Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4774

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
HAA 25/5526
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.40 OmgevingswetArt. 4:8 AwbArt. 8:86 AwbArt. 2.33 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking omgevingsvergunning uit 1969 wegens niet-gebruik en bescherming werelderfgoed Beemster

Eisers, eigenaren van een woning in Zuidoostbeemster, wilden uitvoering geven aan een in 1969 verleende omgevingsvergunning voor uitbreiding van hun pand. Het college van burgemeester en wethouders van Purmerend trok deze vergunning in april 2025 in, omdat er sinds 1969 langere perioden van meer dan een jaar waren waarin geen gebruik van de vergunning was gemaakt. Eisers stelden dat zij al waren begonnen met de uitvoering en dat de intrekking onredelijk en in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel was.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het college bevoegd was tot intrekking op grond van artikel 5.40 van de Omgevingswet. Uit het inspectierapport en de overgelegde stukken bleek niet dat daadwerkelijk uitvoering was gegeven aan de vergunning uit 1969. Eisers konden geen concreet bewijs leveren van investeringen of bouwactiviteiten die specifiek op deze vergunning waren gebaseerd. Het college had het belang van bescherming van de kernkwaliteiten van het werelderfgoed Beemster zwaarder gewogen dan de belangen van eisers.

De rechtbank oordeelde dat het beroep van eisers ongegrond was en dat het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De intrekking was niet in strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, omdat eisers niet konden vertrouwen op het behoud van de vergunning gezien de lange niet-gebruikperiode en de communicatie van het college. Eisers hadden bovendien de mogelijkheid gehad om een aangepast bouwplan in te dienen, maar hadden dit niet gedaan. De woning kon ook op andere wijze worden vergroot zonder de oude vergunning te gebruiken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de omgevingsvergunning uit 1969.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/5526 en 25/4841
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit Zuidoostbeemster, eisers

(gemachtigde: mr. C.A. Gentile Martin),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend, het college
(gemachtigden: R.G. van der Eijck, T.W. Wijte en S. den Das).

Samenvatting

1.1
Eisers zijn eigenaren van een woning (vroeger was het een woning met winkel) aan de [adres] in Zuidoostbeemster. In 1969 is aan een vorige eigenaar van deze woning een vergunning verleend voor het vernieuwen, vergroten en wijzigen van het woon/winkelpand. Eisers wensen alsnog uitvoering te geven aan deze in het verleden verstrekte vergunning. Het college heeft echter op 9 april 2025 de vergunning uit 1969 ingetrokken. Eisers zijn het niet eens met deze intrekking en hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.2
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de in 1969 verleende vergunning heeft mogen intrekken, omdat sinds 1969 meer dan een jaar geen uitvoering is gegeven aan die vergunning en niet gebleken is dat intrekking leidt tot onevenredige gevolgen voor eisers. Eisers krijgen dus geen gelijk. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1
Het college heeft de in 1969 verleende vergunning bij besluit van 9 april 2025 ingetrokken. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
2.2
Het college is bij intrekking van de vergunning uit 1969 gebleven en heeft het bezwaar met het besluit van 27 oktober 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.3
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.4
De voorzieningenrechter heeft eisers gevraagd om een nadere onderbouwing van het spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Eisers hebben in reactie hierop een nadere onderbouwing gegeven.
2.5
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
2.6
De voorzieningenrechter heeft op de zitting de behandeling van de zaak aangehouden en met partijen afspraken gemaakt die zijn neergelegd in een proces-verbaal van afspraken. Afgesproken is -kort samengevat- dat de behandeling van het verzoek zal worden aangehouden, dat nader overleg zal plaatsvinden tussen partijen om te onderzoeken of door het college goedkeuring kan worden verleend aan eisers voor een door eisers ter zitting gepresenteerd bouwplan, en dat eisers de rechtbank na dit overleg zullen berichten of nog een uitspraak op het verzoek nodig is.
2.7
Bij brief van 13 februari 2025 (met bijlagen) hebben eisers de voorzieningenrechter bericht dat een uitspraak nog nodig is, omdat het overleg niet heeft geleid tot een oplossing.
2.8
Hierop heeft het college op 13 februari 2026 gereageerd met het verzoek om uitstel voor het geven van een nadere reactie. Bij brief van 19 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter het college een termijn gesteld van een week om te reageren op de brief van eisers van 13 februari 2026.
Op 25 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter een nadere reactie van het college ontvangen op de brief van eisers van 13 februari 2026.
2.9
Op 4 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter partijen bericht voornemens te zijn uitspraak te doen zonder nadere zitting tenzij partijen binnen twee weken na dagtekening van genoemde brief aangeven hiertegen bezwaar te hebben. De voorzieningenrechter heeft geen reactie van partijen ontvangen.

