Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4822

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
15/220245-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77x Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie opgelegd voor openlijke geweldpleging en mishandeling in vereniging

De rechtbank Noord-Holland heeft op 22 april 2026 uitspraak gedaan in een meervoudige kamer jeugdstrafzaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van openlijke geweldpleging, mishandeling, bedreiging en poging afpersing. De feiten vonden plaats in juli en augustus 2025 in Velsen-Zuid en IJmuiden.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van de bedreiging en de poging afpersing wegens onvoldoende bewijs. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen een slachtoffer door hem te lokken, van de fiets te trekken, te duwen, te schoppen, te slaan en zijn kleding uit te trekken. Daarnaast mishandelde zij een ander slachtoffer door meerdere keren tegen het hoofd te slaan en een pluk haar uit het hoofd te trekken.

De verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar geacht vanwege een gedragsstoornis en problematische achtergrond. De rechtbank legde een jeugddetentie van 90 dagen op, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals elektronische monitoring, verblijf in een instelling en contactverboden. Tevens werd de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de slachtoffers, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie, waarvan 56 dagen voorwaardelijk, en schadevergoeding aan slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/220245-25
Uitspraakdatum: 22 april 2026
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 8 april 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
feitelijk verblijvende bij [instelling] te [plaats] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[de OvJ] en van wat de verdachte en haar raadsvrouw, mr. L.C. Fleskens, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Ook waren aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming
(hierna: de Raad) en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering).
Verder was aanwezig [ambulant begeleidster] , de ambulant begeleidster van de moeder van de verdachte.
Tot slot waren namens de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] aanwezig [medewerker slachtofferhulp] van slachtofferhulp en [ambulant begeleidster] als ambulant begeleidster.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1:
zij op of omstreeks 22 juli 2025 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen op [locatie] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [de benadeelde partij 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het
- lokken van die [de benadeelde partij 1] naar [locatie] door middel van het sturen snapchatberichten naar de vriendin van die [de benadeelde partij 1] met de vraag of ze naar [locatie] wilde komen en/of
- het van de fiets trekken van die [de benadeelde partij 1] en/of het duwen en/of schudden van die [de benadeelde partij 1] en/of het een of meerdere malen schoppen en/of slaan op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [de benadeelde partij 1] en/of het uittrekken van zijn kleding;
feit 2
zij op of omstreeks 22 juli 2025 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [de benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door hem te dwingen zijn kleding uit te trekken en/of hem in het water te duwen en/of hem (met kracht) enige tijd onder water te houden;
feit 3
zij op of omstreeks 26 augustus 2025 te IJmuiden, gemeente Velsen op de openbare weg [locatie] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 2] te dwingen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 2] en/of een derde toebehoorde(n) een of meermalen op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of en pluk haren uit haar hoofd heeft getrokken en/of heeft geroepen: "Moet ik je anders met een boksbeugel slaan" en/of "geeft me je telefoon", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij op of omstreeks 26 augustus 2025 te IJmuiden, gemeente Velsen [de benadeelde partij 2] heeft mishandeld, door een of meermalen op/tegen het hoofd te slaan en/of en pluk haren uit haar hoofd te trekken.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 en onder 3 primair ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de verdediging vrijspraak bepleit, omdat op basis van de bewijsmiddelen niet vastgesteld kan worden dat de verdachte degene is geweest die het slachtoffer in het water heeft geduwd en hem onder water heeft gehouden.
Ook heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde feit wegens het ontbreken van de opzet op het wegnemen van de telefoon. De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 2De rechtbank is van oordeel dat – zoals ook door de officier van justitie en de verdediging is betoogd – op grond van de bewijsmiddelen niet vastgesteld kan worden, dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte(n) bij de tenlastegelegde bedreiging door het in het water duwen en onder water houden van aangever [de benadeelde partij 1] . Er is immers niet gebleken van een gezamenlijke uitvoering dan wel een essentiële bijdrage van de verdachte aan deze gedragingen. Wel kan op basis van de bewijsmiddelen – in het bijzonder de verklaring van de verdachte en de aangifte – vastgesteld worden dat de verdachte aangever [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen zijn kleding uit te trekken. Deze gedraging kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden aangemerkt als een bedreiging in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op voorgaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.
3.3.2.
Vrijspraak feit 3 primair
Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte geweld heeft gebruikt jegens aangeefster [de benadeelde partij 2] , maar niet kan worden vastgesteld dat de opzet van de verdachte daarbij gericht was op het toe-eigenen van de telefoon van de aangeefster.
