ECLI:NL:RBNHO:2026:478

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/15/365752 / HA ZA 25-317
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • C. Sijm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 lid 1 BWArt. 7:17 lid 2 BWArt. 7:18a lid 2 BWArt. 7:23 lid 1 BWArt. 6:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over non-conformiteit en garantie bij financial lease auto

TCS kocht een Audi E-TRON uit 2019 via financial lease van [gedaagde]. Kort na aflevering traden herhaaldelijk storingsmeldingen op, waardoor de auto ongeschikt werd voor normaal gebruik. TCS ontbond de koopovereenkomst buitengerechtelijk wegens non-conformiteit en vorderde terugbetaling van de koopsom.

[gedaagde] betwistte dat de auto een gebrek vertoonde en stelde dat de storingen veroorzaakt werden door de door TCS gemonteerde banden. Tevens voerde zij klachtplichtschending en het ontbreken van verzuim aan. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke garantie van twaalf maanden, overeenkomstig artikel 7:18a lid 2 BW, ook bij deze zakelijke koop geldt, waardoor wordt vermoed dat de oorzaak van de storingen bij aflevering aanwezig was.

De bewijsopdracht ligt bij [gedaagde] om aan te tonen dat de storingen na aflevering zijn ontstaan. De rechtbank verwierp het verweer van klachtplichtschending en het ontbreken van verzuim, en achtte ontbinding gerechtvaardigd bij het niet slagen in het bewijs. De rechtbank stelde een termijn voor bewijslevering en benoeming van een deskundige in het vooruitzicht en hield verdere beslissing aan.

Uitkomst: Bewijsopdracht aan verkoper om te bewijzen dat storingsmeldingen na aflevering zijn ontstaan; verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/365752 / HA ZA 25-317
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
TOTAL CONTACT SOLUTIONS B.V.,
te Lelystad,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: TCS,
advocaat: mr. W.F. Wienen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A.A. Alciyan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2025
- de mondelinge behandeling van 11 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
TCS heeft op 13 februari 2024 voor € 38.500,00 een Audi E-TRON uit 2019 (hierna: de auto) gekocht van [gedaagde].
2.2.
TCS heeft de auto aangeschaft door middel van ‘financial lease’. Uit een overeenkomst tussen Averus Financial Services (hierna: AFS), TCS en [gedaagde] van 13 februari 2024 volgt dat AFS de eigenaar van de auto wordt en dat TCS aan het einde van de looptijd van de overeenkomst, nadat aan alle verplichtingen is voldaan (waaronder de betaling van 48 maandelijkse termijnen van € 493,44), het recht heeft om de auto te kopen en de eigendom daarvan te verwerven voor de koopoptieprijs van € 45,00.
2.3.
Op de door [gedaagde] opgemaakte factuur staat vermeld:

Garantie op geleverd voertuig
Duur mnd.
Max. km stand
12 maanden wettelijke garantie
12
2.4.
[gedaagde] heeft de auto op 14 februari 2024 aan TCS afgeleverd. Ten tijde van de aflevering was de kilometerstand 67.880.
2.5.
TCS heeft zich in mei 2024 bij [gedaagde] gemeld in verband met problemen aan de auto, onder meer vanwege een defecte homokineet. [gedaagde] heeft op 6 juni 2024, 20 juni 2024 en 10 juli 2024 reparatiepogingen gedaan. De laatste reparatiepoging leek aanvankelijk geslaagd, maar TCS heeft de auto op 15 juli 2024 vanwege een storing laten wegslepen door de ANWB. De auto is vervolgens afgeleverd bij [gedaagde]. [gedaagde] heeft gedurende enkele weken werkzaamheden aan de auto verricht en de auto op 16 augustus 2024 weer meegegeven aan TCS. Direct diezelfde dag heeft TCS de auto in verband met een storing opnieuw laten wegslepen. [gedaagde] heeft de auto vervolgens onderzocht, maar geen storing waargenomen. De auto is toen wederom aan TCS meegegeven.
2.6.
Op 23 augustus 2024 heeft TCS aan [gedaagde] een foto toegestuurd van de melding die op het dashboard verschijnt. Op het dashboard is te lezen: “
Elektrische installatie: storing! Wagen veilig neerzetten”.
2.7.
