Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4860

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
C/15/366534
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:15j BWArt. 3:171 BWArt. 3:185 lid 1 BWArt. 6:203 lid 1 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling vennootschapsvermogen en terugvordering onverschuldigde betalingen na ontbinding vof

Eiser en gedaagde waren vennoten in een vennootschap onder firma die in 2024 is ontbonden. Er bestaat onenigheid over de verdeling van het vennootschapsvermogen en onttrekkingen door gedaagde, waaronder betalingen aan zijn echtgenote zonder rechtsgrond.

Eiser vordert onder meer de benoeming van een deskundige voor de verdeling van het vermogen, verstrekking van financiële gegevens door gedaagde, en terugbetaling van onverschuldigde betalingen aan de echtgenote. Gedaagde betwist de vorderingen en voert procedurele en inhoudelijke verweren aan.

De rechtbank oordeelt dat de dagvaarding niet nietig is en dat eiser niet in strijd met artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld. De rechtbank wijst de vorderingen tot verstrekking van bepaalde gegevens af wegens onvoldoende belang. Betalingen aan de echtgenote zijn onverschuldigd gedaan en moeten worden terugbetaald. De rechtbank beveelt gedaagde om nadere toelichting te geven op betalingen ten behoeve van eiser, waarna uitspraak volgt over de verdeling van het vermogen. Een vergoeding van werkelijke proceskosten wordt afgewezen.

Uitkomst: Rechtbank beveelt nadere toelichting op onttrekkingen en oordeelt dat betalingen aan echtgenote onverschuldigd zijn gedaan en terugbetaald moeten worden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/366534 / HA ZA 25-364
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. H.C. Vroege,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats 2],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2],
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. C.A. Gentile Martin.

1.De zaak in het kort

[eiser] en [gedaagde 1] hebben samen een onderneming gedreven in een vennootschap onder firma. De vennootschap is in 2024 ontbonden. De vennoten hebben nog geen overeenstemming bereikt over de verdeling van het vermogen. [eiser] stelt daarom een aantal vorderingen in. Hij vordert onder meer om het vermogen te verdelen, na benoeming van een deskundige. Ook vordert hij [gedaagde 1] te veroordelen gegevens te verstrekken die volgens hem van belang zijn voor de verdeling.
[gedaagde 1] is getrouwd met [gedaagde 2]. [eiser] zegt dat [gedaagde 1] vanuit de vennootschap ongeveer € 41.000,00 aan [gedaagde 2] heeft betaald zonder dat daar een rechtsgrond voor was. [eiser] vindt dat [gedaagde 2] dit bedrag terug moet betalen. In dit tussenvonnis beveelt de rechtbank [gedaagde 1] om zijn verweer dat beide vennoten onttrekkingen uit het vermogen van de vennootschap hebben gedaan toe te lichten. Vooruitlopend op het eindvonnis oordeelt de rechtbank dat [gedaagde 1] de door [eiser] gevorderde gegevens niet hoeft te verstrekken en dat de betalingen aan [gedaagde 2] onverschuldigd zijn gedaan.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 april 2025 met 36 producties. Daarbij ontbraken de producties 32 tot en met 34;
- het herstelexploot van 13 mei 2025
- de conclusie van antwoord van [gedaagden] met 10 producties
- het tussenvonnis van 5 november 2025
- de akte overlegging producties tevens akte van wijziging van [eiser] met producties 37 tot en met 44
- de akte overlegging producties van [gedaagden] met producties 11 tot en met 15
- de alsnog door [eiser] overgelegde producties 32 tot en met 34 en de door de rechtbank opgevraagde jaarcijfers over 2020, 2021, 2022 en 2023
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2026, waarbij de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben voorgedragen en overgelegd en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt
- de akten van uitlating waarin beide partijen, na een poging om tot overeenstemming te komen, hebben verzocht om vonnis te wijzen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is leraar Engels en werd in 2015 leraar van het jaar. [gedaagde 1] is leraar Nederlands, geschiedenis en creatieve vakken en heeft enige bekendheid verkregen met vlogs en series op YouTube. Van 1 juli 2020 tot 1 december 2024 werkten zij samen in de vennootschap onder firma ‘[bedrijf]’(hierna: [bedrijf]). De onderneming van [bedrijf] organiseerde onder meer zomerscholen in Amsterdam en events en workshops.
3.2.
[gedaagde 2], ook wel genaamd of werkend onder de naam [naam 1], is de echtgenote van [gedaagde 1].
3.3.
[eiser] en [gedaagde 1] hebben hun afspraken over de samenwerking niet schriftelijk vastgelegd. Wel is de vennootschap onder firma per 1 juli 2020 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Mondeling zijn [eiser] en [gedaagde 1] overeengekomen dat de inkomsten 50/50 zouden worden verdeeld. Volgens het uittreksel uit het handelsregister waren beide vennoten zelfstandig bevoegd betalingen te doen tot € 2.000,00. In de praktijk beheerde [gedaagde 1] de administratie en financiën en was [eiser] (vooral) verantwoordelijk voor het binnenhalen van opdrachten en het onderhouden van relaties.