Vaststaande feiten

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn.
3.1
In 1969 is blijkens een op 16 juni 1969 door de secretaris van de gemeente Beemster gestempelde bouwtekening een vergunning verleend genummerd [nummer] voor de uitbreiding van het winkelpand aan de [adres] te Zuidoostbeemster.
3.2
In 1970 is een vergunning voor een gewijzigde voorgevel afgegeven. Daarop is een nieuwe dakkapel aangegeven, met daarbij de aantekening “tijdelijk”. Bij de voorgevel op de begane grond is aangegeven “ongewijzigd”.
3.3
Eisers hebben de woning aan de [adres] in Zuidoostbeemster gekocht in 2023. In datzelfde jaar is een omgevingsvergunning verleend voor een wijziging van de voorgevel, waarbij de gevelindeling van de benedenverdieping is gewijzigd.
3.4
Op 25 april 2024 hebben eisers een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de verbouw van het pand. Deze aanvraag zag op het wijzigen van de bouwstructuur van het pand en het toevoegen van extra bouwvolume aan de eerste verdieping. Het college heeft op de aanvraag gereageerd en gesteld dat het bouwplan vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar is, omdat de opbouw zich niet alleen achter het hoofdgebouw manifesteert, maar ook daarnaast (boven de garage). Dit tast het straatbeeld volgens het college aan. Het college heeft eisers daarom in de gelegenheid gesteld een gewijzigde aanvraag in te dienen.
3.5
Eisers hebben op 8 juli 2024 een gewijzigde aanvraag ingediend, waarbij de bestaande woning wordt uitgebreid met een extra verdieping. De gemeentelijke commissie omgevingskwaliteit heeft op 15 juli 2024 geadviseerd om niet akkoord te gaan.
3.6
Op 24 juli 2024 hebben eisers een nieuw plan aan het college voorgelegd die deels overeenkomt met het bouwplan waarvoor in 1969 vergunning is verleend. Op 15 augustus 2024 heeft het college schriftelijk aan eisers bericht dat geen medewerking zal worden verleend aan dit plan en zijn eisers in de gelegenheid gesteld het plan aan te passen.
3.7
Op 11 februari 2025 heeft het college vervolgens besloten de aanvraag om een omgevingsvergunning te weigeren, omdat eisers ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld niet zijn gekomen met een aangepast bouwplan.
3.8
Op 17 maart 2025 is het pand door een toezichthouder van het college bezocht. Van dat bezoek is door de toezichthouder een rapport opgemaakt. In dit rapport staat vermeld dat er aan de eerste verdieping nog niets is verbouwd of veranderd ter uitvoering van de in 1969 verleende vergunning.