Op 2 september 2024 heeft TCS aan [gedaagde] bericht dat zij het afgelopen weekend veelvuldig last heeft gehad van de storingen en dat de auto telkens niet goed rijdbaar is.
2.8.
[gedaagde] heeft de auto op 20 september 2024 opgehaald, waarna zij de elektromotor heeft laten vervangen door A-Point. [gedaagde] heeft de auto in de periode tussen 20 september 2024 en 17 oktober 2024 meermaals proefgereden, maar geen storing waargenomen.
2.9.
Op 31 oktober 2024 heeft TCS zich opnieuw bij [gedaagde] gemeld vanwege de storingsmelding “
Elektrische installatie: storing! Wagen veilig neerzetten”.
2.10.
Op 12 november 2024 heeft TCS aan [gedaagde] bericht dat zij de storing zojuist weer heeft gehad, zodat zij ontbinding als enige mogelijkheid ziet. [gedaagde] heeft daarop geantwoord dat zij heeft geconstateerd dat er ruim 3% afrolomtrek zit tussen de door TCS gemonteerde nieuwe banden en de originele bandenmaat en dat dit niet bevorderlijk is voor de auto.
2.11.
In de periode tussen 12 november 2024 en 20 december 2024 hebben partijen overlegd over een oplossing. TCS is op 20 december 2024 akkoord gegaan met een aanbod van [gedaagde] om de auto de volgende dag op te halen bij TCS en om een vervangende auto ter beschikking te stellen. Daarbij heeft TCS aangegeven dat het zou lukken om dit in de middag van 21 december 2024 te regelen. Partijen waren het op dat moment nog niet eens over de termijn waarbinnen reparatie moest plaatsvinden. [gedaagde] heeft haar toezegging om de auto bij TCS op te halen op 21 december 2024 ingetrokken, omdat zij in de ochtend tevergeefs had geprobeerd om TCS te bereiken.
2.12.
TCS heeft [gedaagde] op 8 januari 2025 bericht dat zij de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt en de koopsom terugvordert. Op 13 februari 2025 is [gedaagde] alsnog gesommeerd om de auto binnen veertien dagen te repareren.
2.13.
[gedaagde] heeft op 25 februari 2025 voorgesteld om de auto in het kader van diagnosestelling te onderzoeken. TCS heeft op 4 maart 2025 laten weten dat zij daarmee in kan stemmen, op voorwaarde dat [gedaagde] de kosten voor haar rekening neemt als blijkt dat de door TCS genoemde gebreken inderdaad aan de orde zijn. Hiermee is [gedaagde] niet akkoord gegaan.
2.14.
TCS heeft op 8 april 2025, voor zover nodig, opnieuw bericht dat zij de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt en dat de koopsom binnen veertien dagen moet worden terugbetaald.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
TCS vordert primair – samengevat – een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 38.500,00, vermeerderd met rente en kosten. Subsidiair vordert TCS – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot deugdelijke reparatie van de auto en tot het ter beschikking stellen van een vergelijkbare auto als vervangend vervoer.
3.2.
TCS legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is ruimschoots in de gelegenheid gesteld om de gebreken aan de auto te herstellen. Omdat herstel van de gebreken is uitgebleven, was TCS bevoegd om de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Als gevolg van de ontbinding is [gedaagde] verplicht tot terugbetaling van de koopsom van € 38.500,00.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van TCS, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van TCS, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van TCS in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. De auto voldoet aan de overeenkomst. De auto was – in ieder geval ten tijde van de aflevering – geschikt voor veilige verkeersdeelname. TCS heeft onvoldoende aangetoond dat er een gebrek kleeft aan de auto. Voor zover al sprake is van een gebrek, acht [gedaagde] het aannemelijk dat dit gebrek is veroorzaakt door de te grote maat van de nieuwe banden die TCS heeft gemonteerd. Zelfs als de auto niet voldoet aan de overeenkomst, heeft TCS de klachtplicht geschonden door pas op 23 augustus 2024 onmiskenbaar te klagen over de auto. Bovendien is geen sprake van verzuim aan de zijde van [gedaagde], zodat TCS niet bevoegd was om de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Ontbinding van de koopovereenkomst is ook niet gerechtvaardigd, omdat [gedaagde] te allen tijde bereidheid heeft getoond om de klacht van TCS in behandeling te nemen en de auto eenvoudig te herstellen is, voor zover er al een gebrek aan kleeft.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
[gedaagde] vordert, op voorwaarde dat de primaire vordering van TCS wordt toegewezen, – samengevat – veroordeling van TCS tot afgifte van de auto (en toebehoren) en het verlenen van medewerking aan de overschrijving van het kenteken, op straffe van een dwangsom, en tot betaling van een schadevergoeding van € 0,23 per gereden kilometer, vermeerderd met proceskosten.
3.7.
[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. In geval van ontbinding van de koopovereenkomst ontstaat ook aan de zijde van TCS een ongedaanmakingsverplichting. TCS is in dat geval verplicht tot afgifte van de auto (en toebehoren) en het verlenen van medewerking aan de overschrijving van het kenteken. Volledige terugbetaling van de koopsom aan TCS zou leiden tot ongerechtvaardigde verrijking, omdat TCS wel gebruik heeft kunnen maken van de auto en de auto ook in waarde is verminderd. Voor de hoogte van de gebruiks- en waardeverminderingsvergoeding sluit [gedaagde] aan bij de onbelaste vergoeding van € 0,23 per gereden kilometer die de Belastingdienst hanteert.
3.8.
TCS voert verweer. TCS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.9.
TCS voert het volgende aan. In geval van ontbinding van de koopovereenkomst zal TCS de auto (en toebehoren) na betaling van hetgeen waartoe [gedaagde] wordt veroordeeld, aan [gedaagde] ter beschikking stellen. Vanwege de gebreken aan de auto kan TCS de auto niet naar [gedaagde] toebrengen. Voor oplegging van die verplichting is bovendien geen rechtsgrond aanwezig. TCS zal uiteraard ook meewerken aan de overschrijving van het kenteken. Deze vordering, inclusief dwangsom, is daarom onnodig en zonder rechtens te respecteren belang ingesteld. Omdat TCS de auto vrijwel niet normaal heeft kunnen gebruiken, is TCS geen gebruiks- of waardeverminderingsvergoeding verschuldigd. De onbelaste vergoeding van € 0,23 per gereden kilometer is civielrechtelijk bovendien irrelevant en dus ongeschikt als aanknopingspunt.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Non-conformiteit
4.1.
Als onvoldoende betwist staat vast dat de auto herhaaldelijk storingsmeldingen op het dashboard heeft getoond, onder andere met de inhoud “
Elektrische installatie: storing! Wagen veilig neerzetten”. Hoewel de oorzaak van deze storingsmeldingen vooralsnog onduidelijk is, maken alleen deze storingsmeldingen de auto al ongeschikt voor normaal gebruik. Van een redelijk handelend automobilist kan namelijk worden verwacht dat hij, als hij wordt geconfronteerd met een dergelijke storingsmelding, de auto zo snel mogelijk veilig neerzet en dus niet blijft doorrijden.
4.2.
De koper van een auto mag verwachten dat de auto ten tijde van de aflevering de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn. [1] Als de oorzaak van de storingsmeldingen al ten tijde van de aflevering van de auto op 14 februari 2024 aanwezig was, voldoet de auto niet aan de overeenkomst (non-conformiteit). [2]
4.3.
Beslissend is dus of de oorzaak van de storingsmeldingen al ten tijde van de aflevering aanwezig was. Wie ten aanzien van deze vraag de bewijslast draagt, hangt af van de afspraken tussen partijen.
Afspraken tussen partijen
4.4.
TCS beroept zich op de Algemene Garantievoorwaarden Auto (zakelijk) van BOVAG. [gedaagde] betwist dat partijen deze voorwaarden zijn overeengekomen. Omdat uit de koopovereenkomst inderdaad niet blijkt dat partijen deze voorwaarden zijn overeengekomen en dit ook niet anderszins is gebleken, zijn de BOVAG-garantievoorwaarden niet van toepassing.
4.5.
[gedaagde] beroept zich op haar beurt op de algemene voorwaarden van AFS (de lessor). Ook deze voorwaarden zijn echter niet van toepassing, omdat deze blijkens artikel 2 van Pro die voorwaarden alleen betrekking hebben op de rechtsverhouding tussen AFS en TCS en dus niet op de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en TCS.
4.6.
Wel van toepassing is de afspraak die op de factuur van [gedaagde] staat vermeld: “
12 maanden wettelijke garantie”. Partijen verschillen van mening over de uitleg van deze garantie. Bij de uitleg van de garantie komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de garantie mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [3]
4.7.
