Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4789

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
HAA 25/1862
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbWWZWWIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV intrekking en terugvordering uitkeringen wegens onvolledig onderzoek

Eiser ontving uitkeringen op grond van de WW, ZW en WIA. Het UWV trok deze uitkeringen in en vorderde bedragen terug wegens het niet melden van werkzaamheden bij een koeriersbedrijf. Het UWV baseerde dit op ritgegevens, een ondertekend aanmeldformulier en verklaringen van het failliete bedrijf.

Eiser betwistte de werkzaamheden en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig en onvolledig was, onder meer omdat het failliete bedrijf niet meer bereikbaar was en er geen loonbetalingen waren aangetoond. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht, zoals het niet benaderen van de curator en het nalaten van nader bankonderzoek.

De rechtbank concludeerde dat de conclusie dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden niet zonder nader onderzoek kon worden gevolgd. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het griffierecht en de proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV tot intrekking en terugvordering van uitkeringen wordt vernietigd wegens onvolledig onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1862

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Nieuw-Vennep, eiser

(gemachtigde: mr. R.A. Dayala),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigden: N. Schoonhoven-Zuidema en mr. S. Elfert).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de intrekking en de terugvordering van eisers uitkeringen (en toeslag) op grond van de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) wegens het niet melden van het verrichten van werkzaamheden. Eiser is het hiermee oneens en stelt geen werkzaamheden te hebben verricht. De rechtbank beoordeelt de intrekking en terugvordering en doet dit aan de hand van eisers beroepsgronden.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het onderzoek dat aan het besluit van het UWV ten grondslag ligt onvolledig is. Zonder nader onderzoek kunnen de daarin getrokken conclusies niet worden gevolgd. Het beroep is gegrond, het bestreden besluit wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuwe beslissing op eisers bezwaren nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Bij afzonderlijke besluiten van 30 april 2024 heeft het Uwv eisers WW-uitkering en toeslag ingetrokken over de periode van 1 november 2019 tot en met 26 december 2019 en € 2.973,44 bruto teruggevorderd, eisers ZW-uitkering en toeslag ingetrokken over de periode van 27 december 2019 tot en met 22 december 2021 en € 43.298,12 bruto teruggevorderd en eisers WIA-uitkering en toeslag ingetrokken over de periode van 23 december 2021 tot en met 30 april 2023 en € 28.722,67 teruggevorderd.
2.2.
Bij afzonderlijke besluiten van 13 mei 2024 heeft het Uwv voornoemde bedragen van eiser ingevorderd.
2.3.
Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op de bezwaren van eiser heeft het Uwv voornoemde besluiten ongewijzigd in stand gelaten.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het Uwv.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Onderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte uitkeringen
3.1.
Eiser heeft tot en met 26 augustus 2018 gewerkt als [functie] op Schiphol. Van 27 augustus 2018 tot en met 26 december 2019 heeft hij een WW-uitkering en toeslag ontvangen. Per 27 december 2019 is aan hem een ZW-uitkering toegekend. Per 23 december 2021 is aan eiser een WIA-uitkering en toeslag toegekend.
3.2.
Op 23 november 2022 is door de arbeidsinspectie bij het Uwv een fraudemelding gedaan. Vermeld is dat eisers gegevens naar boven zijn gekomen tijdens een controle die zag op de periode oktober 2021 tot en met maart 2022 bij het (koeriers)bedrijf [bedrijf 1] uit Lijnden.
3.3.
