De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleeggezin. De minderjarige is voorlopig onder toezicht gesteld en reeds uit huis geplaatst op basis van eerdere beschikkingen. De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar de minderjarige kan niet bij haar verblijven.
De kinderrechter heeft meerdere eerdere beschikkingen gegeven, waaronder een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing. De GI verzoekt nu om verlenging van de uithuisplaatsing omdat de geplande opname in een moeder-kind huis door plaatsgebrek is vertraagd. De moeder kan pas vanaf 18 mei 2026 in het moeder-kind huis terecht.
De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is dat hij in het pleeggezin blijft totdat plaatsing in het moeder-kind huis mogelijk is. Gezien het onmiddellijke en ernstige gevaar voor de minderjarige kan niet worden gewacht op een zitting. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken verleend en direct uitvoerbaar verklaard.
De GI en belanghebbenden worden uitgenodigd hun mening te geven, en verdere beslissingen worden aangehouden. De beschikking is gegeven door kinderrechter A.S. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam.