Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4786

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
15/177744-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd voor diefstal met geweld, afpersing en openlijke geweldpleging

De rechtbank Noord-Holland heeft op 19 maart 2026 uitspraak gedaan in een meervoudige kamer jeugdstrafzaak tegen een verdachte die werd verdacht van meerdere feiten, waaronder diefstal met geweld, afpersing, openlijke geweldpleging, poging tot afpersing en vuurwerkbezit.

De rechtbank verklaarde bewezen dat de verdachte samen met anderen op 8 juni 2025 te Hoofddorp een Samsung telefoon en Airpods heeft weggenomen van de benadeelde partij met gebruik van geweld en bedreiging. Tevens werd bewezen dat hij de benadeelde partij dwong tot afgifte van een jas door geweld. Verder werd bewezen dat hij op 17 februari 2025 openlijk geweld pleegde in een winkelcentrum en dat hij in de periode van september 2024 tot januari 2025 een poging tot afpersing pleegde. Ook werd bewezen dat hij op 25 november 2024 professioneel vuurwerk in bezit had.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van medeplegen bij een afpersingsfeit en van een geweldsfeit wegens onvoldoende bewijs. De verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar geacht vanwege een normoverschrijdende gedragsstoornis en persoonlijkheidsproblematiek. Gezien het hoge recidiverisico en de ernst van de feiten legde de rechtbank een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op, naast een jeugddetentie gelijk aan de tijd in voorlopige hechtenis.

De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding toegewezen van €2.265,85 inclusief materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank ontnam het in beslag genomen vuurwerk aan het verkeer en beval teruggave van enkele andere voorwerpen aan de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot onvoorwaardelijke PIJ-maatregel en jeugddetentie van 284 dagen wegens diefstal met geweld, afpersing, openlijke geweldpleging en vuurwerkbezit; vrijspraak voor enkele feiten wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/177744-25
Uitspraakdatum: 19 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 5 maart 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
thans gedetineerd in [locatie] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Baadoudi, ter terechtzitting waargenomen door mr. M.S. Rozenbeek, naar voren hebben gebracht.
Ook waren aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering) en mr. [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog.
Verder waren aanwezig de ouders van de verdachte, bijgestaan door een tolk in de Spaanse taal. Ook was aanwezig de zus van de verdachte.
Tot slot was aanwezig mr. L.A. Korfker, namens benadeelde partij [de benadeelde partij] .

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 8 juni 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, op de openbare weg (aan het Skagerhofpad) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Samsung telefoon en/of airpods, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- een (balletjes)pistool, althans wapen, tegen het hoofd, althans lichaam, van die [de benadeelde partij] te zetten en/of
- die [de benadeelde partij] op de grond te duwen en/of
- die [de benadeelde partij] éénmaal of meerdere malen te slaan en/of te schoppen;
Feit 2:
hij op of omstreeks 8 juni 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, op de openbare weg (aan het Skagerhofpad) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas (merk Canada Goose), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij] en/of een derde toebehoorde(n) door:
- een (balletjes)pistool, althans wapen, tegen het hoofd, althans lichaam, van die [de benadeelde partij] te zetten en/of
- die [de benadeelde partij] op de grond te duwen en/of
- die [de benadeelde partij] éénmaal of meerdere malen te slaan en/of te schoppen;
Feit 3:
hij op of omstreeks 17 februari 2025 te Nieuw-Vennep, in elk geval in Nederland openlijk, te weten, in winkelcentrum De Symfonie, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een onbekend gebleven persoon door:
- het slachtoffer tegen de muur te duwen en/of
- het slachtoffer één of meerdere malen tegen het been te trappen en/of in het gezicht te slaan
- het slachtoffer één of meerdere malen te duwen;
Feit 4:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 september 2024 tot en met 22 januari 2025 te Hoofddorp, in elk geval in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn/haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [het slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [het slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)
- die [het slachtoffer 1] het heft van een mes, althans scherp voorwerp, heeft laten zien en/of
- (vervolgens) de woorden heeft toegevoegd: "Ik geef je nog 1 kankerweek voor die barkie 20 anders ga ik je neuken ja" en/of
- die [het slachtoffer 1] één of meerdere malen tegen het hoofd heeft geslagen en/of
- die [het slachtoffer 1] via Snapchat een video heeft gestuurd waarin te horen is dat iemand heeft zegt: "€200 moet je betalen anders gaat ie je steken"
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 5:
hij op of omstreeks 25 november 2024 te Zaandam, al dan niet opzettelijk 2, althans één of meer, stuks knalvuurwerk (Cobra 6), in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en/of heeft opgeslagen;
Feit 6:
hij op of omstreeks 18 november 2024 te Hillegom, in elk geval in Nederland, op de openbare weg (op het Henri Dunantplein) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [het slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas (merk: Moncler), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [het slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n) door:
- die [het slachtoffer 2] bij zijn kraag beet te pakken en/of
- die [het slachtoffer 2] één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht en/of de borst en/of de onderbuik en/of de lever te slaan/stompen en/of
- door tegen die [het slachtoffer 2] te zeggen: “Als je weg loop dan slaan we je kapot”.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van een nauwe en bewuste samenwerking alsmede het ontbreken van de opzet gericht op de openlijke geweldpleging.