3.4.
In de tweede helft van 2024 hebben [eiser] en [gedaagde 1] (deels via een notaris) gecommuniceerd over voortzetting van de onderneming in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. In diezelfde periode is de verstandhouding tussen [eiser] en [gedaagde 1] verslechterd. Begin november 2024 heeft [gedaagde 1] [eiser] per mail meegedeeld dat [gedaagde 1] voor onbepaalde tijd alle communicatie met de partners van het bedrijf zou overnemen en dat [gedaagde 1] wilde dat [eiser] met een verbeterplan zou komen. Daarop heeft [eiser] juridische bijstand ingeschakeld.
3.5.
De toenmalige advocaat van [eiser] heeft [gedaagde 1] op 13 november 2024 meegedeeld dat [eiser] erkent dat de samenwerking de laatste maanden niet goed was, maar dat [gedaagde 1] bij een gelijkwaardig partnerschap niet het recht had om eenzijdig [eiser] op non-actief te stellen. De advocaat is ingegaan op de door [gedaagde 1] aan [eiser] gemaakte verwijten en heeft [gedaagde 1] (onder meer) gesommeerd om de non-actiefstelling ongedaan te maken, om mutatieoverzichten van de bankrekeningen van [bedrijf] vanaf eind juli 2024 te verstrekken en om bankpassen en inloggegevens van het WeFact-account met in- en verkoopfacturen van [bedrijf] te verstrekken (de administratie van [bedrijf] werd in WeFact gevoerd).
3.6.
De vennootschap onder firma [bedrijf] is in deze periode met wederzijds goedvinden per 1 december 2024 ontbonden. Op 18 november 2024 hebben [eiser] en [gedaagde 1] als vennoten een Kamer van Koophandel-formulier getekend waarmee de ontbinding van de vennootschap werd ingeschreven in het handelsregister.
3.7.
Partijen hebben geprobeerd om samen tot een financiële afwikkeling te komen. In de verwachting dat [eiser] dat ook zou doen heeft [gedaagde 1] in het kader van dit overleg de communicatie van zijn advocaat overgenomen. [eiser] heeft de communicatie overgelaten aan zijn (toenmalige) advocaat. Die heeft [gedaagde 1] verzocht alle gegevens toe te sturen die relevant zijn voor de afwikkeling van de vennootschap. Daarop heeft [gedaagde 1] opnieuw een advocaat ingeschakeld.
3.8.
Op 17 december 2024 heeft de (nieuwe) advocaat van [gedaagde 1] de advocaat van [eiser] laten weten dat niet duidelijk is welke gegevens worden bedoeld omdat [eiser] altijd inzicht in de financiële gegevens heeft gehad en dat het niet mogelijk was bankafschriften te verstrekken, omdat de bankrekeningen zijn opgeheven. Daarbij heeft de advocaat meegedeeld dat [gedaagde 1] inmiddels volgens afspraak gegevens aan boekhouder [betrokkene 1] (hierna: de boekhouder) heeft verstrekt en dat de boekhouder beide vennoten tegelijk zal informeren.
3.9.
Op 19 december 2024 heeft de boekhouder een kolommenbalans 2024 en crediteurenlijst per 18 december 2024 aan [eiser] en [gedaagde 1] gestuurd.
3.10.
Na een verzoek om nadere gegevens van [eiser] heeft de boekhouder op 12 februari 2025 de jaarrekeningen over de jaren 2022 tot en met 2023 aan [eiser] toegestuurd. Voor gegevens betreffende inkoop en verkoop heeft de boekhouder [eiser] verwezen naar het administratiesysteem WeFact. [eiser] heeft daarop aangegeven dat hij geen toegang had tot WeFact. Hij heeft de boekhouder gevraagd voor hem de gegevens uit WeFact te exporteren. De boekhouder heeft [eiser] naar [gedaagde 1] verwezen. Die heeft [eiser] een uitdraai uit WeFact gestuurd.
3.11.
[eiser] heeft in de periode daarna rechtstreeks van ING afschriften gekregen van de bankrekening van [bedrijf]. Met een brief van 4 maart 2025 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] de advocaat van [gedaagde 1] geschreven dat nog veel van de gevraagde gegevens, zoals een kopie van de volledige grootboekadministratie, ontbreken. Ook heeft hij gesteld dat [eiser] een vordering op [gedaagde 1] heeft van ten minste € 63.606,46, omdat uit de bankafschriften naar voren komt dat [gedaagde 1] de rekening van [bedrijf] heeft gebruikt voor aanzienlijke privéuitgaven (en betalingen aan [gedaagde 2]).
3.12.
Op 2 april 2025 heeft de boekhouder de jaarcijfers 2024 voor goedkeuring aan [eiser] en [gedaagde 1] gestuurd. In de aanbiedingsbrief schrijdt de boekhouder dat de vennoten hebben aangegeven dat het eigen vermogen elk jaar gelijk getrokken moet worden en dat dat ook elk jaar is gebeurd.
3.13.
