Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4892

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/15/365657
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:14 BWArt. 2:15 lid 1 sub a BWArt. 2:15 lid 1 sub b BWArt. 2:15 lid 5 BWArt. 2:8 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen nietigheid inschrijving en uitschrijving bestuur Vereniging

Eiser stelt dat hij ten onrechte in 2023 is uitgeschreven als bestuurder van de Vereniging en dat de inschrijving van een ander als voorzitter in het handelsregister niet rechtsgeldig is. Hij vordert nietigheid of vernietiging van deze besluiten. De rechtbank oordeelt dat de civiele rechter niet bevoegd is om de geldigheid van inschrijvingen in het handelsregister te beoordelen, omdat de Kamer van Koophandel als zelfstandig bestuursorgaan deze besluiten neemt en bezwaar en beroep mogelijk zijn bij de bestuursrechter.

Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen het bestuursrechtelijke besluit en heeft de bestuursrechtelijke weg niet gevolgd. De rechtbank wijst daarom de vorderingen af. Ook het verzoek tot vernietiging van het benoemingsbesluit van de voorzitter wordt afgewezen, omdat het besluit nietig is en niet vernietigbaar. De vordering tot vernietiging van het besluit tot uitschrijving van eiser wordt eveneens afgewezen, mede omdat eiser zelf zijn functie heeft neergelegd.

De rechtbank benadrukt dat deze uitspraak het onderliggende conflict binnen de Vereniging niet oplost en raadt partijen aan het gesprek aan te gaan. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/365657 / HA ZA 25-307
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. A.K. Tosun,
tegen
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. C.U. Mons.
De zaak in het kort
[eiser] zegt dat hij in 2023 ten onrechte is uitgeschreven als bestuurder van [gedaagde] en dat de persoon die nu als voorzitter in het handelsregister staat ingeschreven niet juist is benoemd. Hij vordert voor recht te verklaren dat zijn uitschrijving én de inschrijving in het handelsregister van de ander als voorzitter nietig zijn of de besluiten die daaraan ten grondslag liggen te vernietigen. De rechtbank wijst de vorderingen af. Het is niet aan de burgerlijk rechter voor recht te verklaren dat een inschrijving in het handelsregister nietig is. De Kamer van Koophandel die het handelsregister houdt, is een zelfstandig bestuursorgaan en haar besluiten kunnen (na bezwaar) worden aangevochten voor de bestuursrechter. Vernietiging van onderliggende besluiten van [gedaagde] is niet aan de orde.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2025 en de daarin genoemde stukken
- de akte houdende overlegging producties 6 tot en met 14 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 18 maart 2026 tijdens welke zitting mr. Tosun het woord gevoerd heeft aan de hand van door hem overgelegde spreekaantekeningen. De griffier heeft voor het overige van de zitting aantekeningen gehouden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[gedaagde] is opgericht op 5 mei 1983 en heeft als statutair doel het doen beoefenen en het bevorderen van cultuur, sport en folklore in al haar verschijningsvormen.
In de statuten van [gedaagde] van 5 mei 1983 staat onder meer het volgende:
(…)
Lidmaatschap.
Artikel 3.
Een ieder kan als lid tot [gedaagde] toetreden. Het lidmaatschap van [gedaagde] kan mondeling of schriftelijk worden verzocht aan het bestuur.
Het bestuur beslist over de toelating als lid.
Bij niet-toelating kan de algemene vergadering alsnog tot toelating besluiten.
(…)
Geldmiddelen.
Artikel 6.
(…)
2a. de leden zijn jaarlijks gehouden tot het betalen van contributie, welke door de algemene vergadering zal worden vastgesteld. De leden kunnen daartoe in verschillende categorieën worden ingedeeld, die een verschillende contributie betalen.
(…)
Bestuur.
Artikel 9.
Het bestuur bestaat uit tenminste drie personen, te weten, een voorzitter, een secretaris en een penningmeester, met een maximum van zeven personen en wordt door de algemene vergadering uit de leden gekozen. De voorzitter wordt in funktie gekozen, de overige funkties worden tussen de verkozenen verdeeld.
Ieder bestuurslid treedt twee jaar na zijn verkiezing af volgens een door het bestuur op te maken rooster. Aftredende bestuursleden zijn terstond herkiesbaar.