Tevens heeft de raadsman vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit vanwege het ontbreken van een nauwe en bewuste samenwerking alsmede het ontbreken van de opzet gericht op het afdwingen van een goed.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Partiële vrijspraak feit 4
Medeplegen
Op basis van de bewijsmiddelen – in het bijzonder de videobeelden en de verklaring van de verdachte – kan vastgesteld worden dat de verdachte een langlopend conflict had met slachtoffer [het slachtoffer 1] en dat hij meermaals de confrontatie met [het slachtoffer 1] heeft opgezocht om vervolgens te proberen middels geweld en dreiging met geweld geld van hem af te dwingen. Hoewel is gebleken dat er meerdere personen aanwezig waren bij voornoemde confrontaties, is de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de onbekend gebleven medeverdachte(n) niet vast komen te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en op basis van het dossier en de afgelegde verklaringen blijkt niet van een essentiële bijdrage van meerdere personen. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen onder het onder 4 ten laste gelegde feit.
Tonen heft mes
Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan dat de verdachte slachtoffer [het slachtoffer 1] heeft bedreigd door het tonen van een heft van een mes, althans een scherp voorwerp. Deze gedraging volgt enkel uit de aangifte en vindt geen steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van deze gedraging onder het onder 4 ten laste gelegde feit.
3.3.2.Vrijspraak feit 6Uit de aangifte van [het slachtoffer 2] is gebleken dat hij door meerdere personen is benaderd en zij zowel hebben gedreigd met geweld alsmede geweld hebben toegepast waarbij uiteindelijk onder dwang zijn jas is afgenomen. Volgens de aangifte zou de verdachte diegene zijn geweest die onder andere geweld heeft toegepast en hem heeft gedwongen tot afgifte van zijn jas. Deze verklaring vindt echter geen steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Uit de beelden is gebleken dat de verdachte aanwezig was, wat hij zelf eveneens erkent. De verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij met een van de medeverdachten mee is gegaan naar [het slachtoffer 2] en dat hij hem heeft aangesproken op het moment dat zij hem zagen. Op basis van de overige bewijsmiddelen in het dossier kan echter de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de onbekend gebleven medeverdachte(n) niet vastgesteld worden. Ook kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een wezenlijke bijdrage van de verdachte aan het (dreigen met) geweld en het afdwingen van de jas van aangever [het slachtoffer 2] .
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder 6 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.
3.3.3.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde sprake
is van een voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht (Sr). De bewezenverklaarde gedragingen volgen elkaar namelijk op in tijd en hangen zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.
3.3.4.
Bewijsmotivering feit 3
Van het ‘in vereniging’ plegen van geweld als bedoeld in artikel 141 Sr Pro is sprake als de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. In dat geval kunnen hem ook de geweldshandelingen van anderen als onderdeel van het in vereniging gepleegde openlijke geweld worden aangerekend.
Op basis van de bewijsmiddelen – in het bijzonder de camerabeelden en de verklaring van de verdachte – stelt de rechtbank vast dat medeverdachte [medeverdachte] de onbekend gebleven aangever heeft benaderd door hem bij zijn kraag te pakken, te duwen en een trap te geven. Vervolgens heeft de verdachte de aangever vastgepakt en richting de groep geduwd, waarna de medeverdachte de aangever nog een harde klap in zijn gezicht heeft gegeven in het bijzijn van de verdachte. Naast het vastpakken en duwen is de verdachte ook aanwezig geweest bij het door de medeverdachte gepleegde geweld jegens de aangever en heeft hij niet ingegrepen. De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij wel heeft ingegrepen en enkel heeft geduwd omdat de aangever zijn hulp niet leek te accepteren, vindt geen steun in de overige bewijsmiddelen. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat de medeverdachte geld nodig had, waarna hij is meegelopen met de medeverdachte op het moment dat hij gericht naar de aangever liep.