Standpunten van partijen

Het besluit van 9 april 2025
4.1
Het college heeft de in 1969 verleend vergunning ingetrokken (a) voor zover die ziet op het vergroten/veranderen van de verdieping en het dak, omdat de vergunde activiteit lange tijd niet benut is en omdat er daarna allerlei planologische wijzigingen hebben plaatsgevonden en (b) voor zover die ziet op het veranderen van de voorgevel, omdat er in 2023 al een gewijzigde vergunning is afgegeven, en de in 1969 vergunde situatie van de voorgevel dus geen waarde meer heeft.
4.2
Het college heeft aan de intrekking van de in 1969 verleende vergunning ten grondslag gelegd dat het planologisch regiem sinds 1969 is gewijzigd in die zin dat de hele Beemster is opgenomen op de lijst van het werelderfgoed van de UNESCO. De gemeente Purmerend heeft gelet hierop de verplichting om er voor te zorgen dat de kernkwaliteiten van het werelderfgoed niet worden aangetast. Volgens het college worden deze kernkwaliteiten wel aangetast door het in 1969 vergunde bouwplan. Het college wil daarom niet meer dat dat wat in 1969 is vergund alsnog wordt gebouwd. Het college is daarom tot intrekking van de vergunning uit 1969 overgegaan. Het college heeft daarbij overwogen dat een groot deel van hetgeen in 1969 is vergund nog niet is uitgevoerd, terwijl eisers (die sinds 2023 eigenaar zijn) en de vorige eigenaren daar ruim de tijd voor hebben gehad. Eisers hebben door het afwachten het risico aanvaard dat de vergunning zal worden ingetrokken, aldus het college. Het is volgens het college verder ook niet wenselijk om de vergunning in stand te laten, omdat het pand destijds een winkelpand was en nu alleen nog bestemd is om in te wonen. Daarbij komt dat het eisers te doen is om vergroting van de woning, terwijl dit niet kan met hetgeen in 1969 is vergund. Bovendien is voor de wijziging van de voorgevel in 2023 al een omgevingsvergunning verleend. De vergunning uit 1969, zover die ziet op de wijziging van de voorgevel, is daarom niet meer van belang.
Het bestreden besluit van 27 oktober 2025
5.1
Het college stelt op grond van het bepaalde in artikel 5.40, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet bevoegd te zijn de omgevingsvergunning in te trekken, omdat gedurende een jaar geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
5.2
Het college stelt voorts in redelijkheid gebruik te hebben gemaakt van deze bevoegdheid, omdat er in ieder geval een periode is geweest van meer dan een jaar dat geen gebruik is gemaakt van de vergunning. Dat er gesproken is over de mogelijkheid om de vergunning uit 1969 (alsnog) te gebruiken, maakt niet dat ook al daadwerkelijk met de uitvoering was begonnen. Uit het inspectierapport van maart 2025 blijkt ook niet dat toen met de uitvoering was begonnen. Er was wel een deel van de achtergevel gesloopt, maar dit was onderdeel van de vergunningaanvraag uit 2024 en geen onderdeel van het bouwplan dat in 1969 is vergund. Eisers zouden aan de inspecteurs hebben verklaard dat er boven nog niets was gebeurd. De inspecteurs zijn uitgegaan van de juistheid van deze mededeling en zijn daarom niet boven gaan kijken. In bezwaar hebben eisers dit betwist en daarbij gesteld dat boven al wel was begonnen, maar uit de door eisers in bezwaar overgelegde foto’s blijkt dit volgens het college niet.
