Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4723

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/15/377401
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleeggezin. De minderjarige is voorlopig onder toezicht gesteld en reeds uit huis geplaatst op basis van eerdere beschikkingen. De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar de minderjarige kan niet bij haar verblijven.

De kinderrechter heeft meerdere eerdere beschikkingen gegeven, waaronder een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing. De GI verzoekt nu om verlenging van de uithuisplaatsing omdat de geplande opname in een moeder-kind huis door plaatsgebrek is vertraagd. De moeder kan pas vanaf 18 mei 2026 in het moeder-kind huis terecht.

De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is dat hij in het pleeggezin blijft totdat plaatsing in het moeder-kind huis mogelijk is. Gezien het onmiddellijke en ernstige gevaar voor de minderjarige kan niet worden gewacht op een zitting. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken verleend en direct uitvoerbaar verklaard.

De GI en belanghebbenden worden uitgenodigd hun mening te geven, en verdere beslissingen worden aangehouden. De beschikking is gegeven door kinderrechter A.S. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin voor vier weken, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/377401 / JU RK 26-653
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 30 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 maart 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 3 juni 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 10 maart 2026 [de minderjarige] met spoed uithuisgeplaats in een pleeggezin voor de duur van 4 weken en de beslissing voor het overige verzochte aangehouden tot de zitting van 13 maart.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 maart 2026 de machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 juni 2026.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 3 april 2026 is een spoedmachtiging voor [de minderjarige] in een pleeggezin verleend voor de duur van vier weken, te weten tot 5 mei 2026. De kinderrechter heeft voorts bepaald dat de belanghebbenden zullen worden gehoord op de zitting van 15 april 2026.
2.6.
Op 3 april 2026 heeft de advocaat van de moeder de kinderrechter bericht dat hij op 15 april 2026 is verhinderd. De kinderrechter heeft daarom bepaald dat de belanghebbenden zullen worden gehoord op de zitting van 9 april 2026. In wat ter zitting naar voren is gekomen heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om het in voormelde beschikking van 3 april 2026 geformuleerde oordeel te wijzigen. Die beschikking wordt dan ook gehandhaafd.
2.7.
[de minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, zodra er een plek beschikbaar is in een moeder-kind huis.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
Nu de machtiging plaatsing in pleeggezin maandag 4 mei 2026 afloopt maar de moeder onverhoopt door plaatsgebrek op 1 mei a.s. nog niet terechtkan in het moederkind huis zoals gepland, is verlenging nodig van de plaatsing in het pleeggezin. [de minderjarige] kan niet bij de moeder in [verblijfplaats] verblijven. Moeder kan met [de minderjarige] per 18 mei 2026 terecht in het moederkind huis [locatie] in [plaats] . Dan zal ook zijn voldaan aan de door het huis gestelde voorwaarden dat een tolk beschikbaar is gedurende een aantal uren per week en dat de bezetting voldoende is voor de eerste opvang.
4.2.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] in het pleeggezin blijft wonen tot hij met de moeder in het moederkind huis terecht kan. [1]
4.3.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.5.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een pleeggezin met ingang van 30 april 2026 tot 28 mei 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de GI en de moeder op voor de zitting van mr. J.H. Broek op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank in de Appelaar, Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. van Leeuwen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).