Naar aanleiding hiervan is het Uwv een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte uitkeringen. Op 9 maart 2023 is een rapport van bevindingen opgemaakt en is geadviseerd inspectieonderzoek te gaan uitvoeren.
3.4.
Dit onderzoek is op 10 maart 2023 gestart. Het onderzoek heeft bestaan uit gesprekken met eiser op 14 april 2023 en 5 december 2023, gesprekken met medewerkers van [bedrijf 1] op 9 juni 2023, 2 oktober 2023 en 30 november 2023, een gesprek met een medewerker van [bedrijf 3] op 22 mei 2023, het bestuderen van verkregen ritgegevens over de periode van 11 november 2019 tot en met 11 april 2023 en het inzien van eisers bankgegevens.
3.5.
Op 11 december 2023 is de rapportage van voornoemd onderzoek opgemaakt. Hierin is – onder meer – vermeld dat eiser volgens een lijst van [bedrijf 1] van
1 oktober 2021 tot en met 31 maart 2022 werkzaamheden als koerier voor [bedrijf 3] zou hebben verricht. Eiser heeft hierover verklaard dat hij eind 2021 ongeveer drie weken met iemand heeft meegelopen van [bedrijf 3] en hiervoor geen loon heeft ontvangen. Dit heeft hij om die reden destijds ook niet gemeld. Volgens eiser kloppen de gegevens niet. In de rapportage staat verder dat uit de van [bedrijf 3] verkregen lijst met ritgegevens volgt dat eiser van 11 november 2019 tot en met 11 april 2023 werkzaamheden als koerier heeft verricht. Ook hierover verklaart eiser dat deze gegevens onjuist zijn. Daarnaast is een aanmeldformulier chauffeur&subcontractor van juli 2018 bij [bedrijf 1] , locatie Halfweg, met eisers naam en handtekening daarop aangetroffen. Hierover heeft eiser verklaard dat hij dit heeft ingevuld en heeft ondertekend. Op eisers bankrekening zijn geen overboekingen gevonden van [bedrijf 1] of [bedrijf 3] . Door de rapporteur wordt aangegeven dat, ondanks dat er geen overboekingen zijn gevonden, het onwaarschijnlijk lijkt dat eiser op de aangegeven data op de rittenlijsten de werkzaamheden als koerier niet zou hebben uitgevoerd. Tot slot is aangegeven dat het bedrijf [bedrijf 1] inmiddels failliet is en niet meer bereikbaar voor eventuele aanvullende informatie.
3.6.
Op 29 en 30 april 2024 zijn door handhavingsdeskundigen rapportages opgesteld. Hierin zijn de objectieve en subjectieve schending van de inlichtingenplicht in het kader van een mogelijk in te dienen aangifte bij het Openbaar Ministerie en/of opleggen van een boete beoordeeld. Volgens de rapporteurs spreekt eiser niet de waarheid. Eiser geeft namelijk aan dat hij eind 2021 drie weken heeft meegelopen, terwijl het formulier waarop zijn gegevens staan al in 2018 is ingevuld en ondertekend. De handhavingsdeskundige acht niet aannemelijk dat eiser pas drie jaar later dan dat het formulier is ingevuld, is gaan meedraaien. Ook is vermeld dat niet aannemelijk is dat je geen namen meer weet, terwijl je drie weken samen met iemand op een bus rijdt. Geconcludeerd wordt dat eiser objectief en subjectief verwijtbaar de inlichtingenverplichting heeft geschonden nu hij niet gemeld heeft dat hij in de periode van 11 november 2019 tot en met 11 april 2023 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] . Voor toepassing van het evenredigheidsbeginsel is volgens de rapporteurs geen aanleiding.
Primaire besluiten
4.
4.1.
Bij besluiten van 30 april 2024 heeft het Uwv:
- het recht van eiser op een WW-uitkering en toeslag over de periode van 1 november 2019 tot en met 26 december 2019 ingetrokken omdat hij niet gemeld heeft dat hij in die periode werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] . Als gevolg hiervan heeft eiser
€ 2.973,44 bruto te veel ontvangen, wat van eiser wordt teruggevorderd.
- het recht van eiser op een ZW-uitkering en toeslag over de periode van 27 december 2019 tot en met 22 december 2021 om dezelfde reden ingetrokken en € 43.398,12 bruto van eiser teruggevorderd.
- het recht van eiser op een WIA-uitkering over de periode van 23 april 2021 tot en met 30 april 2023 herzien omdat gebleken is dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] . Omdat de verdiensten niet bekend zijn, maar wel de dagen waarop is gewerkt heeft het Uwv per gewerkte dag het WIA-dagloon gekort op de uitkering. Omdat de exacte verdiensten niet konden worden vastgesteld is de toeslag ingetrokken. Van eiser is
