Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4862

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
15/276685-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf en rijontzegging wegens dodelijk verkeersongeval door zeer onvoorzichtig rijgedrag

Op 21 oktober 2023 reed de verdachte met een bedrijfsauto op de Flevostraat in Purmerend met een snelheid die aanzienlijk hoger was dan toegestaan, waarbij hij een 14-jarige fietser aanreed die de weg overstak vanuit een uitrit. Het slachtoffer overleed ter plaatse aan zijn verwondingen. De rechtbank stelde vast dat de verdachte gedurende de rit en op meerdere momenten te hard reed, met snelheden tot 121 km/u op wegen waar 80 km/u was toegestaan, en dat hij onvoldoende voorzichtigheid betrachtte in een gebied met veel uitritten.

De verdediging voerde aan dat de exacte snelheid niet objectief vast te stellen was en dat het slachtoffer geen voorrang verleende, maar de rechtbank achtte de indicatieve snelheidsmetingen betrouwbaar en concludeerde dat de verdachte zeer onoplettend en onvoorzichtig handelde, waardoor het dodelijke ongeval is veroorzaakt. De rechtbank verklaarde het primair ten laste gelegde feit bewezen en kwalificeerde dit als een overtreding van artikel 6 WVW Pro.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het leed van de nabestaanden, en de persoon van de verdachte, die niet eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld maar wel recent een grove snelheidsovertreding beging. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met ruim zes maanden werd een deel van de straf voorwaardelijk opgelegd. De verdachte kreeg een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een rijontzegging van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf (4 voorwaardelijk) en 36 maanden rijontzegging (18 voorwaardelijk) wegens zeer onvoorzichtig rijgedrag met dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.276685.23 (P)
Uitspraakdatum: 30 april 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 april 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. E.V. Dam, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. L. Siebrand, waarnemend voor zijn kantoorgenoot mr. N.B. Genemans, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair:
hij op of omstreeks 21 oktober 2023 te Purmerend, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg(en), de Flevostraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- gedurende de rit (tevens voorafgaand aan het ongeval), langere tijd en/of op meerdere momenten, met een niet toegestane en/of (onverantwoord) hoge snelheid te (blijven) rijden en/of
- in de Flevostraat zijn snelheid te verhogen en/of met een niet toegestane en/of (onverantwoord) hoge snelheid in de Flevostraat te rijden en/of
- niet de nodige voorzichtigheid te betrachten en/of onvoldoende aandacht te hebben voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (met grote impact) op te botsen of aan te rijden tegen een fietser, die de rijbaan van de Flevostraat wilde oversteken, waardoor die fietser (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair:
hij op of omstreeks 21 oktober 2023 te Purmerend, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg(en), de Flevostraat,
- met een niet toegestane en/of (onverantwoord) hoge snelheid heeft gereden en/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is opgebotst of aangereden tegen een overstekende fietser (genaamd [slachtoffer] ), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en dat niet roekeloosheid maar wel een zeer hoge mate van schuld kan worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken en heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de raadsman zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Het beoordelingskader.
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is of de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat door zijn schuld een ander dodelijk letsel is toegebracht zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook: WVW).
Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro om het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Ook gedragingen op de route voorafgaand aan het ongeval kunnen een rol spelen. Vastgesteld moet worden of de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het gedrag van de verdachte dient daarvoor te worden afgemeten aan dat wat van een bestuurder in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Verder kan ook niet uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld als bedoeld in deze bepaling.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 21 oktober 2023 heeft omstreeks 12:42 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op de Flevostraat in Purmerend. De verdachte reed als bestuurder van een bedrijfsauto op de Flevostraat. De Flevostraat is een voorrangsweg binnen de bebouwde kom. De maximaal toegestane snelheid op deze weg bedraagt 50 kilometer per uur. In de Flevostraat zijn meerdere uitritten van bedrijven. De 14-jarige [slachtoffer] reed daar op zijn fiets en stak vanuit een uitrit de Flevostraat over. Hij keek bij het naderen van de Flevostraat eerst naar links, vervolgens naar rechts en daarna weer naar links. Bij de tweede keer naar linkst kijken reed [slachtoffer] al op de Flevostraat. [slachtoffer] verleende geen voorrang aan de verdachte. De verdachte is met zijn bedrijfsauto tegen [slachtoffer] aan gebotst. [slachtoffer] is ter plaatse overleden aan het letsel dat hij als gevolg van het ongeval had opgelopen.
