ECLI:NL:RBNHO:2026:471

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
23-1663
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:72 AwbWet algemene bepalingen omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gegrondverklaring handhavingsbesluit gebruik pand voor detailhandel en bewoning

Eiser is eigenaar van een pand in Nieuw-Vennep waar een huurder een witgoedverkoop exploiteert. Het college trad handhavend op tegen het gebruik van het pand voor detailhandel en bewoning, waarna eiser bezwaar maakte en een omgevingsvergunning aanvroeg om de situatie te legaliseren.

De rechtbank oordeelt dat ten tijde van de beslissing op het bezwaar een van rechtswege verleende vergunning voor detailhandel bestond, waardoor het college niet langer bevoegd was om handhavend op te treden tegen detailhandel. Voor bewoning van het pand is echter geen vergunning verleend en is sprake van een overtreding, zodat handhaving daarop gerechtvaardigd is.

Eiser kon geen geslaagd beroep doen op het gelijkheidsbeginsel omdat hij onvoldoende concrete vergelijkbare gevallen had onderbouwd. De rechtbank vernietigt het deel van het besluit dat handhaving tegen detailhandel betreft en verklaart het bezwaar gegrond, terwijl het besluit over handhaving tegen bewoning in stand blijft.

Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter Affourtit-Kramer en griffier Vermeij op 23 januari 2026.

Uitkomst: Het handhavingsbesluit tegen detailhandel wordt vernietigd wegens een van rechtswege verleende vergunning, handhaving tegen bewoning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/1663

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L.T. van Eijck van Heslinga),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,

(gemachtigde: mrs. V. van Toledo en T. Janssens).