€ 28.722,67 bruto teruggevorderd.
4.2.
Bij besluiten van 13 mei 2024 heeft het Uwv voornoemde bedragen van eiser ingevorderd. Eiser dient deze bedragen binnen zes weken aan het Uwv te betalen.
Bestreden besluit
5.
5.1.
Het Uwv heeft de primaire besluiten in stand gelaten. Volgens het Uwv is terecht gesteld dat eiser in de periode van 11 november 2019 tot en met 11 april 2023 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] . Het verrichten van (al dan niet betaalde) werkzaamheden is van invloed op de hoogte en duur van de door eiser ontvangen uitkeringen. Nu eiser deze niet heeft gemeld heeft hij zijn inlichtingenplicht geschonden. Als gevolg hiervan dient het Uwv de uitkeringen te herzien en de onverschuldigd betaalde uitkering van eiser terug te vorderen. [1]
5.2.
Er is volgens het Uwv geen aanleiding om anders te beslissen. Eisers naam komt in de periode van 11 november 2019 tot en met 11 april 2023 951 keer voor op de lijst van [bedrijf 3] en in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 maart 2022 150 keer voor op de lijst van [bedrijf 1] . Niet aannemelijk is (gemaakt) dat eiser op de genoemde data geen werkzaamheden heeft verricht. Het Uwv gaat uit van de juistheid van de registratie op de worksheets die van [bedrijf 3] en [bedrijf 1] zijn verkregen. Dat er geen sprake is geweest van geregistreerde geldelijke betalingen voor de werkzaamheden maakt volgens het Uwv niet dat deze niet zijn verricht en dat eiser daarvoor geen vergoeding heeft gekregen.
5.3.
Eiser heeft volgens het Uwv geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan wegens dringende redenen van terugvordering had moeten worden afgezien of deze had moeten worden gematigd. Van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur acht het Uwv verder geen sprake.
5.4.
Het Uwv is niet gebleken dat de besluiten tot invordering onjuist zijn. Eiser kan vragen om het verrichten van een inkomens- en vermogensonderzoek zodat een aflossingscapaciteit kan worden bepaald.
Beroepsgronden
6.
6.1.
Volgens eiser heeft het Uwv onvoldoende zorgvuldig onderzoek verricht. Het feitenonderzoek is niet deugdelijk en het Uwv heeft zich gebaseerd op onvolledige en niet geverifieerde informatie. Volgens eiser had nader onderzoek moeten worden verricht naar de betrouwbaarheid van de informatie, te meer nu [bedrijf 1] in financiële problemen verkeerde en failliet is gegaan.
6.2.
Eiser acht verder onvoldoende gemotiveerd dat hij gedurende de periode in geding structurele werkzaamheden zou hebben verricht voor [bedrijf 1] . Er is geen financiële transactie tussen eiser en [bedrijf 1] of [bedrijf 3] aangetoond. Hiermee ontbreekt volgens eiser een essentieel element voor de conclusie dat sprake is van een arbeidsverhouding.
6.3.
Eiser stelt zijn inlichtingenverplichting niet te hebben geschonden. Van het meelopen in 2021 heeft hij destijds geen melding gemaakt omdat hij geen loon heeft ontvangen en dit alleen maar ter oriëntatie was. Verder heeft hij geen werkzaamheden verricht zodat er ook niets was wat hij had moeten melden.
6.4.
Er is volgens eiser sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De besluiten staan volgens hem niet in verhouding tot de aard en de ernst van de vermeende overtreding. Eiser wordt geconfronteerd met een aanzienlijke terugvordering op basis van onvoldoende bewijs. Daarbij komt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en openheid van zaken heeft gegeven over zijn feitelijke activiteiten.
6.5.
Ook is volgens eiser sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Dit omdat het Uwv jarenlang geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van de vermeende werkzaamheden en plotseling is overgegaan tot een ingrijpende herziening en terugvordering. Eiser mocht er op vertrouwen dat zijn handelen correct was omdat hij openheid had gegeven over zijn activiteiten en geen signalen had ontvangen dat zijn gedrag problematisch was.