Uit het onderzoek van de politie volgt dat de verdachte vlak voor het ongeval met een snelheid van minimaal 74 kilometer per uur over de Flevostraat reed en dat hij op het moment van afremmen nog 66 kilometer per uur reed.
De verdachte was werkzaam als pakketbezorger en heeft die dag vanaf ongeveer 6:00 uur met de bedrijfsbus een route door Noord- en Zuid-Holland gereden. Op 53,7% van de gereden route heeft de verdachte met een hogere snelheid gereden dan het wettelijk bepaalde maximum, zo volgt uit het onderzoek.
Verweer raadsman
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit, wegens het ontbreken van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid in de zin van artikel 6 WVW Pro. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de feitelijke snelheid die de verdachte reed op basis van het dossier niet objectief is vast te stellen omdat de verschillende onderzoeken alleen indicatieve snelheden hebben opgeleverd. Deze snelheden variëren van 66 tot 80 kilometer per uur. Hierdoor kan niet worden vastgesteld hoe hard de verdachte daadwerkelijk heeft gereden en wat de invloed daarvan was op het ongeval.
De verkeersovertredingen die de verdachte voorafgaand aan het ongeval op de door hem afgelegde route heeft begaan, zijn niet relevant. Verder is nog van belang dat [slachtoffer] geen voorrang heeft verleend aan de verdachte. De verdachte naderde een uitrit, maar hoefde niet te verwachten dat daar een fietser zou oversteken.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit om de bewezenverklaring te beperken tot aanmerkelijke schuld. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte roekeloos heeft gereden. Ook is geen sprake van zeer onvoorzichtig handelen in de zin van artikel 6 WVW Pro, omdat er naast een snelheidsovertreding geen bijkomende omstandigheden zijn die hierop wijzen.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de door de politie berekende snelheden indicatieve gemiddelde snelheden betreffen, gemeten en berekend op basis van camerabeelden ter plaatse en op basis van data uit de telefoon van de verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze indicatieve gemiddelde snelheden te twijfelen. Uit het proces-verbaal van ‘forensisch onderzoek snelheid op basis van videobeelden’ van 14 april 2024 en de bijlage blijkt voldoende op welke wijze de snelheidsanalyse tot stand is gekomen, waarbij de onderzoeksmethodiek is gebaseerd op de methodiek die door het Nederlands Forensisch Instituut is ontwikkeld. De indicatieve snelheden die op grond van de data van de telefoon zijn berekend, komen overeen met genoemde snelheidsanalyse.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval op meerdere momenten op de route aanzienlijk te hard heeft gereden. Zo reed de verdachte bijvoorbeeld een kwartier voor het ongeval 121 kilometer per uur op een weg waar 80 kilometer per uur was toegestaan. De verdachte heeft dus voor een langere periode met een hoge snelheid gereden, waaronder door de Flevostraat. De Flevostraat is een overzichtelijke weg, maar wel met veel in- en uitritten naar bedrijven. De verdachte is in deze straat steeds harder gaan rijden (van een snelheid van 61 kilometer per uur naar een snelheid van 74 kilometer per uur). Door met zo’n hoge snelheid door deze straat met veel uitritten te rijden, heeft de verdachte niet de nodige voorzichtigheid en oplettendheid in acht genomen, heeft hij niet tijdig op de verkeerssituatie kunnen reageren en is hij met hoge snelheid tegen [slachtoffer] aan gebotst. Hiermee heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank onaanvaardbare risico’s genomen. Hij heeft zichzelf in de positie gebracht dat hij de verkeersfout van [slachtoffer] , het niet verlenen van voorrang, niet meer kon opvangen, ontwijken of de gevolgen daarvan kon beperken. Gelet op de genoemde verkeersfouten van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, als gevolg waarvan het dodelijke ongeval heeft plaatsgevonden.