(…)
7. De algemene vergadering kan een bestuurslid als lid van het bestuur schorsen of ontslaan indien zij daartoe termen aanwezig acht. Voor een daartoe strekkend besluit is een meerderheid vereist van ten minste twee/derde van de uitgebrachte geldige stemmen. (…)
(…)
Bestuursvergadering.
Artikel 11.
(…)
3.
a. Alle besluiten (…) worden genomen met een meerderheid van de uitgebrachte geldige stemmen, mits voor wat de in vergadering genomen besluiten betreft de meerderheid van de in funktie zijnde bestuursleden aanwezig is.
(…)
6. Van het verhandelde in elke vergadering worden door de secretaris of een door het bestuur aangewezen notulist notulen gemaakt die door de voorzitter en de notulist worden vastgesteld.
(…)
Algemene Vergadering.
Artikel 14.
1.
Jaarlijks zal uiterlijk zes maanden na afloop van het verenigingsjaar een algemene vergadering (jaarvergadering) worden gehouden.
(…)
4a. Het bestuur is op schriftelijk verzoek van ten minste een zodanig aantal leden als bevoegd is tot het uitbrengen van één/tiende gedeelte van de stemmen verplicht tot het bijeenroepen van een algemene vergadering op een termijn van niet langer dan vier weken.
(…)
2.2.
[eiser] was voorzitter van stichting [naam 1] (de Stichting). De stichting viel onder de overkoepelende (internationale) organisatie Semerkand. In 2016 was de Stichting op zoek naar een nieuwe locatie voor haar activiteiten. Zij vond deze locatie in het gebouw aan de [adres] te [plaats] (hierna: de locatie).
2.3.
De locatie werd op dat moment gehuurd door [gedaagde]. Na overleg tussen de Stichting en [gedaagde] werd besloten dat de Stichting het gebruik van de locatie mocht overnemen van [gedaagde]. Om problemen met de verhuurder en/of huurverhogingen te voorkomen, hebben [gedaagde] en de Stichting afgesproken dat [gedaagde] de huurovereenkomst niet zou opzeggen en de Stichting haar activiteiten onder de naam van [gedaagde] zou voortzetten.
2.4.
Vanaf 1 januari 2016 heeft de Stichting haar activiteiten onder [gedaagde] voortgezet. [eiser] was voorzitter van de Stichting. Hij is per 1 januari 2016 in het handelsregister ingeschreven als voorzitter van [gedaagde]. De overige bestuursleden waren op dat moment [betrokkene 1] ([betrokkene 1]) en [betrokkene 2] ([betrokkene 2]).
2.5.
Uiterlijk 1 juni 2019 heeft [eiser] het voorzitterschap van [gedaagde] overgedragen aan [betrokkene 1].
2.6.
Per 14 januari 2020 is [betrokkene 3] in het handelsregister ingeschreven als penningmeester van [gedaagde].
2.7.
Rond het overlijden van de geestelijk leider van Semerkand in 2023 is er binnen die organisatie discussie ontstaan. Die discussie heeft geleid tot het ontstaan van de Serhendi-beweging (naast Semerkand) en tot verdeeldheid binnen [gedaagde].
2.8.
In een WhatsAppbericht van 20 juli 2023 heeft [eiser] aan de WhatsAppgroep van het bestuur van [gedaagde] meegedeeld dat hij die groep verlaat omdat hij geen deel meer uitmaakt van het bestuur
.
2.9.
In het handelsregister is ingeschreven dat [eiser] per 21 augustus 2023 uit functie is als voorzitter. Ook is ingeschreven dat [betrokkene 1] per die datum uit functie is getreden als penningmeester.
2.10.
Op 27 september 2023 is in het handelsregister geregistreerd dat [betrokkene 4] met ingang van 1 juni 2023 voorzitter van [gedaagde] is. Volgens de registratie in het handelsregister bestond het bestuur vanaf toen uit [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 3].
2.11.
Na een bijeenkomst op 2 januari 2024 heeft [eiser] op 31 januari 2024 opgave gedaan aan de Kamer van Koophandel van het uittreden van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] uit het bestuur en van het toetreden van [eiser] en vijf anderen tot het bestuur van [gedaagde]. Op 1 februari 2024 heeft de Kamer van Koophandel besloten deze opgave in te schrijven in het handelsregister.
2.12.
[betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben een bezwaar ingediend tegen het besluit van de Kamer van Koophandel om de opgave van [eiser] in te schrijven. Daarbij hebben zij onder meer naar voren gebracht dat zij de bestuurders van [gedaagde] zijn en dat zij de wijziging niet hebben ingeschreven. [eiser] heeft daarop onder meer aangevoerd dat er binnen [gedaagde] sprake was van wanbeleid en dat er daarom een algemene ledenvergadering is gehouden zonder de bestuursleden uit te nodigen. De Kamer van Koophandel heeft het bezwaar op 6 juni 2024 gegrond verklaard. Daarbij heeft zij onder meer het volgende overwogen:
De ALV d.d. 2/1/2024 is bijeengeroepen door belanghebbende(rechtbank: [eiser])
en [betrokkene 1] als bestuurders blijkens de reactie d.d. 24/4/2024 van belanghebbende. Echter, op 22/8/2023 zijn belanghebbende en [betrokkene 1] uitgeschreven als bestuurders per 21/8/2023 en het is daarom niet duidelijk voor de Kamer of zij civielrechtelijk nog bestuurders zijn. Zo belanghebbende van mening is dat de uitschrijving op 22/8/2023 ten onrechte is gedaan dan dient hij dat voor te leggen aan de civiele rechter voor een uitspraak waarna e.e.a. kan worden ingeschreven bij de Kamer. Het besluit van 22/8/2023 staat hier niet ter discussie en tegen dat besluit is nimmer bezwaar gemaakt hetgeen betekent dat het bestuursrechtelijk onherroepelijk is geworden.
Zelfs als belanghebbende en [betrokkene 1] nog bestuurders zouden zijn dan zijn zij alleen met z’n tweeën niet bevoegd tot het bijeenroepen van een ALV. Daarvoor is een geldig bestuursbesluit nodig welk besluit genomen wordt in een bestuursvergadering als vrucht van onderling overleg van alle leden van het bestuur. In casu is er echter geen sprake van een dergelijk bestuursbesluit tot bijeenroeping.
(…)
Een vergadering waaraan niet een rechtsgeldig besluit tot bijeenroeping door het bestuur ligt, is geen vergadering. De in een zodanige vergadering genomen besluiten zijn nietig.
(…)
Ook is niet gebleken dat : 1) één/tiende van de stemgerechtigde leden schriftelijk (en onder opgave van de te behandelen onderwerpen) aan het bestuur heeft verzocht om een ALV bijeen te roepen (…)
(…)
Vanwege de omstandigheid dat de Kamer niet overtuigd is dat aan de gehouden ALV van 2/1/2024 een rechtsgeldig (in overeenstemming met de statuten) besluit tot bijeenroeping ten grondslag ligt, heeft de Kamer in bezwaar alsnog gerede twijfel aan het bestaan van de daarin genomen besluiten en hiermee dan ook aan de juistheid van de gedane opgave op 31/1/2024.
2.13.
[eiser] heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit van de Kamer van Koophandel.
2.14.
Op 14 juni 2024 hebben [eiser], [betrokkene 1] en [betrokkene 5] het bestuur van [gedaagde] verzocht een Algemene Ledenvergadering bijeen te roepen met als agendapunten het houden van verkiezingen voor een nieuw bestuur en het ontslaan van het huidige bestuur uit zijn functie en het ontzetten van het lidmaatschap. Daarbij delen zij mee zich het recht voor te behouden om zelf een algemene vergadering te organiseren als de vergadering niet binnen de gestelde termijn van veertien dagen zal worden gehouden.
2.15.
[betrokkene 4] heeft de schrijvers van de brief daarop het volgende meegedeeld. Volgens de statuten kan een algemene ledenvergadering alleen bijeengeroepen worden door betalende leden die stemgerechtigd zijn. [eiser], [betrokkene 1] en [betrokkene 5] komen niet voor in het bestand van betalende en stemgerechtigde leden van [gedaagde]. Het verzoek om een algemene ledenvergadering bijeen te roepen wordt daarom niet in behandeling genomen.
2.16.
Op 6 juli 2024 is vanaf het mailadres van [gedaagde] namens “Het bestuur van de [naam 2] Vereniging” een mail gezonden aan [eiser]. De afzender geeft daarin aan begrepen te hebben dat er een aantal mensen zijn die die dag de locatie willen bezoeken voor een algemene ledenvergadering. Hij benadrukt dat bezoek van de locatie alleen mogelijk is met goedkeuring van het bestuur van [gedaagde] en dat een algemene ledenvergadering niet kan plaatsvinden zonder goedkeuring van geregistreerde leden. [betrokkene 4] heeft dezelfde dag bij de politie melding gemaakt van een mogelijke bestorming van de locatie op 6 juli om 19:30 uur.