Gelet op voorgaande omstandigheden en gedragingen van zowel de verdachte als de medeverdachte, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld en opzet heeft gehad op de openlijke geweldpleging.
De rechtbank acht dan ook voldoende wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen de onbekend gebleven aangever zoals ten laste is gelegd.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1:
hij op 8 juni 2025 te Hoofddorp, op de openbare weg (aan het Skagerhofpad) tezamen en in vereniging met anderen een Samsung telefoon en Airpods, die aan [de benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door:
- een wapen, tegen het hoofd van die [de benadeelde partij] te zetten en
- die [de benadeelde partij] op de grond te duwen en
- die [de benadeelde partij] meerdere malen te slaan en te schoppen;
Feit 2:
hij op 8 juni 2025 te Hoofddorp op de openbare weg (aan het Skagerhofpad) tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas (merk Canada Goose), die aan die [de benadeelde partij] toebehoorde door:
- een wapen, tegen het hoofd van die [de benadeelde partij] te zetten en
- die [de benadeelde partij] op de grond te duwen en
- die [de benadeelde partij] meerdere malen te slaan en te schoppen;
Feit 3:
hij op 17 februari 2025 te Nieuw-Vennep openlijk, te weten in winkelcentrum De Symfonie, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een onbekend gebleven persoon door:
- het slachtoffer tegen de muur te duwen en
- het slachtoffer één maal tegen het been te trappen en in het gezicht te slaan en
- het slachtoffer één maal te duwen;
Feit 4:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 september 2024 tot en met 22 januari 2025 te Hoofddorp, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [het slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, die [het slachtoffer 1]
- de woorden heeft toegevoegd: "Ik geef je nog 1 kankerweek voor die barkie 20 anders ga ik je neuken ja" en
- die [het slachtoffer 1] één of meerdere malen tegen het hoofd heeft geslagen en
- die [het slachtoffer 1] via Snapchat heeft gestuurd: "€200 moet je betalen anders gaat ik je steken"
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 5:
hij op 25 november 2024 te Zaandam, al dan niet opzettelijk 2 stuks knalvuurwerk (Cobra 6) voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
De voortgezette handeling van
feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
en
feit 2: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 3: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
feit 4: poging tot afpersing;
feit 5: overtreding van artikel 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het
multidisciplinair Pro Justitia onderzoeksrapport van 23 januari 2026, opgesteld door mr. [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog en [psychiater] , psychiater. Dit onderzoeksrapport houdt, onder meer, het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een normoverschrijdende gedragsstoornis en een gebrekkige ontwikkeling in de richting van antisociale-, narcistische- en borderline persoonlijkheidsproblematiek, waarbij de indruk bestaat dat sprake is van een psychopathische ontwikkelingsgang. Deze problematiek was ook aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten.
Hoewel de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en de feiten niet met hem besproken konden worden, kunnen gezien de aanloop tot het tenlastegelegde wel uitspraken gedaan worden die een doorwerking van de problematiek op zijn keuzes en gedragingen aannemelijk maken. Er is gebleken dat hij erkenning en bevestiging zoekt bij een negatieve peergroep en daar zijn lage zelfgevoel schraagt met negatief gedrag. Hij kanaliseert zijn negatieve afgeweerde emoties met spanningzoekend crimineel gedrag, waarbij hij niet geremd wordt door adequate mentaliserende- en empathische (gewetens)functies. Er is daarom aanleiding om te adviseren de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, de verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten
in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de
verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van tien maanden met aftrek van
de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Tevens heeft de officier van justitie gevorderd een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) op te leggen gelet op de adviezen van de deskundigen. Hieruit blijkt kortgezegd dat een PIJ-maatregel noodzakelijk is om zowel de ontwikkeling van de verdachte aan te pakken alsmede het gevaar op herhaling.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel passender is.