Het bouwplan dat in 1969 is vergund wijkt volgens het college voor wat betreft goothoogte en bouwhoogte enorm af van wat nu in het ter plaats geldende omgevingsplan is toegestaan [1] .
Daarbij komt dat het doel waarvoor de omgevingsvergunning in 1969 is aangevraagd volkomen achterhaald is. Het belang van de gemeente om planologische en stedenbouwkundige inzichten te beschermen laat het college daarom zwaarder wegen dan de belangen van eisers. Dat eisers schade zullen lijden door intrekking van de vergunning weegt voor het college niet op tegen dit algemene belang. Bovendien zijn eisers er nadrukkelijk op gewezen dat de vergunning uit 1969 mogelijk zal worden ingetrokken/ongeldig zou zijn. De kosten die eisers hebben gemaakt dienen daarom voor hun risico te blijven. De woning kan volgens het college ook op een andere dan de in 1969 vergunde wijze worden vergroot. Het college ziet daarom in de wens van eisers tot vergroting van de woning ook geen zwaarwegend belang dat in de weg staat aan intrekking van de vergunning uit 1969. Verder wijst het college er op dat intrekking van de vergunning niet betekent dat wat al is uitgevoerd moet worden teruggebracht naar de situatie van 1969. In 1970 zijn wijzigingen vergund en in 2023 ook. Die wijzigingen mogen dus gewoon blijven bestaan. Ook hierin ziet het college daarom geen belang dat in de weg staat aan intrekking van de in 1969 verleende vergunning.
De intrekking is in dit geval volgens het college daarom ook niet onevenredig, gelet op de gemaakte belangenafweging.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt volgens het college niet, omdat er geen toezegging is gedaan dat de vergunning niet zal worden ingetrokken.
Het standpunt van eisers
6. Eisers stellen ten eerste dat het college niet tot intrekking van de vergunning heeft mogen besluiten, omdat de vergunning uit 1969 ten tijde van de intrekking rechtsgeldig was en er wel een aanvang was gemaakt met de uitvoering van deze vergunning. Het college is er volgens eisers ten onrechte van uitgegaan dat er in maart 2025 op de bovenverdieping geen werkzaamheden plaatsvonden op basis van de in 1969 verleende vergunning. Eisers hebben dit ook niet verklaard. Het college is dus uitgegaan van een onjuist inspectierapport en dit inspectierapport is eigenlijk het enige waarop de intrekking is gebaseerd. Uit de door eisers overgelegde foto’s blijkt duidelijk dat er op de bovenverdieping ook al uitvoering werd gegeven aan de vergunning uit 1969. Eisers waren ten tijde van belang al bezig met het verwijderen van het dak. Eisers hebben in beroep diverse verklaringen overgelegd van buurtbewoners en van een makelaar waarin dit wordt bevestigd.
Ten tweede stellen eisers dat hun belangen niet geïnventariseerd en niet meegewogen zijn. De woning is nu onbewoonbaar en onverkoopbaar.
Ten derde is het bestreden besluit genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat de gevolgen van de intrekking voor eisers onevenredig groot zijn in verhouding tot het doel dat hiermee wordt gediend.
Tot slot stellen eisers dat de intrekking van de vergunning in strijd is met de rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Eisers mochten erop vertrouwen dat ze mochten bouwen zoals in 1969 was vergund.