De boekhouder heeft in mei/juni 2025 de grootboek- en de debiteuren/crediteurenadministratie aan [eiser] verstrekt. Bij de grootboekrekeningen is een disclaimer geplaatst dat de gegevens daarvan niet meer actueel zijn vanwege achteraf bekend geworden informatie. [eiser] heeft na het uitbrengen van de dagvaarding ook toegang gekregen tot het WeFact-account van [bedrijf]. Hij heeft daarbij geen inzicht in uit WeFact verwijderde gegevens.
3.14.
[eiser] heeft conservatoir derdenbeslag gelegd op bankrekeningen van [gedaagde 1] en op vorderingen die de gemeente Amsterdam aan [gedaagde 1] verschuldigd is of zal worden.
3.15.
De financiële afwikkeling van de vennootschap onder firma heeft nog niet plaatsgevonden.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert na wijziging eis – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. een deskundige te benoemen om de verdeling van het vermogen van [bedrijf] vast te stellen, rekening houdend met de kapitaalstand en met de in de dagvaarding genoemde omstandigheden, althans in goede justitie het vermogen van [bedrijf] te verdelen, en [gedaagde 1] te veroordelen om aan [eiser] het bedrag te voldoen waarvoor [eiser] is onderbedeeld;
II. [gedaagde 1] te veroordelen om binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis aan de advocaat van [eiser] en aan de aan te stellen deskundige de volgende gegevens te verstrekken:
1. NAW- en contactgegevens betreffende [betrokkene 2], en gegevens aan de hand waarvan geverifieerd kan worden op welke grond [bedrijf] bedragen aan hem of haar heeft voldaan;
2. de offerte en slotfactuur inzake project Video Amsterdamse Klas,
zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of keer dat hij in verzuim is met een maximum van € 50.000,00.
III. [gedaagde 1] te gebieden om medewerking te verlenen aan het onderzoek van de aan te stellen deskundige en in dat kader binnen 14 dagen te voldoen aan elk informatieverzoek van de deskundige, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of keer dat hij in verzuim is met een maximum van € 50.000,00.
IV. [gedaagde 2] te veroordelen om € 41.854,73 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum dat [gedaagde 2] de betalingen ontving;
V. [gedaagde 1] te veroordelen om de helft van het door [gedaagde 2] onbetaald gelaten bedrag te betalen, als [gedaagde 2] niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis volledig aan de onder IV genoemde veroordeling heeft voldaan;
VI. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de beslagkosten;
VII. [gedaagde 1] te veroordelen in de werkelijke advocaatkosten van [eiser] voor zover deze niet in de gebruikelijke proceskostenveroordeling begrepen zijn, zodanig dat de totale advocaatkosten van [eiser] van € 18.876,00 worden vergoed.
4.2.
[eiser] verduidelijkt zijn vorderingen als volgt. Hij vordert dat de rechtbank het vermogen van de vennootschap onder firma verdeelt en daartoe een deskundige benoemt. Daarbij voert hij samengevat het volgende aan. Uit de jaarrekening 2024 volgt een resultaat van € 29.000,00 op een omzet van € 305.929,00. Bij eenzelfde omzet werd in 2023 nog een winst van € 124.079,00 gerealiseerd. Dit verschil is onbegrijpelijk. Het slechte resultaat komt vooral door een stijging van de kosten. Deze stijging wordt vermoedelijk veroorzaakt door geheime onttrekkingen. Uit bankafschriften blijkt dat [gedaagde 1] de rekening van de vennootschap heeft gebruikt om privéuitgaven te betalen. Zo zijn van de rekening van de vennootschap onder meer de volgende betalingen voor [gedaagde 1] gedaan: € 10.229,00 voor de aanschaf van een keuken; € 39.250 voor de aanschaf van een auto en betalingen voor diverse abonnementen. Ook zijn er voor € 44.153,73 betalingen gedaan aan [gedaagde 2] terwijl zij op een enkele opdracht na nooit voor de vennootschap heeft gewerkt. Sinds het begin heeft [eiser] € 160.265,01 opgenomen en/of uitgegeven van de rekening van de vennootschap. In dezelfde tijd heeft [gedaagde 1] € 243.324,20 opgenomen en/of uitgegeven. [eiser] vordert de helft van het verschil tussen deze bedragen om het gelijk te trekken. Het werkelijke verschil is vermoedelijk (veel) groter. Er zijn nog veel betalingen gedaan vanaf de rekening van [bedrijf] waarbij [eiser] niet kon achterhalen of het privéonttrekkingen betrof. Zo zijn er ook betalingen gedaan aan [betrokkene 2]. Deze persoon is [eiser] niet bekend, maar de initialen komen overeen met die van (het bedrijf van) [gedaagde 2]. Ook zijn er betalingen aan de belastingdienst die niet te herleiden zijn naar btw-aangiften.
[eiser] heeft er redelijk belang bij dat [gedaagde 1] de volledige administratie aan hem overlegt. Zo moet inzichtelijk gemaakt worden op welke grond betaald is aan [betrokkene 2]. In dit kader doet [eiser] een beroep op artikel 3:15j van het Burgerlijk Wetboek (BW), op artikel 162 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 194 Rv Pro.