De verdediging stelt dat artikel 63 Sr Pro toegepast dient te worden nu vier van de zes ten laste gelegde feiten dateren van vóór het vonnis van de meervoudige kamer van rechtbank Amsterdam van 27 mei 2025. De verdachte zit inmiddels bijna tien maanden gedetineerd en laat een prille positieve ontwikkeling zien, wat ook door de rechtbank Amsterdam is geconstateerd destijds. De verdachte heeft ter zitting ook blijk gegeven van zelfreflectie en hij heeft goede voornemens en plannen. Zo heeft de verdachte aangegeven bereid te zijn bij de [jeugdhulpaanbieder] te verblijven. De verdachte dient dan ook de kans geboden te worden om middels een voorwaardelijk kader zichzelf te bewijzen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de
rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van
een en ander uit de persoonsrapportages en het onderzoek ter zitting is gebleken.
Ernst van het feit
In het bijzonder overweegt de rechtbank dat de verdachte zich meermaals schuldig heeft gemaakt aan straatroven dan wel pogingen daartoe. De verdachte heeft alleen en samen met anderen door middel van geweld en dreiging met geweld diverse jongeren beroofd van hun goederen en/of hen gedwongen tot afgifte van hun goederen of een poging hiertoe gedaan. Ook heeft hij samen met een ander in een winkelcentrum geweld gepleegd tegen een jongere. Gebleken is dat hij, voornamelijk in groepsverband, slachtoffers opzoekt of benadert, waaronder op school en het winkelcentrum, en hen vrijwel direct bedreigt met geweld en/of daadwerkelijk geweld toepast. Sommige incidenten zijn ook gefilmd en verspreid.
De verdachte heeft zijn persoonlijke gewin vooropgesteld en heeft op geen enkel moment stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor de slachtoffers en de ernst van de feiten. Dit blijkt onder andere uit het feit dat hij zich meermaals niet aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en op de dag dat hij vrij kwam opnieuw een straatroof heeft gepleegd met het gebruik van een wapen. Door zo te handelen heeft de verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van de slachtoffers, waarbij hij bij de slachtoffers grote angst heeft veroorzaakt. Dit blijkt niet alleen uit diverse aangiftes maar ook uit getuigenverklaringen van mensen die uit angst geen aangifte durfden te doen dan wel anoniem wilden blijven. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden. Uit de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] blijkt ook dat hij sinds het incident angstig is op straat en geen vertrouwen meer heeft in mensen. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en opslaan van twee cobra’s op zijn kamer in een woonvoorziening. De verdachte heeft met zijn handelen onverantwoorde risico’s genomen en de veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar gebracht. Het is algemeen bekend dat vuurwerk gevaar kan opleveren. Dat geldt zeker voor professioneel vuurwerk, dat een substantieel zwaardere of explosievere lading bevat dan het vuurwerk dat in Nederland aan consumenten mag worden verkocht. De verdachte heeft zich van deze risico’s onvoldoende rekenschap gegeven.
De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van 20 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten;
Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.
- het ook onder 5 genoemde multidisciplinair Pro Justitia onderzoeksrapport van 23 januari 2026, opgesteld door mr. [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog en [psychiater] , psychiater.
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 25 februari 2026 van [vertegenwoordiger van de raad] en [vertegenwoordiger van de raad] , raadsonderzoekers bij de Raad.
Uit het multidisciplinair onderzoeksrapport blijkt dat, zoals hierboven beschreven onder 5, de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Uit dit onderzoek blijkt verder dat vanwege de ernst van de problematiek, het hoge recidiverisico, de beperkte interne motivatie van de verdachte en de bestaande behandelresistentie, een langdurig residentieel behandelprogramma noodzakelijk wordt geacht, in de vorm van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Er zijn geen andere passende mogelijkheden, omdat eerdere behandelingen binnen het ambulant kader met intensieve ondersteuning en strikte voorwaarden zeer beperkt van de grond zijn gekomen. De verdachte heeft herhaaldelijk zijn voorwaarden geschonden en is gerecidiveerd. Verder wordt gezien dat de kans op recidive het hoogst is als er geen sprake is van controle, toezicht en dagbesteding. Daarbij komt dat de verdachte minder gevoelig is voor negatieve consequenties. Er wordt daarom geadviseerd om te werken vanuit het Good Lives Model, waarbij de verdachte op een positieve manier wordt geleerd zich te richten op zijn primaire levensbehoeften. Daarnaast dient de behandeling gericht te zijn op het verbeteren van zijn mentaliserend vermogen, identiteitsontwikkeling, copingvaardigheden en emotieregulatie. Ook dient hij meer zicht te krijgen op eigen en andermans gedachten, gevoelens en emoties. Tot slot is systeemtherapie passend om zo de band met het gezin te behouden en te verstevigen.