De rechtbank acht wettig en overtuigend dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
primair:
hij op 21 oktober 2023 te Purmerend, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto, daarmede rijdende over de Flevostraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,
- gedurende de rit, tevens voorafgaand aan het ongeval, langere tijd en op meerdere momenten, met een niet toegestane en hoge snelheid te rijden en
- in de Flevostraat zijn snelheid te verhogen en met een niet toegestane en hoge snelheid in de Flevostraat te rijden en
- niet de nodige voorzichtigheid te betrachten en onvoldoende aandacht te hebben voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en met grote impact aan te rijden tegen een fietser, die de rijbaan van de Flevostraat wilde oversteken, waardoor die fietser genaamd [slachtoffer] werd gedood.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden ontzegd voor de duur van drie jaren.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf aan de verdachte op te leggen, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een rijontzegging die gelijk is aan de tijd dat hij het rijbewijs al kwijt is geweest.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Op 21 oktober 2023 heeft in Purmerend een zeer ernstig verkeersongeval plaatsgevonden.. De verdachte heeft zeer onoplettend en onvoorzichtig gehandeld door als bestuurder van een bedrijfsauto gedurende langere tijd en op meerdere plaatsen met te hoge snelheid te rijden en niet de nodige voorzichtigheid te betrachten bij de verkeerssituatie ter plaatse. Hij is hierdoor tegen een overstekende fietser, de 14-jarige [slachtoffer] , aangereden die ten gevolge van deze aanrijding ter plaatse is overleden.
Als gevolg van het rijgedrag van de verdachte is aan de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed toegebracht. Uit de slachtofferverklaringen van de moeder en de broer van [slachtoffer] ter zitting is gebleken hoe groot het verdriet binnen de familie is en hoezeer hij wordt gemist.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 10 april 2026. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling.
De rechtbank houdt verder rekening met het feit dat het ongeval ook op het leven van de verdachte grote impact heeft. Hij zal moeten leven met de gedachte dat het slachtoffer als gevolg van zijn rijgedrag is overleden. Ter zitting is gebleken hoeveel invloed het ongeval nog altijd heeft op de psychische gesteldheid van de verdachte.
De verdachte lijkt echter nog niet in te zien hoe gevaarlijk te hard rijden met de auto is, omdat hij op 17 september 2024, toen hij net zijn rijbewijs weer terug had gekregen in deze zaak, wederom een grove snelheidsovertreding heeft begaan.
Overschrijding redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn
moet worden gesteld op 21 oktober 2023, de dag waarop de aanrijding plaatsvond en de verdachte voor het eerst is verhoord. Het eindvonnis wordt op 30 april 2026 gewezen. De redelijke termijn is daarmee met ruim zes maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de verdachte valt toe te rekenen en dat niet anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden.
Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn resulteert er in deze zaak in dat de rechtbank daarmee rekening zal houden bij de hoogte van de op te leggen straf.
De op te leggen straffen
De rechtbank heeft voor wat betreft de strafoplegging gekeken naar straffen die voor vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Ook is gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, die bij een situatie als deze (geen middelengebruik en dodelijke afloop) bij een zeer hoge mate van schuld aan het ongeval, uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden moet worden opgelegd. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank bepalen dat een deel, vier maanden, van deze gevangenisstraf vooralsnog niet ten uitvoer worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Anders dan de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden op te leggen die de reclassering heeft geadviseerd (meldplicht en ambulante behandeling). De verdachte heeft namelijk eerder ambulante begeleiding en (trauma)behandeling opgelegd gekregen die hij na onderhavig ongeval op vrijwillige basis heeft voortgezet. Hoewel de verdachte in afwachting van de zitting de behandelingen tijdelijk heeft afgebroken, is hij voornemens deze weer op te pakken. De rechtbank ziet geen reden om eraan te twijfelen dat de verdachte de behandelingen op vrijwillige basis zal vervolgen.
Verder zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 36 maanden opleggen, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Een ontzegging van de rijbevoegdheid is passend en geboden om de verdachte ervan te doordringen voortaan in het verkeer de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid te betrachten. De rechtbank realiseert zich dat de verdachte zijn rijbewijs nodig kan hebben voor de uitoefening van zijn werkzaamheden,. Gelet op de ernst van het feit kan echter niet worden volstaan met het opleggen van een ontzegging die gelijk is aan de reeds ingevorderde periode.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
8(
acht) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
4(
vier) maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van
36 (zesendertig) maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Beveelt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot
18 (achttien) maanden,
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. D.J. Straathof en mr. I.E. Voorberg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L.L. de Vries en mr. M.H.A. Sluiter,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2026.