgens de GI steeds slechter met haar gaat. In februari 2026 is [de minderjarige] ook vaak niet op school geweest.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van wat tijdens de zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om het in genoemde beschikking van 24 maart 2026 geformuleerde oordeel te wijzigen. Die beschikking wordt dan ook gehandhaafd. Hierna volgt waarom.
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [1] Al in 2023 heeft [de minderjarige] bij verschillende instanties gemeld dat de moeder haar slaat, en daarvan zijn meldingen gedaan bij Veilig Thuis. [de minderjarige] heeft bij Veilig Thuis ook aangegeven dat zij moest liegen over de thuissituatie bij de moeder. Ook is duidelijk dat [de minderjarige] , die nu bijna 14 jaar is, in februari 2026 op school heeft gesproken over onveiligheid bij de moeder thuis. Wat [de minderjarige] en de moeder hierover vertellen staat lijnrecht tegenover elkaar en [de minderjarige] vertelt hierover ook wisselend, afhankelijk van met wie zij praat. Ook al zou de thuissituatie bij de moeder anders zijn dan [de minderjarige] aangeeft, dan roept dat ernstige twijfel op over haar emotionele veiligheid bij de moeder en haar familie. Hoewel nu dus onduidelijk is wat er precies in de thuissituatie bij de moeder is gebeurd, is er wel sprake van een ernstig vermoeden van emotionele en/of fysieke onveiligheid in de thuissituatie bij de moeder, wat maakt dat [de minderjarige] nu niet bij de moeder wil en kan wonen. Dat [de minderjarige] aan verschillende personen verschillende antwoorden geeft op de vraag op welke andere plek zij wil verblijven, versterkt die twijfel omdat het erop lijkt dat als [de minderjarige] zich op haar gemak voelt, zij aangeeft dat zij niet naar de moeder wil omdat zij zich daar niet veilig voelt en bang is.
5.3.
Door deze onduidelijkheid is het van groot belang dat de GI de komende periode onderzoekt waar [de minderjarige] wil verblijven en waar zij veilig kan verblijven. Het is verder nu onvoldoende gebleken dat [de minderjarige] plaatsing bij [jeugdhulpaanbieder] zo’n negatieve invloed op haar heeft dat zij daar voorlopig niet kan verblijven. Dat [de minderjarige] door het verblijf bij [jeugdhulpaanbieder] te ver verwijderd zou raken van de moeder en haar familie is onvoldoende gebleken omdat er vanuit [jeugdhulpaanbieder] actief geprobeerd wordt om de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder te faciliteren en te begeleiden. De kinderrechter gaat er vanuit dat dit in de komende periode wordt voortgezet.
5.4.
De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
Verleent, in aansluiting op de reeds verleende spoedmachtiging, met ingang van 21 april 2026 en voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 11 mei 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 door mr. J.C.M. Swinkels, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.