De psycholoog heeft hier aan toegevoegd dat wat de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht en heeft laten zien past bij het beschreven gedrag in het onderzoek. Er is een enorme scheefgroei te zien in zijn persoonlijkheidsontwikkeling in de richting van antisociale-, narcistische- en borderline persoonlijkheidsproblematiek, wat zorgelijk is op deze leeftijd. Zo wordt gezien dat hij wel kan aangeven spijt te hebben, maar door een gebrek aan mentaliserend vermogen is hij niet in staat om te voelen wat anderen en hijzelf voelen. Vanwege zijn leeftijd kan er nog niet gesproken worden over een persoonlijkheidsstoornis, maar de problematiek is inmiddels zo verankerd in zijn persoonlijkheid dat sprake is van een verharding. Beide deskundigen zijn dan ook stellig dat er geen andere mogelijkheden meer zijn, zoals behandeling in een ambulant of voorwaardelijk kader.
De Raad sluit aan bij voornoemd rapport en heeft schriftelijk geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De Raad is van mening dat een intensieve behandeling in een intramurale setting met voortdurende controle en toezicht noodzakelijk is. Er is sprake van een hoog recidiverisico op verschillende gebieden, welk risico toeneemt zonder intensieve behandeling. De Raad heeft eerder al geconcludeerd dat een strak kader met voorwaarden weinig kans van slagen heeft, omdat dit meermaals het delictgedrag niet heeft kunnen voorkomen. De verdachte heeft veel kansen gehad, waarbij verschillende interventies zijn ingezet om tot gedragsverandering te komen, maar zonder effect. De verdachte heeft weinig intrinsieke behandelmotivatie en heeft geen probleembesef en -inzicht. Dit maakt dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet passend is.
De Raad heeft ter zitting toegevoegd dat de verdachte al langere tijd goede bedoelingen heeft, maar het tot op heden niet is gelukt om hier invulling aan te geven. Zo is de verdachte in het verleden meermaals geschorst om behandeling te kunnen starten, maar dit is niet van de grond gekomen omdat hij zich niet aan de voorwaarden hield en meermaals is gerecidiveerd, waarbij ook iedere keer slachtoffers vielen. Dit maakt dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel met intensieve behandeling noodzakelijk is.
Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat zij zich aansluiten bij het advies tot oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Er is ruim anderhalf jaar lang geprobeerd behandeling te starten in een voorwaardelijk kader, maar dit is niet van de grond gekomen. De afgelopen maanden wordt er in detentie wel een positieve verandering gezien bij de verdachte. Hij gaat naar school, houdt zich aan de regels en er hebben nauwelijks incidenten plaatsgevonden. Dit toont echter aan dat een strak en gestructureerd kader met duidelijke regels en regelmaat noodzakelijk is om tot een gedragsverandering te komen. Daarbij komt dat, ondanks de positieve ontwikkelingen, de verdachte geen zelfreflectie heeft en dat er zelfs met de positieve verandering nog te veel risico’s zijn verbonden aan behandeling in een voorwaardelijk kader.
Conclusie
In zijn algemeenheid geldt dat bij ernstige strafbare feiten als deze, te weten diefstal met geweld, afpersing, openlijke geweldpleging en vuurwerkbezit, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. Bij oplegging van de straf houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte 284 dagen gedetineerd is geweest. In het nadeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij zich meermaals niet aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat sommige feiten dateren van vóór het door de meervoudige kamer gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2025. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het multidisciplinair Pro Justitia onderzoeksrapport, waaruit onder andere is gebleken dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Ook houdt de rechtbank rekening met de hierin geadviseerde maatregel.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie opgelegd moet worden
gelijk aan de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Verder kan de rechtbank zich verenigen met de conclusies van het multidisciplinair Pro Justitia onderzoeksrapport en de adviezen van alle deskundigen en maakt deze tot de hare. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden is, en zij zal deze dan ook aan de verdachte opleggen. Uit de voornoemde adviezen is immers gebleken dat sprake is van ernstige en complexe problematiek. In het strafrechtelijk kader is lang geprobeerd een hulpverleningstraject te starten met strikte voorwaarden en ondersteuning, maar dat is tot op heden ontoereikend gebleken om tot enige gedragsverandering te komen bij de verdachte en het hoge recidiverisico te verminderen. Dit mede vanwege het ontbreken van intrinsieke behandelmotivatie bij de verdachte alsmede het feit dat hij zich herhaaldelijk niet aan de voorwaarden heeft gehouden en zich niet laat begeleiden. Gebleken is dat er inmiddels ernstige zorgen zijn over de scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling in de richting van antisociale-, narcistische- en borderline persoonlijkheidsproblematiek, waarbij de indruk is dat er sprake is van een psychopathische ontwikkelingsgang. Het is daarom noodzakelijk dat er intensieve residentiële behandeling gestart wordt, onder andere gericht op het verbeteren van zijn mentaliserend vermogen, identiteitsontwikkeling, copingvaardigheden en emotieregulatie. Vooral het meer in contact komen met zijn gevoelswereld is een belangrijk aandachtspunt binnen de behandeling. Deze behandeling kan niet binnen een ander kader geboden worden. De huidige stijgende lijn die de verdachte de afgelopen periode in detentie laat zien is een bevestiging dat een strikt en structureel kader, zoals geboden kan worden binnen de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, noodzakelijk is. Nu er tot op heden sprake lijkt te zijn van behandelresistentie zal de behandeling naar verwachting lang duren. De rechtbank merkt wel op dat uit het onderzoek is gebleken dat er binnen de behandeling aandacht dient te zijn voor het feit dat de verdachte in mindere mate gevoelig is voor negatieve consequenties.