[eiser] legt aan de vordering tot het benoemen van een deskundige ten grondslag dat het vermogen van [bedrijf] nog niet is verdeeld en [gedaagde 1] wegens overbedeling nog een bedrag aan [eiser] moet betalen. Omdat het resterende vennootschapsvermogen ontoereikend is om [eiser] een gelijk winstdeel te verschaffen als wat [gedaagde 1] heeft genoten, moet [gedaagde 1] wat [eiser] tekort komt aan hem voldoen.
[gedaagde 2] moet € 41.854,73 betalen omdat [gedaagde 1] dit zonder grondslag en onverschuldigd namens [bedrijf] aan [gedaagde 2] heeft betaald. Ook was [gedaagde 1] niet bevoegd om bedragen hoger dan € 2.000,00 zelfstandig te betalen. Omdat [eiser] voor een groter bedrag is onderbedeeld dan € 41.854,73 vindt hij het passend dat [gedaagde 2] dit bedrag als voorschot op de afwikkeling van [bedrijf] aan [eiser] voldoet. Als [gedaagde 2] niet betaalt, moet [gedaagde 1] de helft van het bedrag betalen omdat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld of tekort is geschoten als vennoot door bedragen zonder rechtsgrond aan [gedaagde 2] over te maken.
Omdat [gedaagde 1] willens en wetens heeft belet dat [eiser] zonder procedure tot een eerlijke afwikkeling van [bedrijf] kon komen, maakt [eiser] aanspraak op een vergoeding van alle door hem gemaakte proceskosten.
4.3.
[gedaagden] voeren verweer. Zij vinden dat de dagvaarding (en/of het herstelexploot) niet moet worden verklaard, dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard en/of dat de vordering van [eiser] moeten worden afgewezen. Daarbij vragen zij [eiser] – uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagden] voeren allereerst aan dat [eiser] ten onrechte heeft nagelaten om de dagvaarding deugdelijk aan te passen nadat [eiser] de zaak tegen het – ook gedagvaarde – boekhoudkantoor introk. Daardoor voldoen het lichaam en het petitum van de dagvaarding niet aan de eisen van de wet. Zonder aanpassing is onduidelijk hoe de dagvaarding tegen [gedaagden] moet worden uitgelegd. Zo worden [gedaagden] onredelijk benadeeld in hun verdediging en dat is ook in strijd met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. [eiser] had de dagvaarding moeten aanpassen met een herstelexploot.
[eiser] heeft daarnaast in strijd met artikel 21 Rv Pro gehandeld door [gedaagde 1] in een negatief daglicht te plaatsen en onterecht te stellen dat hij niet op de hoogte was van de financiële gang van zaken binnen [bedrijf]. [eiser] was van alles op de hoogte.
[gedaagde 1] voert verder (samengevat) het volgende aan. Er is geen reden een deskundige te benoemen voor de afwikkeling van het vennootschapsvermogen, want [eiser] heeft altijd ingestemd met de jaarcijfers. De boekhouder heeft een eindafrekening gemaakt en [eiser] heeft zijn zaak tegen de boekhouder ingetrokken. Daarmee erkent [eiser] feitelijk de juistheid van die eindafrekening. Daarbij is van belang dat [eiser] en [gedaagde 1] allebei opnames deden. [eiser] heeft zelf veelvuldig geldopnames gedaan en aan [gedaagde 1] verzocht om van de rekening van [bedrijf] privéuitgaven van [eiser] te betalen. [gedaagde 1] betwist (een aantal van) de door [eiser] gestelde privéuitgaven. Ook had [eiser] steeds toegang tot de bankrekening had. Omdat [eiser] alle gegevens heeft, moeten de vorderingen informatie te verstrekken worden afgewezen.
[eiser] heeft akkoord gegeven voor de werkzaamheden van en betalingen aan [gedaagde 2], zodat [gedaagde 2] dat niet hoeft terug te betalen. [gedaagde 1] hoeft de helft daarvan evenmin te betalen, want hij heeft niet onrechtmatig gehandeld en is ook niet te kort is geschoten door de betalingen te doen. Bovendien ontbreekt een juridische grondslag voor deze vordering. Een veroordeling in de werkelijke proceskosten is niet aan de orde. Juist [eiser] handelt in strijd met artikel 21 Rv Pro en maakt mogelijk misbruik van procesrecht, aldus [gedaagden].
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Dagvaarding is niet nietig
5.1.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is dat de dagvaarding nietig is omdat in de dagvaarding een deugdelijke eis en de gronden hiervan tegen de overgebleven gedaagden zoals voorgeschreven in artikel 111 lid 2 Rv Pro in samenhang met artikel 120 Rv Pro ontbreken. Als dit verweer zou slagen, dan komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke behandeling van de vorderingen van [eiser]. Het verweer slaagt echter niet.
5.2.