Samenvatting

1. Eiser is eigenaar van de [adres 1] in Nieuw-Vennep . In dit pand wordt (door een huurder van eiser) een onderneming geëxploiteerd in verkoop van witgoed. In januari 2021 heeft het college daar handhavend tegen opgetreden en ook tegen het gebruik van het pand voor bewoning. Eiser heeft vervolgens een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning met het doel de situatie te legaliseren. Deze zaak gaat over de vraag of het college tot handhaving kon overgaan.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er ten tijde van de beslissing op het bezwaar van eiser, geen sprake meer was van een overtreding wat betreft het gebruik van het pand voor detailhandel. Eiser beschikte namelijk toen over een vergunning die hem van rechtswege was verleend. Het college was daarom niet langer bevoegd om daarop te handhaven. Dit ligt anders voor bewoning van het pand. Daarop kon het college wel handhaven. Eiser kan geen geslaagd beroep doen op het gelijkheidsbeginsel. Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk en in zoverre is het beroep gegrond.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Het college heeft op 27 januari 2021 een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. Met het bestreden besluit van 8 februari 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, in afwachting van de uitkomst van de zogenoemde legalisatiekwestie. Het beroep daarover is in de loop van 2025 bij de rechtbank ingediend en geregistreerd onder nummer HAA 25-459.
3.3
Op 14 oktober 2025 heeft de rechtbank het beroep voor een tweede keer op zitting behandeld, samen met het beroep met nummer HAA 25-459. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
3.4
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
4.1
Eiser is eigenaar van het gebouw aan de [adres 1] in Nieuw-Vennep . Op grond van het bestemmingsplan ‘ Nieuw-Vennep Oost’ geldt ter plekke de enkelbestemming ‘bedrijf’, met functieaanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ en ‘specifieke vorm van detailhandel-autoverkoop’.
4.2
Op 15 juni 2018 heeft een inspecteur van de gemeente een controle uitgevoerd op dat adres. De inspecteur constateerde toen dat de eerste etage van het gebouw werd gebruikt voor bewoning, dat er witgoed tentoongesteld en opgesteld stond en dat op internet was te zien dat dit witgoed te koop wordt aangeboden. Naar aanleiding hiervan heeft het college op
1 augustus 2018 aan eiser een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd. Eiser heeft daarop een zienswijze ingediend.
4.3
Op 27 januari 2021 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. In dat besluit gelast het college eiser om uiterlijk op 1 augustus 2021
“1. de detailhandelsactiviteiten in bedrijfsgebouw, zoals de verkoop van witgoed, te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden;
2. de bewoning in het gebouw te (doen) beëindigen en beëindigd te (doen) houden;
3. alle slaapvoorzieningen, zoals bedden, matrassen en slaapbanken uit het gebouw te verwijderen en verwijderd te houden;
4. het bedrijfsgebouw ongeschikt te maken voor (zelfstandige) bewoning. (…).”
In het besluit staat ook dat eiser een dwangsom van € 77.600,- ineens moet betalen als hij niet op tijd of niet volledig voldoet aan de last onder 1. Als eiser niet op tijd of niet volledig aan de last onder 2, 3, of 4 voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 22.400,-ineens.
4.4
Eiser heeft bezwaar gemaakt. Het college heeft op 2 augustus 2021 de begunstigingstermijn aangepast, in die zin dat die is gesteld op zes weken na de verzenddatum van de beslissing op het bezwaarschrift.
4.5
Op 28 juni 2022 heeft eiser een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag zag op het afwijkend gebruik van het gebouw voor detailhandel voor witgoed. Deze aanvraag heeft geleid tot de procedure bij de rechtbank met nummer HAA 25-459. Bij uitspraak van 23 januari 2026 concludeerde de rechtbank dat het college niet op tijd op de aanvraag heeft beslist, dat daardoor op 24 augustus 2022 een van rechtswege vergunning is ontstaan waarmee het gebruik voor detailhandel is vergund en dat die situatie niet gewijzigd is.
4.6
In de beslissing op bezwaar, met verzenddatum 8 februari 2023 (het bestreden besluit), is het college bij de opgelegde last gebleven maar heeft hij de dwangsommen die zijn verbonden aan onderdelen 2, 3 en 4 van de last aangepast. Voor elk van die onderdelen is de dwangsom € 7.400,- geworden.
4.7
Bij besluit van 7 maart 2023 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de datum van de uitspraak op het beroep dan wel zes weken na intrekking van het beroep.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Het beroep richt zich van rechtswege ook tegen het besluit van 7 maart 2023.
Omgevingswet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht?
6. De rechtbank beoordeelt het geschil aan de hand van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024.
6.1
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
6.2
Bij besluit van 27 januari 2021 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Algemeen toetsingskader handhaving
7. Als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving staat dus voorop. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Zijn er overtredingen?
8. De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of er sprake is van een of meerdere overtredingen. Alleen in dat geval rust op het college een beginselplicht tot handhaving. De rechtbank beoordeelt daarom of er een overtreding is wat betreft het gebruik van het gebouw voor de detailhandel voor verkoop van witgoed en daarna of er een overtreding is wat betreft bewoning van het gebouw.
Is ter plaatse detailhandel in witgoed toegestaan?
8.1
Partijen verschillen van mening over de vragen of de verkoopactiviteiten moeten worden beschouwd als detailhandel en of deze activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan. De rechtbank ziet geen aanleiding om nader op die vragen in te gaan. In de zaak met nummer HAA 25-459 is namelijk geoordeeld dat op 24 augustus 2022 van rechtswege een vergunning is ontstaan, voor het gebruik van het gebouw voor detailhandel in witgoed en dat deze vergunning nadien niet is vervangen door een andersluidend besluit.