2.17.
Op 6 juli 2024 hebben er in de avond schermutselingen plaatsgevonden bij de locatie. Die dag of de volgende dag zijn een aantal ruiten van de locatie vernield.
2.18.
Met een e-mail van 12 juli 2024 heeft [betrokkene 4] de Kamer van Koophandel verzocht om extra alert te zijn bij toekomstige pogingen tot wijziging van het bestuur, omdat er een conflict gaande is binnen [gedaagde] en mensen die daartoe geen bevoegdheid hebben proberen een nieuw bestuur te benoemen.
2.19.
Op 17 juli 2024 heeft [eiser] de Kamer van Koophandel verzocht om een nieuw bestuur in te schrijven dat is gekozen in een ledenvergadering die door de meerderheid van de leden bijeen is geroepen en waaraan “het huidige bestuur” niet heeft deelgenomen.
2.20.
Na een nadere toelichting door [eiser] heeft de Kamer van Koophandel de opgave die [eiser] heeft gedaan retour gezonden omdat deze niet is ondertekend door iemand die als bestuurder is ingeschreven.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de inschrijving van [betrokkene 4] in het handelsregister op 1 juni 2023 nietig is, althans het besluit dat ten grondslag zou liggen aan deze inschrijving vernietigt,
II. voor recht verklaart dat de uitschrijving van [eiser] op 21 augustus 2023 nietig is, althans het besluit dat ten grondslag zou liggen aan deze uitschrijving vernietigt,
III. dan wel een beslissing neemt die de rechtbank in goede justitie juist acht,
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten met wettelijke rente.
3.2.
[eiser] voert daarbij het volgende aan. Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon kan nietig of vernietigbaar zijn. Aan de benoeming en/of inschrijving in het handelsregister van [betrokkene 4] ligt geen besluit ten grondslag dat voldoet aan de statuten. Er is bijvoorbeeld geen bijeenroeping gestuurd, geen agenda opgesteld en geen notulen vastgesteld. Dat betekent dat de inschrijving nietig is op grond van artikel 2:14 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), dan wel vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW Pro. Ook de uitschrijving van [eiser] per 21 augustus 2023 is onrechtmatig. Ontslag van een bestuurslid is volgens de statuten enkel mogelijk door een besluit van de algemene ledenvergadering met een meerderheid van twee derde. Zo’n besluit is er niet. Ook heeft [eiser] nooit ontslag genomen. Met het WhatsAppbericht wilde hij alleen afstand nemen van “het kamp Semerkand”. Omdat rechtsgeldige besluiten ontbreken, moeten de inschrijving van [betrokkene 4] en de uitschrijving van [eiser] ongedaan worden gemaakt. De situatie van voor 1 juni 2023 moet worden hersteld.
3.3.
[gedaagde] vindt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Verkort weergegeven voert zij het volgende aan.
[eiser] had op grond van artikel 2:15 lid 5 BW Pro binnen een jaar vernietiging kunnen vorderen van het besluit om [betrokkene 4] tot voorzitter te benoemen. Hij heeft dat niet (op tijd) gedaan en daarmee is de bevoegdheid om vernietiging te vorderen vervallen.
Ook moeten de vorderingen van [eiser] worden beschouwd als een verzoek om een voorzitter aan te wijzen. Daarvoor kent de wet een verzoekschriftprocedure. Door te dagvaarden heeft [eiser] een onjuiste rechtsingang gekozen. Daarom is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.
Verder gaat de stelling van [eiser] dat [betrokkene 4] niet volgens de statuten is benoemd eraan voorbij dat geen enkel bestuurslid volgens de statutaire regeling is benoemd. Ook [eiser] is niet volgens de regels benoemd. [gedaagde] is in 2016 feitelijk door de Stichting overgenomen. [eiser] was daar voorzitter en is door betrokkenheid van Semerkand ook aangewezen als voorzitter van [gedaagde]. Bij toewijzing van de vorderingen van [eiser] zal dan ook geen sprake zijn van een terugkeer naar een rechtsgeldige situatie.
Omdat ook [eiser] niet rechtsgeldig is benoemd moeten zijn vorderingen op grond van het algemene rechtsbeginsel ‘in pari delicto potior est condicio defendentis’ al worden afgewezen.