Volgens [gedaagde] betekent deze garantie alleen dat het conformiteitsvereiste van artikel 7:17 BW Pro van toepassing is. Het ligt echter niet voor de hand dat partijen hebben bedoeld om de werking van artikel 7:17 BW Pro, welk artikel ook zonder deze garantie van toepassing is, te beperken tot twaalf maanden. Daarmee zou [gedaagde] namelijk niet verplicht zijn tot herstel van gebreken die zich na twaalf maanden openbaren, zelfs als TCS kan aantonen dat de gebreken al ten tijde van de aflevering aanwezig waren.
4.8.
Volgens TCS moet de garantie worden uitgelegd overeenkomstig artikel 7:18a lid 2 BW, dat bepaalt dat bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordt, als de afwijking zich binnen één jaar na de aflevering openbaart. De rechtbank volgt deze uitleg, omdat het begrip ‘wettelijke garantie’ impliceert dat moet worden aangesloten bij een wettelijke bepaling en de overeengekomen termijn van twaalf maanden gelijk is aan die van artikel 7:18a lid 2 BW. Artikel 7:18a lid 2 is in dit geval niet rechtstreeks van toepassing, omdat geen sprake is van een consumentenkoop. De rechtsregel uit het artikel moet echter, gelet op de overeengekomen garantie, alsnog worden toegepast.
Tussenconclusie
4.9.
Omdat de storingsmeldingen zich binnen één jaar na de aflevering hebben geopenbaard, wordt vermoed dat de oorzaak van de storingsmeldingen al ten tijde van de aflevering van de auto aanwezig was. Het is aan [gedaagde] om het tegendeel te bewijzen. [4] [gedaagde] moet dus bewijzen dat de oorzaak van de storingsmeldingen na de aflevering van de auto is ontstaan, bijvoorbeeld door aan te tonen dat de storingsmeldingen te wijten zijn aan de maat van de nieuwe banden die TCS heeft gemonteerd, wat zij stelt en TCS betwist.
4.10.
Als [gedaagde] niet slaagt in dit bewijs, staat vast dat de auto niet voldoet aan de overeenkomst. TCS kan zich in dat geval met succes beroepen op de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst, omdat alle overige verweren van [gedaagde] moeten worden verworpen (zie hieronder).
Klachtplicht
4.11.
TCS heeft de klachtplicht niet geschonden. TCS heeft begin mei 2024 voor het eerst problemen geconstateerd. Uit het feit dat de eerste reparatiepoging op 6 juni 2024 heeft plaatsgevonden, volgt dat TCS [gedaagde] daarvan binnen bekwame tijd kennis heeft gegeven. Met haar stelling dat TCS pas op 23 augustus 2024 onmiskenbaar heeft geklaagd over de auto, miskent [gedaagde] dat kennisgeving van het gebrek aan de verkoper volstaat om aan de klachtplicht te voldoen. [5]
Verzuim
4.12.
De achtergrond van het vereiste dat een schuldenaar in beginsel in verzuim moet zijn voordat de schuldeiser over kan gaan tot ontbinding, [6] is dat een schuldenaar de kans moet krijgen om zijn verplichtingen alsnog na te komen. [gedaagde] heeft ruimschoots de kans gekregen om de auto te repareren, maar is daarin niet geslaagd. TCS was na de laatste (mislukte) reparatiepoging tussen 20 september 2024 en 17 oktober 2024, gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid, niet meer verplicht om [gedaagde] nog een kans te geven om de auto te repareren. [gedaagde] kan zich daarom niet beroepen op het ontbreken van verzuim. Niet relevant is of [gedaagde] haar best heeft gedaan om de auto te repareren. Als [gedaagde] niet slaagt in het bewijs dat de oorzaak van de storingsmeldingen pas is ontstaan na de aflevering, komt het niet kunnen repareren van de auto namelijk voor haar rekening en risico.
Ontbinding gerechtvaardigd
4.13.
Ook het verweer dat de (eventuele) tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt, wordt verworpen. De stelling van [gedaagde] dat de auto eenvoudig is te herstellen, voor zover er al een gebrek aan kleeft, is gelet op de meerdere mislukte reparatiepogingen onbegrijpelijk. De storingsmeldingen maken de auto ongeschikt voor normaal gebruik. Als [gedaagde] niet kan bewijzen dat de oorzaak van de storingsmeldingen pas na de aflevering is ontstaan, is dus sprake van een ernstige tekortkoming in de nakoming van de verbintenis om een auto af te leveren die voldoet aan de overeenkomst. In dat geval rechtvaardigt deze tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen.