Artikel 111 lid 2 aanhef Pro en onder d Rv bepaalt dat het exploot van de dagvaarding de eis en de gronden daarvan bevat. Uit artikel 120 Rv Pro volgt dat dit voorschrift op straffe van nietigheid moet worden gevolgd. Artikel 122 Rv Pro bepaalt vervolgens dat als de gedaagde in de procedure verschijnt en zich op de nietigheid van de dagvaarding beroept, de rechter dat beroep verwerpt als naar zijn oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding de eis en de gronden daarvan bevat. Dat de dagvaarding (en het herstelexploot) mede gericht tegen het boekhoudkantoor en de procedure tegen de boekhouder kort na het uitbrengen van het herstelexploot is ingetrokken doet daar niet aan af. In de dagvaarding wordt het boekhoudkantoor genoemd bij de vorderingen II en III. Daar vordert [eiser] om [gedaagden] en het boekhoudkantoor te veroordelen gegevens te verstrekken en mee te werken aan het onderzoek van de te benoemen deskundige. Met het wegvallen van de procedure tegen het boekhoudkantoor zijn deze vorderingen weliswaar enkel nog gericht tegen [gedaagde 1], maar daarmee is de eis niet onduidelijk geworden. Ook zijn [gedaagden] – anders dan zij zeggen – niet benadeeld in hun verdediging. Ook na de intrekking van de procedure tegen het boekhoudkantoor is duidelijk waartegen [gedaagden] zich moeten verweren. Dat is voldoende duidelijk uiteengezet in het lichaam van de dagvaarding. Dat [gedaagden] niet duidelijk zou zijn welke gegevens het boekhoudkantoor inmiddels al verstrekt heeft, maakt verweer niet onmogelijk. Daarbij komt dat [gedaagden] die dat ook niet met zekerheid zouden weten als [eiser] het boekhoudkantoor niet eerst had gedagvaard. Daarbij komt dat [eiser] voor de mondelinge behandeling zijn eis heeft gewijzigd, zodanig dat die enkel nog gericht is tegen [gedaagden] en daarbij duidelijk heeft aangegeven welke gegevens nog niet zijn verstrekt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, zelfs als de stelling van [gedaagden] dat de dagvaarding niet voldoende duidelijk zou zijn in de eis en gronden juist zou zijn geweest, dit niet zou leiden tot nietigheid van het (herstel)exploot van de dagvaarding omdat [gedaagden] niet onredelijk in hun belangen zijn geschaad.
Artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering
5.4.
Een ander verstrekkend verweer van [gedaagden] is dat [eiser] in strijd met artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld. [eiser] wist steeds van alle financiële zaken en weet ook wie [betrokkene 2] is. Omdat [eiser] de verplichting van artikel 21 Rv Pro niet heeft nageleefd, moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, aldus [gedaagden]. De rechtbank volgt [gedaagden] daarin niet.
5.5.
Op grond van artikel 21 Rv Pro zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledigheid en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Anders dan [gedaagden] aanvoeren blijkt uit de overgelegde stukken niet dat [eiser] [betrokkene 2] kent. Dat [eiser] die naam noemt in een korte mail over betalingen is bij de uitgebreide betwisting van [eiser] onvoldoende om tot dat oordeel te komen. Wel komt uit de overgelegde gegevens naar voren dat [eiser] met enige regelmaat contact had met [gedaagde 1] over financiële zaken (zoals de wijze van betalen en belastingen). Dat lijkt niet geheel in lijn met het beeld dat [eiser] in de dagvaarding schetst, namelijk dat hij helemaal geen bemoeienis had met de financiën. Het staat echter vast dat [gedaagde 1] de administratie deed en de financiën beheerde. Daardoor had hij in de dagelijkse praktijk wel degelijk meer inzicht in de financiën dan [eiser]. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om gevolgtrekkingen te verbinden aan het feit dat [eiser] – anders dan hij in de dagvaarding doet voorkomen – zich op diverse momenten bemoeide met de financiën van de vennootschap.
5.6.
Daarmee kan de rechtbank de vorderingen van [eiser] inhoudelijk beoordelen.
Vordering I en III: verdeling vennootschapsvermogen
5.7.
Bij de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn als I. weergegeven vordering als volgt verduidelijkt. Hij wil dat de rechtbank het vermogen van de vennootschap onder firma verdeelt en – als dat nodig is – daartoe een deskundige benoemt. [eiser] zelf meent dat benoeming van een onafhankelijke deskundige nodig is om een eerlijke eindafrekening te borgen. Omdat [gedaagde 1] in de aanloop naar de procedure verwijtbaar heeft gehandeld door informatie achter te houden en zonder overleg privéopnamen te doen, acht [eiser] het passend dat de kosten van een deskundige voor rekening van [gedaagde 1] komen.
5.8.
[gedaagde 1] voert vooral aan dat [eiser] nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de jaarcijfers en dat het boekhoudkantoor al een eindafrekening heeft gemaakt. [eiser] heeft de procedure tegen het boekhoudkantoor ingetrokken. Daarmee geldt de door de boekhouder opgestelde jaarrekening 2024 nog steeds als uitgangspunt. [gedaagde 1] ziet daarom geen reden een deskundige aan te wijzen om tot een verdeling te komen. Als er wel een deskundige wordt aangewezen, dan zullen de kosten door [eiser] en [gedaagde 1] samen (ieder voor de helft) moeten worden gedragen.