Het toetsingskader

7. Artikel 5.40, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet luidt als volgt:
In andere gevallen dan bedoeld in artikel 18.10 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning intrekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning,
8.1
De voorzieningenrechter is bevoegd om in de voorlopige voorzieningenprocedure ook meteen in de hoofdzaak (in de beroepsprocedure) uitspraak te doen, als nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak [2] .
8.2
Eisers hebben desgevraagd ter zitting aangegeven dat ze nog meer tijd nodig hebben om nader bewijs te leveren voor hun stellingen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben eisers deze tijd gekregen. Eisers hebben na de zitting op 13 januari 2026 nog drie maanden de tijd gehad om nader bewijs aan te leveren. Eisers hebben ook van deze gelegenheid gebruikgemaakt door diverse verklaringen aan te leveren, alsmede een verklaring van een makelaar en een bouwkundig rapport. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan nader onderzoek mede gelet hierop redelijkerwijs niet meer bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak daarom meteen het beroep.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Bevoegdheid tot intrekking
9.1
Gesteld en niet betwist is dat er sinds 1969 perioden zijn geweest van langer dan een jaar waarin geen werkzaamheden zijn verricht ter uitvoering van de verleende vergunning. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat het college bevoegd was om de in 1969 verleende vergunning in te trekken.
9.2
De stelling dat er in het jaar direct voorafgaande aan de intrekking wel werkzaamheden zijn verricht in het kader van hetgeen in 1969 is vergund maakt dit, wat hier ook van zij, niet anders. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 januari 2025 [3] . De Afdeling oordeelde in die uitspraak dat uit de wettekst niet kan worden afgeleid dat de daar genoemde periode direct moet voorafgaan aan het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning. In deze uitspraak was weliswaar artikel 2.33, tweede lid, aanhef onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) [4] nog van toepassing en niet de Omgevingswet, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat het nu van toepassing zijnde (bijna gelijkluidende) artikel 5.40, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet op dezelfde wijze dient te worden uitgelegd. Dus ook als er direct voorafgaand aan de intrekking werkzaamheden zijn verricht leidt dat er, gelet op de eerdere perioden waarin geen werkzaamheden zijn verricht, niet toe dat het college niet meer mag intrekken.
Is intrekking in dit geval redelijk?
10.1
Zoals de Afdeling in de uitspraak van 22 januari 2025 heeft overwogen, moeten bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning alle betrokken belangen worden meegenomen en tegen elkaar afgewogen. Tot die belangen behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Bij de beoordeling of het intrekkingsbesluit in overeenstemming is met het recht, kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het intrekkingsbesluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het intrekkingsbesluit te dienen doelen.
10.2.
Eisers stellen, onder verwijzing naar diverse stukken waarin dit wordt verklaard, dat ze ten tijde van de intrekking van de vergunning uit 1969 al begonnen waren met bouwactiviteiten ter uitvoering van de vergunning uit 1969. Ze stellen dat ze daarom onevenredig door de intrekking van de vergunning worden geraakt. Daarbij stellen eisers dat ze al veel hebben geïnvesteerd in de realisatie van het bouwplan dat in 1969 is vergund, dat ze al met de vergunde verbouw waren begonnen en dat ze de woning door intrekking van de vergunning niet meer kunnen gebruiken als beoogd. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
10.3
De omstandigheid dat na het ontstaan van de bevoegdheid tot intrekking nog handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, is een omstandigheid die betrokken dient te worden bij de vraag of het college mocht overgaan tot de intrekking van de vergunning en in het bijzonder bij de belangenafweging die in dat kader moet worden gemaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is echter niet komen vast te staan dat eisers vóór de intrekking van de in 1969 verleende vergunning in april 2025 investeringen hebben gedaan en/of uitvoering hebben gegeven aan de vergunning uit 1969. Eisers hebben dit gesteld, maar hebben, ondanks dat hier in bezwaar en beroep expliciet naar is gevraagd, geen bewijs van overlegd in de vorm van een offerte of factuur van een aannemer of een offerte of factuur van bouwmaterialen waaruit dit blijkt.
Bovendien volgt uit de stukken en verklaringen die eisers wel hebben overgelegd slechts dat er rond de datum van de intrekking van de vergunning uit 1969 zou zijn gewerkt aan de bovenverdieping en het dak, maar daaruit volgt niet dat daadwerkelijk uitvoering werd gegeven aan de vergunning uit 1969. Overigens zijn eisers door het college al per mail van 7 november 2024 gewezen op de mogelijkheid dat de verleende vergunning wordt ingetrokken. Dit was in ieder geval voordat eisers een definitieve beslissing hadden genomen over hoe zij hun woning zouden gaan verbouwen, zo leidt de voorzieningenrechter af uit de mail van eisers van 18 november 2024 waarin eisers diverse verbouwmogelijkheden bespreken en vragen om nadere informatie om te kunnen komen tot een definitief (ver-)bouwplan. Van investeringen en bouwactiviteiten specifiek gericht op uitvoering van de vergunning uit 1969 zal dus toen nog geen sprake zijn geweest. Als eisers daarna toch hebben geïnvesteerd in bouwwerkzaamheden ter uitvoering van de vergunning uit 1969 en/of bouwactiviteiten hebben verricht ter uitvoering van die vergunning, dan hebben zij dat, gelet op de mail van het college van 7 november 2024, dus gedaan in de wetenschap dat de vergunning die daarvoor als basis nodig is, zou kunnen worden ingetrokken.