Gelet op voorgaande acht de rechtbank het onder 3 primair ten laste gelegde feit dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.
3.3.3.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en onder 3 subsidiair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en onder 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1:
zij op 22 juli 2025 te Velsen-Zuid, op [locatie] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 1] , welk geweld bestond uit het
- lokken van die [de benadeelde partij 1] naar [locatie] door middel van het sturen van snapchatberichten naar de vriendin van die [de benadeelde partij 1] met de vraag of ze naar [locatie] wilde komen en
- het van de fiets trekken van die [de benadeelde partij 1] , het duwen en schudden van die [de benadeelde partij 1] , het meerdere malen schoppen en slaan tegen het lichaam en het hoofd van die [de benadeelde partij 1] en het uittrekken van zijn kleding;
feit 3 subsidiair:
zij op 26 augustus 2025 te IJmuiden [de benadeelde partij 2] heeft mishandeld, door meermalen tegen het hoofd te slaan en een pluk haren uit haar hoofd te trekken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,
en
feit 3 subsidiair: mishandeling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 8 december 2025 opgesteld door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog. Dit rapport houdt, onder meer, het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een (matige) gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Verder is sprake van ouder-kindrelatieproblematiek en een voorgeschiedenis van psychotrauma. Deze problematiek was ook aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten.
De verdachte is voornamelijk tot de ten laste gelegde feiten gekomen vanuit problemen in de agressieregulatie en impulsiviteit, waarbij zij niet wordt geremd door empathie. Bovendien kan zij vanuit voornoemde problematiek eigen en andermans grenzen niet goed aanvoelen en deze makkelijk overschrijden. Er wordt daarom geadviseerd om de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de bevindingen en conclusie van de deskundige over en maakt deze
tot de hare. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten
in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de
verdachte (volledig) uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 90
dagen jeugddetentie, waarvan 56 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die zij in
voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar onder de algemene
voorwaarde en bijzondere – dadelijk uitvoerbare – voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht de eis van de officier van justitie te volgen.
Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de verdediging opgemerkt dat de verdachte, samen met haar vriend en zijn gezin, op vakantie wil gaan wat zij ook heeft verdiend vanwege haar positieve ontwikkeling. Zij verzoekt de rechtbank hier rekening mee te houden bij het opleggen van de bijzondere voorwaarde gericht op de elektronische monitoring.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de
rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van
een en ander uit het onderzoek ter zitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig heeft gemaakt aan twee geweldsdelicten, te weten openlijke geweldpleging en mishandeling.
De verdachte heeft samen met anderen aangever [de benadeelde partij 1] naar een locatie gelokt, waar hij door meerdere mensen is geschopt en geslagen tegen zijn hoofd en lichaam en zijn kleding is uitgetrokken. Vervolgens is hij onder dwang in het water gesprongen en is hij enige tijd onder water gehouden. De verdachte heeft hier een aandeel in gehad door zijn kleding uit te trekken en hem ook daartoe te dwingen.
Een maand later heeft de verdachte aangever [de benadeelde partij 2] meermaals tegen haar hoofd geslagen en aan haar haar getrokken waardoor zij een pluk haar is verloren. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat zij zich op deze gewelddadige manier met conflicten, waar zij aanvankelijk niet eens betrokkenheid bij had, heeft bemoeid.
Door zo te handelen heeft de verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke
integriteit en levenssfeer van de beide aangevers, waarbij zij hen grote angst heeft toegebracht. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Dat blijkt ook hier het geval te zijn, gezien de aangiftes en de vorderingen van de aangevers als benadeelde partijen. Uit de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] blijkt dat hij sinds het feit niet meer naar buiten durft en behandeling krijgt van een psycholoog. Ook uit de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] blijkt dat zij lang angstig is geweest en niet alleen naar buiten durft. Daarbij komt dat beide feiten zijn gefilmd en verspreid, waardoor de benadeelde partijen tot op heden met de incidenten worden geconfronteerd. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van
23 februari 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;
- het onder 5 genoemde psychologisch onderzoeksrapport van 8 december 2025 opgesteld door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 17 maart 2026 van [raadsonderzoeker] raadsonderzoeker bij de Raad.
Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat, zoals hierboven beschreven onder 5, de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Uit dit onderzoek blijkt verder dat het risico op grensoverschrijdend gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat. De verdachte is opgegroeid in een onrustige en onveilige omgeving met uithuisplaatsingen, afwezigheid van de vader en pedagogische onmacht van de moeder. Daarnaast heeft zij onvoldoende emotionele en interpersoonlijke vaardigheden geleerd, waardoor zij niet adequaat om kan gaan met (interpersoonlijke) conflicten. De verdachte is daarom gebaat bij begeleiding en behandeling, waarbij de begeleiding aanvankelijk ingezet dient te worden op het gebied van wonen, scholing, dagbesteding en pro-sociale contacten. Daarnaast is zij gebaat bij behandeling gericht op het verbeteren van de emotie- en agressieregulatie, verminderen van impulsiviteit, verstevigen van zelfcontrole en versterken van copings- en interpersoonlijke vaardigheden. Er wordt geadviseerd te starten met laagdrempelige behandeling en op lange termijn in te zetten op een intensief behandelaanbod zoals Dialectische Gedragstherapie of een Mentaliseren Bevorderende Therapie. Het advies is om de begeleiding en behandeling plaats te laten vinden in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf.
Met de conclusies van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen.
De Raad heeft schriftelijk geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke
jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een voorwaardelijke
jeugddetentie met een proeftijd en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan behandeling in de vorm van een psycholoog en/of coach, zich inzet voor het verkrijgen en behouden van positieve dagbesteding, verblijft bij [instelling] of een soortgelijke instelling, zich houdt aan een avondklok en zich ter controle hiervan onder elektronische monitoring stelt voor maximaal drie maanden en zich houdt aan contactverboden met de medeverdachten en slachtoffers. Er wordt gezien dat de verdachte duidelijke kaders en externe motivatie nodig heeft om zich te kunnen reguleren en de hulpverlening te accepteren. Er wordt ook geadviseerd de voornoemde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren omdat zonder voorwaarden sprake is van een grote kans op recidive. Hoewel de verdachte gemotiveerd is om geen strafbare feiten te plegen, heeft zij weinig vertrouwen in zichzelf. Om deze reden is een verlenging van de elektronische monitoring geadviseerd. Zij zal echter middels hulpverlening moeten leren erop te vertrouwen dat zij de juiste keuzes kan maken.
De Raad heeft ter zitting het advies in het raadsrapport gehandhaafd.
Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat het leven van de verdachte vrij complex en onrustig is, wat maakt dat de focus ligt op het creëren van een zo stabiel en rustig mogelijke thuissituatie. De verdachte verblijft momenteel tijdelijk in een studio met één-op-één begeleiding van [instelling] en er wordt gezien dat haar zorgelijke gedrag afneemt en de rust is toegenomen. Er is al een passende vervolgplek gevonden bij [vervolgplek] , met een vergelijkbare constructie als bij [instelling] , maar dan met minder begeleiding. Verder wordt het van belang geacht dat kleine en haalbare doelen gesteld worden, waarbij de nadruk momenteel vooral ligt op dingen die de verdachte wel lukken en de kleine positieve stapjes die zij zet. Daarnaast is het noodzakelijk dat de behandeling voor haar agressieregulatie voortgezet wordt.
Conclusie
In zijn algemeenheid geldt dat bij ernstige strafbare feiten als deze, te weten openlijke geweldpleging en mishandeling, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. Bij oplegging van de straf houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte 34 dagen gedetineerd is geweest. In het nadeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat zij zich meermaals niet aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en een tweede ernstig strafbaar feit heeft gepleegd. Ook houdt de rechtbank rekening met het psychologisch onderzoeksrapport, waaruit onder andere is gebleken dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het advies van de Raad om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met algemene en bijzondere voorwaarden.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om in dit geval van het uitgangspunt af te wijken om een jeugddetentie op te leggen. Gezien de ernst van de feiten ziet de rechtbank ondanks dat de verdachte is vrijgesproken van de onder 2 en onder 3 primair ten laste gelegde feiten, evenmin reden om af te wijken van de eis van de officier van justitie.
De rechtbank is van oordeel dat een jeugddetentie van 90 dagen moet worden opgelegd, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, waaronder een avondklok met elektronische monitoring voor de duur van maximaal drie maanden, verblijf bij [instelling] of een soortgelijke instelling, meewerken aan behandeling en/of hulpverlening, het hebben van zinvolle dagbesteding en een contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachten.
Ten aanzien van de elektronische monitoring merkt de rechtbank op dat hier uitvoering aan dient te worden gegeven voor zover en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, en maximaal voor de duur van drie maanden. Dit maakt dat het de jeugdreclassering vrij staat om de elektronische monitoring tijdelijk te onderbreken, zodat de verdachte de mogelijkheid heeft om op vakantie te gaan, en bij terugkomst de monitoring direct weer aan te sluiten.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaar zijn. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan een
misdrijf dat is gericht tegen, en gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het
lichaam van een persoon, te weten openlijke geweldpleging en mishandeling.