5.9.
Voordat tot verdeling kan worden overgegaan, moet eerst vereffening van de vennootschap plaatsvinden. Daarbij moeten de schuldeisers van de vennootschap worden betaald. Bij de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat er mogelijk nog een schuld aan een videograaf van € 5.403,65 open staat. Als dat (nog steeds) het geval is, zullen [eiser] en [gedaagde 1] als verantwoordelijken voor de vereffening van de vennootschap deze partijen deze in het kader van de vereffening eerst moeten voldoen.
5.10.
Het vermogen dat resteert nadat de vennootschapscrediteuren volledig zijn voldaan, zal moeten worden verdeeld. Voor de ontbonden gemeenschap van een vennootschap onder firma gelden (in beginsel) de bepalingen van de gemeenschapstitel van boek 3 BW. Artikel 3:185 lid 1 BW Pro bepaalt dat de rechter op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling vaststelt of de verdeling zelf vaststelt voor zover deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen. Duidelijk is dat [eiser] en [gedaagde 1] er niet in slagen om afspraken te maken over verdeling. De rechtbank is daarom voornemens op grond van artikel 3:185 BW Pro de (wijze van) verdeling vaststellen. Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. [1] De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. [2]
5.11.
De rechtbank stelt vast dat de (verdelings-)discussie tussen [eiser] en [gedaagde 1] vooral ziet op privéopnames en onttrekkingen van de bankrekeningen van [bedrijf]. [eiser] zegt dat [gedaagde 1] voor € 139.398,27 voor zich heeft opgenomen van de rekening van [bedrijf] en overigens voor € 103.925,93 aan het vermogen van [bedrijf] heeft onttrokken, waar [eiser] zelf € 154.256,01 heeft opgenomen en € 6.000,00 heeft onttrokken voor de aankoop van een auto. [gedaagde 1] betwist gedeeltelijk dat hij in privé geld heeft onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en voert aan dat [eiser] meer gelden heeft onttrokken dan hij aangeeft. [gedaagde 1] verwijst daarbij onder meer naar correspondentie waarin [eiser] hem vraagt voor [eiser] van de rekening van [bedrijf] geld over te maken of betalingen te doen.
5.12.
Anders dan [gedaagde 1] aanvoert is deze discussie niet al beslecht door de vaststelling van de jaarrekeningen over de voorbije jaren. [gedaagde 1] zegt dat de kapitalen van de vennoten in de jaarrekening steeds volgens afspraak zijn gelijk getrokken. In de jaarrekeningen 2020, 2021 en 2022 hebben [gedaagde 1] en [eiser] steeds een ander ondernemingsvermogen. In de jaarrekeningen 2023 en 2024 is het ondernemingsvermogen wel gelijkgetrokken. De reden daarvan is niet duidelijk. Zonder nadere onderbouwing door [gedaagde 1] is niet duidelijk dat deze vastlegging van cijfers in de jaarrekening zou maken dat [eiser] geen vordering zou hebben bij grotere opnamen en onttrekkingen door [gedaagde 1] dan vastgelegd. Daarbij overweegt de rechtbank dat [gedaagde 1] bij de onderbouwing van [eiser] – die onder meer bestaat uit verzoeken om toegang tot de administratie waarop niet werd aangegeven dat hij die al had – niet voldoende heeft betwist dat [eiser] in deze jaren geen toegang had tot de administratie en de bankrekening.
5.13.
De rechtbank is daarbij vooralsnog van oordeel dat het niet nodig is een deskundige aan te wijzen om te beoordelen welke bedragen [eiser] en [gedaagde 1] door de jaren aan het vermogen van de vennootschap hebben onttrokken. Daarbij is ook van belang dat het voor een deskundige moeilijk, zo niet onmogelijk zal zijn om een oordeel te kunnen geven als partijen voor de deskundige elkaars stellingen blijven betwisten. Het is daarom allereerst aan de rechtbank om te beoordelen of [eiser] de door hem gestelde opnamen of onttrekkingen door [gedaagde 1] voldoende heeft onderbouwd.
5.14.
Bij gebrek aan betwisting door [gedaagde 1] (die in algemene zin bevestigt dat hij privé-onttrekkingen heeft gedaan) volgt de rechtbank [eiser] in zijn stelling dat [gedaagde 1] € 139.398,27 van de rekening van [bedrijf] heeft opgenomen en overigens € 64.675,93 voor zich aan het vermogen van de vennootschap heeft onttrokken. Het onttrokken bedrag is € 39.250 minder dan door [eiser] gesteld. Uit de overgelegde documenten blijkt namelijk dat de auto die voor dit bedrag voor de vennootschap is gekocht. Wel moet de verkoopopbrengst meegenomen worden bij de berekening van het te verdelen vermogen na vereffening. Daarmee staat vast dat [gedaagde 1] door de jaren heen € 204.074,20 heeft opgenomen en/of onttrokken. Dat [gedaagde 1] daarnaast gelden heeft weggesluisd via de stichting [naam 2] heeft [eiser] in het geheel niet onderbouwd. De enkele stelling dat [eiser] daarvoor vreest is niet genoeg.