Verweerschrift

7. Het Uwv ziet geen aanleiding voor een ander standpunt. Er is sprake geweest van een zorgvuldig onderzoek. Hieruit is gebleken dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Daarbij is niet van doorslaggevend belang of hiervoor betalingen zijn verricht of aangetoond kunnen worden. Dat een bedrijf failliet is, maakt de administratie volgens het Uwv niet onbetrouwbaar.

Beoordeling door de rechtbank

8. Een besluit tot herziening en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. [2] Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv daarin vooralsnog niet geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
9.1.
Het Uwv heeft de conclusie dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij in de periode van 11 november 2019 tot en met 11 april 2023 (op geld waardeerbare) werkzaamheden zou hebben verricht (enkel) gebaseerd op van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] verkregen ritadministraties en een door eiser ondertekend formulier: “aanmeldformuliernor-chauffeur&subcontractor-juli 2018”.
9.2.
Hiermee is weliswaar een begin van bewijs geleverd, maar dit acht de rechtbank ontoereikend om een zo vergaande conclusie te kunnen dragen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser van meet af aan heeft ontkend (alle) ritten te hebben gereden. Alleen eind 2021 heeft hij volgens hem drie weken op proef met iemand meegelopen. Eisers uitleg dat waarschijnlijk iemand anders op zijn naam heeft gewerkt, is niet volledig onbegrijpelijk en behoeft in ieder geval nader onderzoek. Verder acht de rechtbank van belang dat uit het hiervoor genoemde formulier niet zonder meer volgt dat eiser in de periode in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Wanneer het formulier precies is getekend is niet bekend. Dat op het formulier in de voorgedrukte koptekst is vermeld ‘juli 2018’ betekent niet dat het ook in die maand is getekend. Eisers verklaring dat het formulier is ingevuld ten behoeve van het meelopen eind 2021 had, mede gelet hierop, ook nader moeten worden onderzocht. Hoewel niet van doorslaggevende betekenis, komt daarbij ook dat uit de opgevraagde bankgegevens niet van ontvangen loon is gebleken, wat in samenhang met het voorgaande nader onderzoek rechtvaardigt.
9.3.
Het Uwv heeft weliswaar contact opgenomen met [bedrijf 1] en verzocht om aanvullende informatie, maar deze is niet verkregen. Nadat het bedrijf, vermoedelijk vanwege een faillissement, niet meer kon worden bereikt, heeft het Uwv het onderzoek gestaakt. Van het Uwv had echter meer inspanning mogen worden verwacht. Zo had bijvoorbeeld, bij faillissement, contact opgenomen kunnen worden met de curator om zo verdere informatie te verkrijgen. De curator zal immers de administratie van het bedrijf in beslag genomen hebben. Daarnaast had ook via [bedrijf 3] nog geprobeerd kunnen worden meer helderheid te krijgen. Bijvoorbeeld over de vraag of zij chauffeurs registreerden, en wie en op welke manier voor de gereden ritten is betaald. Nader onderzoek naar eisers bankafschriften, zoals bijvoorbeeld zijn bestedingspatroon of het bestaan van mogelijke andere rekeningen, had daarbij ook nog betrokken kunnen worden.

Conclusie en gevolgen

10.
10.1.
Gelet op het voorgaande berust het bestreden besluit niet op een zorgvuldig onderzoek en deugdelijke motivering. De conclusie dat eiser in de (gehele) periode in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en daarmee dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden kan zonder nader onderzoek niet worden gevolgd.
10.2.
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet wegens strijd met artikel 3:2 en Pro 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. De rechtbank beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal voorts geen bestuurlijke lus toepassen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden, gelet op het nog te verrichten onderzoek in deze zaak. Het Uwv zal daarom een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht ter hoogte van € 53,- aan eiser vergoeden. Daarnaast moet het Uwv ook de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding wordt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 februari 2025;
- draagt het Uwv op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,-- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,-- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzitter, en mr. A.R. ten Berge, en
mr. dr. J.C. de Wit, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het Uwv verwijst naar de desbetreffende bepalingen in de WW, ZW en WIA en de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 13 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:474 en 8 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2708.