Bewijsopdracht
4.14.
[gedaagde] wordt in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat de oorzaak van de storingsmeldingen is ontstaan na de aflevering van de auto. Het is aan [gedaagde] om te bepalen of zij bewijs wil leveren, en zo ja, hoe. [gedaagde] kan zich daarover bij akte uitlaten.
4.15.
Als [gedaagde] aan haar bewijsopdracht wil voldoen door middel van een deskundigenbericht, zal de rechtbank de deskundige benoemen. In dat geval is de rechtbank voornemens om de volgende vragen te stellen aan de deskundige:
Wat is de oorzaak van de storingsmeldingen?
Is de oorzaak van de storingsmeldingen na de aflevering van de auto op 14 februari 2024 ontstaan?
Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?
4.16.
[gedaagde] kan zich, als zij wenst dat de rechtbank een deskundige zal benoemen, bij akte uitlaten over deze vragen en over de persoon van de deskundige. TCS mag daarop bij antwoordakte reageren. Het geniet de voorkeur dat partijen een gezamenlijk voorstel voor een te benoemen deskundige doen. Als partijen niet tot een gezamenlijk voorstel kunnen komen, moeten zij in hun akte ingaan op de persoon die door de wederpartij wordt voorgesteld, waarbij eventuele bezwaren tegen deze persoon moeten worden gemotiveerd. De rechtbank zal vervolgens een van de aangedragen personen benoemen als deskundige of zelf een deskundige voorstellen, waarna partijen in de gelegenheid worden gesteld om zich over die voorgestelde andere deskundige uit te laten.
4.17.
Het voorschot op de kosten van een eventuele deskundige moet door [gedaagde] worden betaald. In het eindvonnis wordt bepaald wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet dragen.
4.18.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in reconventie
4.19.
Als [gedaagde] niet slaagt in het bewijs dat de oorzaak van de storingsmeldingen na de aflevering van de auto is ontstaan, moeten de in reconventie gevorderde gebruiks- en waardeverminderingsvergoeding worden afgewezen. Gelet op de overlast die TCS heeft ervaren vanwege de problemen met de auto, is het niet redelijk om TCS een vergoeding te laten betalen voor de beperkte periode waarin TCS probleemloos gebruik heeft kunnen maken van de auto. [7] Ook voor een waardeverminderingsvergoeding is geen plaats, omdat een zaak voor risico van de verkoper blijft als de koper op goede gronden het recht op ontbinding van de koop inroept. [8] De achteruitgang van de zaak door toedoen van de koper komt eveneens voor risico van de verkoper, maar de koper moet vanaf het moment dat hij rekening moet houden met het feit dat hij de zaak zal moeten teruggeven wel als een zorgvuldig schuldenaar voor het behoud van de zaak zorgen. [9] [gedaagde] heeft niet gesteld dat TCS niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het behoud van de zaak heeft gezorgd.
4.20.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
draagt [gedaagde] op te bewijzen dat de oorzaak van de storingsmeldingen na de aflevering van de auto op 14 februari 2024, is ontstaan,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 18 februari 2026voor uitlating door [gedaagde] of zij bewijs wil leveren, en zo ja, hoe,
5.3.
bepaalt dat, als [gedaagde] bewijs wil leveren door het overleggen van
bewijsstukken, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als [gedaagde]
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
maarttot en met
juni 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. C. Sijm, in het gerechtsgebouw te Haarlem, Jansstraat 81,
5.6.
bepaalt dat, als [gedaagde] wenst dat de rechtbank een
deskundigezal benoemen, zij zich op voornoemde datum bij akte kan uitlaten over wat is vermeld onder 4.16 en 4.17, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
in conventie en reconventie
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sijm en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:17 lid 2 BW Pro.
2.Artikel 7:17 lid 1 BW Pro.
3.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (
4.HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1666.
5.Artikel 7:23 lid 1 BW Pro.
6.Artikel 6:265 lid 2 BW Pro.
7.Artikel 6:212 BW Pro.
8.Artikel 7:10 lid 3 BW Pro.
9.Artikel 7:10 lid 4 BW Pro.