5.15.
[gedaagde 1] voert (als verweer) dat [eiser] meer onttrekkingen heeft gedaan dan door hem opgegeven. [eiser] heeft opgegeven dat hij € 154.265,01 heeft opgenomen en dat de vennootschap de koopprijs van een auto voor hem betaald heeft, waarmee hij € 6.000,00 heeft onttrokken, maar de vennootschap heeft veel meer betalingen voor [eiser] gedaan.
5.16.
[gedaagde 1] heeft met overgelegde correspondentie laten zien dat [eiser] meer onttrekkingen heeft gedaan dan de opgegeven € 6.000,00. [eiser] heeft ook niet betwist dat de vennootschap (ook) voor hem een keuken heeft betaald. [gedaagde 1] heeft echter – anders dan [eiser] – geen onderbouwd overzicht overgelegd van de onttrekkingen. Om tot een goede beoordeling (van de verdeling) te komen zal de rechtbank zal [gedaagde 1] op grond van artikel 22 Rv Pro opdragen om:
  • met een duidelijk overzicht – zoveel mogelijk onderbouwd met facturen of andere ondersteunende stukken zoals correspondentie of WhatsAppberichten – nader toe te lichten welke betalingen van de rekening van [bedrijf] zijn gedaan voor [eiser];
  • met stukken te onderbouwen voor welk bedrag de voor de vennootschap gekochte auto is verkocht en wat er met de opbrengst van de auto is gebeurd.
[eiser] zal op hierop mogen reageren, waarna de rechtbank (in beginsel) op basis van de stukken uitspraak zal doen over de gevorderde verdeling. In dat geval zal de vordering om [gedaagde 1] te veroordelen mee te werken aan het onderzoek van de deskundige (vordering onder III) worden afgewezen.
Vordering II: verstrekken gegevens
5.17.
De rechtbank zal de vordering om [gedaagde 1] te veroordelen om NAW-gegevens van [betrokkene 2] te verstrekken afwijzen. [betrokkene 2] komt weliswaar in de administratie van de vennootschap voor, maar [eiser] heeft bij de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] ter zitting niet voldoende onderbouwd dat er betalingen aan [betrokkene 2] zijn gedaan. [eiser] heeft deze vordering ingesteld om te kunnen laten zien dat de vennootschap betalingen heeft gedaan aan een niet bestaande persoon die in feite (mogelijk) [gedaagde 2] zou zijn. Omdat die betalingen ontbreken, heeft [eiser] niet voldoende onderbouwd dat hij het door artikel 194 Rv Pro vereiste belang heeft bij verstrekking van deze gegevens.
5.18.
Ook de vordering om de offerte en de slotfactuur van het project Video Amsterdamse Klas te overleggen zal in het eindvonnis worden afgewezen. Na de dagvaarding heeft [eiser] toegang gekregen tot de (digitale) administratie. Ook is hij in het bezit van de jaarrekeningen en heeft hij toegang tot (de gegevens van) de bankrekening van de vennootschap. [eiser] heeft niet onderbouwd wat maakt dat hij – met al deze gegevens tot zijn beschikking – onvoldoende toegang heeft tot benodigde gegevens. Daarbij komt dat uit de beschikbare gegevens naar voren komt dat [gedaagde 1] dit werk zonder winst aan de gemeente in rekening heeft gebracht. [gedaagde 1] heeft bij de mondelinge behandeling gezegd dat hij dit heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de ingeschakelde derden hun geld kregen. Bij die omstandigheid heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd het voor artikel 3:15j BW en artikel 194 Rv Pro vereiste belang heeft bij verstrekking van deze gegevens. De offerte en slotfactuur brengen namelijk geen wijziging in het te verdelen vermogen van de vennootschap.
Vordering IV: betalingen aan [gedaagde 2]
5.19.
[eiser] vordert [gedaagde 2] te veroordelen om € 41.854,73 te betalen omdat dit bedrag onverschuldigd aan haar betaald is. Hij zegt het bedrag namens de [bedrijf] te vorderen, maar vindt dat het redelijk is dat [gedaagde 2] dat bedrag als voorschot op de afwikkeling van [bedrijf] aan hem betaalt. De rechtbank oordeelt dat de vennootschap het bedrag inderdaad onverschuldigd heeft betaald. [gedaagde 2] moet daarom € 41.854,73 terugbetalen. De rechtbank zal dat hierna toelichten. Of [gedaagde 2] het bedrag aan de ontbonden vennootschap moet betalen of (al dan niet bij helfte) aan [eiser] zal de rechtbank bij het eindvonnis bepalen.
5.20.
Op grond van artikel 3:171 BW Pro is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak voor de gemeenschap. [eiser] is dan ook gerechtigd deze vordering voor de vennootschap in te stellen.
5.21.
Artikel 6:203 lid 1 BW Pro bepaalt dat degene die een ander zonder rechtsgrond iets gegeven heeft, gerechtigd is dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag. [3]
5.22.