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en de algemene veiligheid van personen oplegging van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel eist. Ook is het in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte dat deze maatregel wordt opgelegd.
De rechtbank overweegt dat sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover deze daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

7.Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten twee stuks vuurwerk (cobra’s) (goednummer: [nummer] ), dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat het onder 5 tenlastegelegde feit met betrekking tot die voorwerpen is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet
teruggegeven voorwerpen, te weten vier schroeven (goednummer: [nummer] ) dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

9.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [de benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 3.765,85 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 765,85 aan materiële schade, te weten reparatiekosten jas (€ 15,00), nieuwe telefoon, telefoonhoesje en screenprotector (€ 439,90), pasfoto identiteitskaart (€ 16,00), identiteitskaart (€ 78,50), powerbank (€ 39,95), Airpods (€ 149,00), pinpas (€ 7,50), tas (€ 10,00) en pet (€ 10,00) en uit immateriële schade van € 3.000,00.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de materiële schade bestaande uit de aanschaf van een nieuwe telefoon te matigen omdat dit de nieuwwaarde betreft. Daarnaast heeft de verdediging verzocht de immateriële schade te matigen, gelet op het feit dat er ook bij de verdachte door het handelen van de benadeelde partij sprake is geweest van psychische impact.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om de schade bestaande uit de kosten voor de aanschaf van een nieuwe telefoon te matigen, gelet op de onderbouwing van de vordering. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook geheel toewijzen, te weten € 765,85.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met anderen goederen heeft weggenomen en afgedwongen van de benadeelde partij middels geweld en bedreiging met geweld. Blijkens de toelichting in de vordering is de benadeelde partij ten gevolge van dit handelen tot op heden nog steeds angstig en alert op straat. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden, valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank begroot deze immateriële schade naar billijkheid op het bedrag van € 1.500,00 gelet op de onderbouwing van de vordering en de Rotterdamse Schaal bij bedreigende situaties (19.1, b).
De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft de overige immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering aanbrengen bij de civiele rechter.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke
rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag, te weten € 2.265,85, vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De betalingsverplichting wordt hoofdelijk opgelegd aan de verdachte, nu de verdachte het feit met anderen heeft gepleegd. Dit betekent dat zij naar burgerlijk recht (van rechtswege) jegens de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de totale schade. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij
heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden
door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal en afpersing met geweld in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36b, 36c, 36f, 45, 47, 56, 63, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 141, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;
artikel 1.2.2. lid 1 van het Vuurwerkbesluit.

11.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 6 is ten laste gelegd en spreekt hem
daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
tweehonderdvierentachtig (284) dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op aan de verdachte
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Verklaart onttrokken aan het verkeer: twee stuks vuurwerk (cobra’s) (goednummer: [nummer] )
Gelast de teruggave aan de verdachte van: vier schroeven (goednummer: [nummer] )
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij]geleden schade tot een bedrag van
€ 2.265,85, bestaande uit € 765,85 voor de materiële en € 1.500,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is
betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.265,85, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de
medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre
van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot
betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting
tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.D. de Jong, voorzitter,
mr. J. Lintjer en mr. M.H. Simons, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.D. Warmerdam
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 maart 2026.
Mr. M.H. Simons is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.