De rechtbank is, mede gelet op de hoge recidivefactoren blijkens de persoonsrapportages en het feit dat de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd, van oordeel dat zonder de voorwaarden er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1
en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 129,99 aan materiële schade, te weten Nike schoenen, en uit immateriële schade van € 2.600,00.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde schade, vermeerderd met de wettelijke rente, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om matiging van de gevorderde immateriële schade gelet op de beperkte rol van de verdachte en de bepleite vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1
bewezen verklaarde feit. De vordering is ook voldoende onderbouwd en wordt niet betwist. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook geheel toewijzen, te weten € 129,99.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft samen met anderen de benadeelde partij meermaals geschopt en geslagen op zijn hoofd en lichaam en zijn kleding uitgetrokken. Blijkens de toelichting in de vordering is de benadeelde partij door dit handelen tot op heden nog steeds angstig en durft hij niet meer alleen naar buiten te gaan. Daarnaast heeft hij tot op heden last van een verdikking van zijn vinger. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde fysieke en geestelijke letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden, valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Dit heeft de verdachte ook niet betwist. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade dan ook toewijzen, te weten € 2.600,00 gelet op de onderbouwing van de vordering en de Rotterdamse Schaal bij licht letsel (13 a).
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke
rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag, te weten € 2.729,99
vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2025 tot aan de dag der algehele
voldoening.
De betalingsverplichting wordt hoofdelijk opgelegd aan de verdachte, nu de verdachte het
feit met anderen heeft gepleegd. Dit betekent dat zij naar burgerlijk recht (van rechtswege)
jegens de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de totale schade. Daarbij zal de
rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft
betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij
heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden
door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd:
openlijke geweldpleging] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
7.2.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van primair
€ 900,00 en subsidiair € 450,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 3 laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde immateriële schade tot € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om matiging van de gevorderde immateriële schade.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij meermaals heeft geslagen tegen het hoofd en een pluk haar uit haar hoofd heeft getrokken. Blijkens de toelichting op de vordering is de benadeelde partij door dit handelen nog lang angstig geweest en heeft zij last gehad van herbelevingen. De rechtbank is van oordeel dat dit gestelde fysieke en geestelijke letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden, valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Dit heeft de verdachte ook niet betwist. Gelet op de onderbouwing van de vordering, wat op de zitting is besproken en de vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde, komt de rechtbank vergoeding van de ‘subsidiair’ gevorderde immateriële schade, te weten € 450,00, billijk voor. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal het onder ‘primair’ meer gevorderde door de benadeelde partij, afwijzen.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij
heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden
door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mishandeling] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 en onder 3 primair is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en onder 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 en onder 3 subsidiair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
negentig (90) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot zesenvijftig (56)
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd zal melden bij de jeugdreclassering van de
gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres] , op de door de jeugdreclassering te bepalen tijden en plaatsen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
  • zal meewerken aan de door de jeugdreclassering noodzakelijk geachte behandeling en/of hulpverlening in de vorm van een psycholoog en/of coach, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht;
  • zich zal inzetten voor het hebben en behouden van een positieve dagbesteding in de vorm van onderwijs, en gedurende de vrijetijd en de vakantie in de vorm van een baan of andere zinvolle dagbesteding;
  • zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang van [instelling] of een soortgelijke instelling;
  • zich zal houden aan een avondklok van 22:00 uur tot 7:00 uur van zondag tot en met donderdag en van 23:00 uur tot 7:00 uur van vrijdag tot en met zaterdag, waarbij zij gedurende de avondklok zal verblijven op het adres [adres] ( [instelling] ), voor een maximale duur van drie maanden en voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig acht;
  • zich ter controle van de avondklok onder elektronische monitoring laat stellen, voor een maximale duur van drie maanden en voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig acht;
  • op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers, te weten:
* [de benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] ;
* [de benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] .
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten, te weten:
* [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] :
* [medeverdachte 2] . geboren op [geboortedatum] ;
* [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] ;
* [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum] .
Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 2.729,99, bestaande uit € 129,99 voor de materiële en € 2.600,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is
betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van €2.729,99, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
nul (o) dagenjeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 2]geleden immateriële schade tot een bedrag van
€ 450,00, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst af het (onder primair) meer gevorderde.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 450,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
nul (o) dagenjeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mr. E.C.M. van Mierlo en mr. G.D. de Jong, allen kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.D. Warmerdam,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 april 2026.