[eiser] heeft voldoende onderbouwd – en [gedaagden] hebben niet voldoende betwist – dat de vennootschap € 41.854,73 aan [gedaagde 2] heeft betaald zonder dat daar een rechtsgrond voor was. [gedaagde 2] heeft alleen in algemene zin gesteld dat zij werkzaamheden heeft verricht als het nakijken van teksten en het bellen van scholen en gemeenten. Bij de mondelinge behandeling heeft zij desgevraagd aangegeven dat zij geen urenstaten heeft bijgehouden van haar werkzaamheden. [gedaagde 1] heeft daarbij gezegd dat hij met budgetten werkte en dat hij daar mensen aan koppelde, maar hoe dat gebeurde is niet duidelijk geworden. Daarbij komt dat [gedaagde 1] bij de mondelinge behandeling heeft bevestigd dat hij de facturen van [gedaagde 2] in maart 2025 heeft bewerkt. Hij heeft toen een definitieve afrekening gemaakt. Daarmee is niet duidelijk dat tegenover de door de vennootschap betaalde facturen ook werkzaamheden van [gedaagde 2] stonden. Daarbij komt dat het hier gaat om een aanzienlijk hoger bedrag dan € 2.000,00. Dit betekent dat [gedaagde 1] enkel bevoegd was om deze verplichtingen samen met [eiser] aan te gaan. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij die toestemming niet heeft gegeven, terwijl [gedaagde 1] niet heeft gezegd wanneer en in welke bewoordingen [eiser] de toestemming zou hebben gegeven. Omdat deze beperking kenbaar was uit het handelsregister kan de (ontbonden) vennootschap deze aan [gedaagde 2] tegenwerpen. [gedaagde 2] zal het gevorderde bedrag dan ook (terug) moeten betalen.
Vordering V: vordering op [gedaagde 1] voor betalingen aan [gedaagde 2]
5.23.
Door de vennootschap voor het aan [gedaagde 2] te betalen bedrag te binden heeft [gedaagde 1] de overeengekomen beperking in de vertegenwoordigingsbevoegdheid overtreden. Deze tekortkoming kan [gedaagde 1] worden toegerekend. Daarmee kan [eiser] in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de schade die hij daardoor lijdt. De rechtbank zal in het eindvonnis beoordelen of [gedaagde 1] ter zake aan [eiser] het door [eiser] gevorderde bedrag als schade moet vergoeden.
Geen vergoeding werkelijke proceskosten
5.24.
[eiser] vordert [gedaagde 1] te veroordelen in de werkelijk door hem gemaakte proceskosten. Hij brengt naar voren dat [gedaagde 1] niet alleen zonder rechtsgrond aanzienlijke bedragen aan de gezamenlijke onderneming heeft onttrokken, maar ook iedere redelijke poging tot een minnelijke oplossing heeft gefrustreerd, onder meer door essentiële financiële gegevens niet te overleggen. Omdat [gedaagde 1] willens en wetens heeft belet dat [eiser] zonder procedure tot een eerlijke afwikkeling heeft kunnen komen, is het geding onnodig gecompliceerd geworden en aanzienlijk kostbaarder.
5.25.
[gedaagden] voeren aan dat [eiser] in strijd met artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld, dat alleen daarom al de vorderingen integraal moeten worden afgewezen en dat [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de volledige proceskosten moet worden veroordeeld.
5.26.
De rechtbank zal in het eindvonnis oordelen over de daadwerkelijke toekenning van een proceskostenvergoeding. Wel oordeelt zij in dit tussenvonnis dat voor een vergoeding van werkelijk gemaakte proceskosten geen grond is.
5.27.
Uitgangspunt is dat de artikelen 237 tot en met 240 Rv een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij het vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Alleen in geval van buitengewone omstandigheden, waarbij gedacht moet worden aan misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad, kan een volledige proceskostenveroordeling worden uitgesproken. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatige handelen is sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. [4] De rechtbank moet gelet op het door artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, terughoudendheid te betrachten bij toewijzing van een reële proceskostenveroordeling.
5.28.
Uit hetgeen de rechtbank hiervoor al uiteen heeft gezet bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] volgt dat deze vorderingen niet evident ongegrond zijn. Om die reden is vergoeding van werkelijke proceskosten door [eiser] niet aan de orde. Ook de aanloop naar de procedure waarbij [eiser] moeite had om aan de benodigde gegevens te komen is geen reden voor een volledige vergoeding van gemaakte proceskosten. Daarmee wordt de hiervoor uiteengezette hoge drempel voor een volledige vergoeding niet gehaald.
5.29.
Iedere verdere beslissing, waaronder die over de gevorderde vergoeding van beslagkosten, wordt aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 27 mei 2026voor het nemen van een akte door [gedaagden] over wat is vermeld onder 5.16, waarna [eiser] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op
29 april 2026.
1621

Voetnoten

1.Artikel 3:185 lid 1 BW Pro
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631
3.Artikel 6:203 lid 3 BW Pro
4.Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828