Dat de verbouw van de woning van eisers nu stil is komen te liggen met grote (vocht)schade tot gevolg, met het gevolg dat bewoning van de woning hierdoor niet (meer) goed mogelijk is en dat de woning mogelijk onverkoopbaar is, komt daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor risico van eisers.
10.4
De voorzieningenrechter ziet in de gedingtukken verder ook geen grond om te oordelen dat het college door intrekking van de vergunning het door eisers gewenste gebruik onmogelijk wordt gemaakt. Integendeel, uit de stukken blijkt dat het college voortdurend met eisers in gesprek is gegaan om te komen tot een aanvaardbaar bouwplan, maar dat eisers hier niet verder in mee hebben willen gaan. Zo hebben eisers afgezien van aanpassing van een in juli 2024 ingediende vergunningaanvraag en hebben eisers ook na de zitting afgezien van de mogelijkheid om in verder overleg met het college te komen tot een vergunningaanvraag voor een alternatief bouwplan.
10.5
Dat het college bij intrekking van de vergunning uit 1969 het belang bij bescherming van de kernkwaliteiten van de Beemster zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van eisers bij uitvoering van het bouwplan dat in 1969 is vergund komt de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande niet onredelijk voor.
Is de intrekking in strijd met het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel?
11.1
Met betrekking tot de vraag of het vertrouwensbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel in dit geval in de weg staat aan intrekking van de vergunning uit 1969 overweegt de voorzieningenrechter onder verwijzing naar rechtsoverweging 13.4.3 van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025 als volgt.
11.2
Het ontstaan van de bevoegdheid voor het betrokken bestuursorgaan tot intrekking van een omgevingsvergunning is enkel afhankelijk gesteld van een tijdsverloop van een jaar waarin geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Vast staat dat hetgeen in 1969 was vergund in 2023, toen eisers eigenaar zijn geworden van het pand, grotendeels nog niet was gerealiseerd. Eisers konden er daarom ten tijde van de verkrijging van het pand niet zonder meer van uitgaan dat de vergunning uit 1969 niet kon worden ingetrokken. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt daarom niet.
11.3
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [5] volgt dat degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel (eisers dus) aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen zijn gedaan of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit eisers in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs konden en mochten afleiden dat het college niet zou overgaan tot intrekking van de eerder verleende vergunning. Eisers zijn hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat het college heeft toegezegd niet over te gaan tot intrekking van de vergunning uit 1969. Daarentegen heeft het college per mail van 7 november 2025 eisers erop gewezen dat mogelijk (wel) zou worden besloten tot intrekking van de vergunning uit 1969. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.
Hadden eisers in de gelegenheid moeten worden gesteld om een zienswijze in te dienen?
12. Uit artikel 4:8 van Pro de Awb volgt dat eisers voorafgaand aan de intrekking van de vergunning uit 1969 in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om een zienswijze in te dienen, maar dat gebrek kan worden gepasseerd, omdat eisers zijn gehoord in bezwaar. [6] Doordat eisers in die fase in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunt ten aanzien van de intrekking naar voren te brengen is aannemelijk dat zij niet in hun belangen zijn geschaad.

Conclusie en gevolgen

13.1
Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de vergunning uit 1969 kon worden ingetrokken en dat eisers geen (verdere) uitvoering mogen geven aan deze vergunning.
13.2
Het verzoek om een voorlopige voorziening wijst de voorzieningenrechter af, omdat zij met deze uitspraak op het beroep beslist. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat ter zitting desgevraagd door eisers is gesteld dat het pand op dit moment wel wind- en waterdicht is.
13.3
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.toegestaan is een bouwhoogte van 750 cm en een goothoogte van 350 cm en het bouwplan voorziet in een bouwhoogte van 840 cm en een goothoogte van 570 cm.
2.Dit volgt uit artikel 8:86, eerste lid van de Awb
3.Deze is te vinden op
4.Hierin was bepaald dat een omgevingsvergunning voor bouwen kon worden ingetrokken, voor zover gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
5.Zie bijvoorbeeld de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025 in rechtsoverweging 13.1
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3608