Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4857

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
HAA 26/1237
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening om schorsing omgevingsvergunning padelbanen

Vergunninghouder heeft op 5 november 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van vier padelbanen op een perceel in Kwadijk. Het college van burgemeester en wethouders verleende deze vergunning op 6 november 2025. Verzoekers maakten hiertegen bezwaar op 17 december 2025, aangevuld op 21 januari 2026.

Naar aanleiding van de start van werkzaamheden door vergunninghouder op 17 februari 2026, verzochten verzoekers op 20 februari 2026 de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de vergunning te schorsen totdat op bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 23 april 2026.

De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed bestaat. Omdat vergunninghouder de werkzaamheden heeft stilgelegd en schriftelijk heeft verklaard deze te staken totdat op bezwaar is beslist, ontbrak het spoedeisend belang. Daarom werd het verzoek afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1237
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

1.1) [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ( [adres 1] ),

2) [naam 4] en [naam 5], ( [adres 2] ), en
3) [naam 6]( [adres 3] ),
allen uit Kwadijk,
hierna: verzoekers
(gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam

hierna: het college
(gemachtigden: S. Hoekstra en D. van de Goot).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Sportvereniging Kwadijk uit Kwadijk

hierna: vergunninghouder.

Procesverloop

1.1.
Vergunninghouder heeft op 5 november 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 4 padelbanen op het perceel Reinoud van Brederostraat 9 in Kwadijk. Het college heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 6 november 2025, gepubliceerd op 10 november 2025, verleend. Hiertegen hebben verzoekers op
17 december 2025, aangevuld op 21 januari 2026, bezwaar gemaakt.
1.2.
Omdat vergunninghouder op 17 februari 2026 is gestart met de werkzaamheden hebben verzoekers op 20 februari 2026 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen en de vergunning te schorsen totdat op bezwaar wordt beslist.
1.3.
Het college en vergunninghouder hebben schriftelijk op het verzoek gereageerd.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van het college.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Vergunninghouder heeft naar aanleiding van het door verzoekers ingediende verzoek om voorlopige voorziening de werkzaamheden stilgelegd en schriftelijk verklaard dat zij in afwachting van de beslissing op bezwaar de werkzaamheden staakt en gestaakt zal houden. Onder deze omstandigheden hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het treffen van enige voorziening in afwachting van die beslissing, zodat de voorzieningenrechter geen voorziening kan treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.
3. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.