8.2
De van rechtswege vergunning is ontstaan vóórdat het college het bestreden besluit nam. Gevolg is dat op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, er geen overtreding was wat betreft de detailhandel in witgoed. Vanwege het ontbreken van een overtreding, was het college op dat moment niet langer bevoegd om tot handhaving over te gaan voor zover het die detailhandel betrof. Het college heeft dit ten onrechte niet betrokken bij het bestreden besluit, waardoor dat besluit niet in stand kan blijven. Dit betekent dat het beroep van eiser tegen dit deel van het besluit gegrond is.
Is bewoning van het gebouw toegestaan?
8.3
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat het in strijd is met het bestemmingsplan om in een deel van het pand woonruimte te realiseren en dat deel als zodanig te gebruiken. Daarvoor is van belang dat uit artikel 4.1 onder b van het bestemmingsplan volgt dat een ‘bedrijfswoning’ enkel is toegestaan binnen de bestemming ‘bedrijf’ als het perceel die aanduiding heeft en de rechtbank stelt vast dat het perceel die functieaanduiding niet heeft. Een woning, niet zijnde bedrijfswoning, is op grond van het bestemmingsplan ook niet toegestaan. De door eiser genoemde schaarste van woningen en de noodzaak van een (bedrijfs)woning, maken dat niet anders.
8.4
Dit betekent dat sprake is van een overtreding wat betreft bewoning van het gebouw. Het college is in beginsel gehouden om daartegen handhavend op te treden.
Had het college moeten afzien van handhaving?
9. De vraag of er aanleiding was voor het college om van handhaving af te zien, speelt alleen bij de bewoning van het gebouw. Bij het gebruik voor detailhandel speelt die vraag niet, omdat er ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een overtreding en het college dus sowieso op dat onderwerp niet tot handhaving kon over gaan.
9.1
Eiser stelt dat hij al meerdere keren heeft gewezen op een groot aantal gevallen van
bewoning van gedeelten van dergelijke panden , zonder dat daarvoor een specifieke bestemming is gegeven. Daarmee beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel. Het is aan eiser om zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met concrete gevallen die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie. Daarbij geldt dat het specifieke geval wat betreft de feiten èn het toepasselijk juridisch regime vergelijkbaar moet zijn.
9.2
Eiser wijst onder andere op [adres 2] in Nieuw-Vennep , waarvoor volgens hem van rechtswege een vergunning voor bewoning is verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen gelijke situatie, omdat voor die bewoning kennelijk een vergunning was aangevraagd, terwijl eiser daar geen aanvraag voor heeft ingediend. Vanwege het ontbreken van die aanvraag, gaat ook de vergelijking niet op met de panden aan de [adres 3] en [adres 4] in Cruquius. Daar komt bij dat de rechtbank het college volgt in het standpunt dat eiser niet kon volstaan met de lijst die hij in bezwaar had overgelegd. Eiser heeft namelijk niet concreet onderbouwd dat en waarom sprake is van gelijke gevallen.
9.3
In beroep heeft eiser erop gewezen dat hij in maart 2023 en mei 2023 diverse handhavingsverzoeken heeft ingediend. Voor zover hij daarmee mogelijk ongelijkheid van situaties heeft willen opheffen, is hij daar niet in geslaagd. Die handhavingsverzoeken zijn namelijk ingediend nadat het college het bestreden besluit nam en daarom niet relevant voor de vraag of het college in het bestreden besluit terecht de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel heeft gepasseerd.
9.4
De door eiser genoemde schaarste van woonruimte hoefde voor het college geen aanleiding te zijn om van handhaving af te zien. De rechtbank volgt eiser daarom niet in dat standpunt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond wat betreft het gebruik van het pand voor detailhandel in witgoed. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij het college is gebleven bij het besluit om op dat punt te handhaven. Het bestreden besluit kan wel in stand blijven voor zover het gaat om handhaving tegen bewoning van het pand.
11. Nu er sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning die detailhandel voor witgoed toestaat is de rechtbank van oordeel dat er bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van eiser tegen de handhaving op het gebruik voor detailhandel in witgoed maar één uitkomst mogelijk is, namelijk dat het bezwaar gegrond wordt verklaard en dat verder afgezien wordt van handhaving op dit punt. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing nemen en bepalen dat deze beslissing in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om het primaire besluit te herroepen, omdat ten tijde van het nemen van dat besluit er nog geen omgevingsvergunning lag. Zoals al gezegd, kan de beslissing op het bezwaar tegen de handhaving op bewoning van het pand in stand blijven. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of het primaire besluit op dat punt wel of niet herroepen zou moeten worden.
12. Omdat het beroep gegrond is moet college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Dit omdat het primaire besluit niet wordt herroepen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond, voor zover dat ziet op de handhaving tegen het gebruik van het pand voor detailhandel voor witgoed;
- vernietigt het besluit van 8 februari 2023 voor zover daarin het college is gebleven bij de beslissing op handhavend op te treden tegen het gebruik van het pand voor detailhandel in witgoed;
- verklaart het bezwaar gegrond en bepaalt dat er verder af wordt gezien van handhaving ten aanzien van het gebruik van het pand voor detailhandel;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 8 februari 2023;
- bepaalt dat college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Vermeij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.