Voor de uitschrijving van [eiser] geldt dat [eiser] zelf zijn bestuursfunctie heeft opgezegd. Hij heeft meegedeeld dat hij niet meer als bestuurslid actief wilde zijn en daarna de WhatsAppgroep van het bestuur verlaten. Dit aftreden is door de anderen geaccepteerd.
Meer algemeen geldt dat [gedaagde] onder voorzitterschap van [betrokkene 4] is begonnen met een juiste uitvoering van de statuten. Zo is er nu een ledenadministratie en kan de algemene ledenvergadering stemmen over het bestuur. Als [betrokkene 4] uit zijn functie van voorzitter zou worden gezet, zou [gedaagde] stuurloos worden. Dit moet worden voorkomen. Daarom moeten de vorderingen van [eiser] ook op grond van de redelijkheid en billijkheid en een afweging van de belangen worden afgewezen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Juiste rechtsingang
4.1.
De rechtbank volgt Vereniging niet in het verweer dat [eiser] de verkeerde rechtsingang gebruikt door niet voor een verzoekschriftprocedure te kiezen. Anders dan [gedaagde] aanvoert, zijn de vorderingen van [eiser] niet gelijk te stellen met een verzoek om in de vervulling van een ledige plaats in het bestuur te voorzien. [eiser] vordert onder meer om besluiten van organen van [gedaagde] te vernietigen. Deze vorderingen kunnen worden ingesteld in een dagvaardingsprocedure. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] dan ook inhoudelijk behandelen.
De gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen
4.2.
[eiser] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat de inschrijving van [betrokkene 4] als voorzitter in het handelsregister gehouden door de Kamer van Koophandel en de uitschrijving van [eiser] uit datzelfde register nietig zijn. De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen.
4.3.
De gevorderde verklaringen voor recht dat de door [eiser] bestreden inschrijvingen van de wijzigingen in het handelsregister nietig zijn, komen feitelijk neer op een rectificatie van de inschrijvingen in het handelsregister. Deze dagvaardingsprocedure leent zich niet voor een dergelijke rectificatie. De civiele procedure is daarvoor niet de juiste weg, omdat de Kamer van Koophandel een zelfstandig bestuursorgaan is en in die hoedanigheid besluiten heeft genomen op de opgave van inschrijving van [betrokkene 4] en de opgave van uitschrijving van [eiser]. Als een belanghebbende meent dat een inschrijving of uitschrijving in het register van de Kamer van Koophandel onjuist is, kan deze de bestuursrechtelijke weg volgen door daartegen tijdig bezwaar te maken. Tegen de beslissing op bezwaar kan vervolgens beroep worden ingediend bij de bestuursrechter (in dit geval het College van Beroep voor het bedrijfsleven). Vaststaat dat [eiser] niet tijdig gebruik heeft gemaakt van deze bestuursrechtelijke mogelijkheden. De besluiten van de Kamer van Koophandel om de opgaven in te schrijven zijn inmiddels onherroepelijk.
Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat de civiele rechter niet treedt in de beoordeling van de geldigheid van een bestuursorgaan wanneer er een met voldoende waarborgen omklede administratieve rechtsgang heeft opengestaan en deze ofwel niet is gevolgd ofwel vergeefs is gevolgd. Omdat hier een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, zal de rechtbank niet treden in de beoordeling van de geldigheid van de besluiten van de Kamer van Koophandel. Deze vorderingen van [eiser] zijn niet toewijsbaar.
De vordering om het benoemingsbesluit van Cakmak te vernietigen wordt afgewezen
4.4.
[eiser] vordert ook dat de rechtbank het besluit dat ten grondslag zou liggen aan de inschrijving van [betrokkene 4] als voorzitter te vernietigen. De rechtbank gaat er vanuit dat [eiser] daarmee bedoelt dat het besluit om [betrokkene 4] te benoemen tot bestuurder/voorzitter van [gedaagde] moet worden vernietigd. Deze vordering zal worden afgewezen.
4.5.
Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon (zoals een vereniging) dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig tenzij uit de wet anders voortvloeit. [1] Een besluit is vernietigbaar als het strijdig is met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW Pro worden geëist. [2]
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit om [betrokkene 4] te benoemen tot voorzitter niet is genomen door het juiste orgaan. In de statuten is bepaald dat bestuurders worden benoemd door de algemene (leden)vergadering. Een besluit van de algemene vergadering tot benoeming van [betrokkene 4] tot bestuurslid/voorzitter ontbreekt. Zijn deelname aan het bestuur is enkel in het bestuur besproken. Daarmee is het besluit [betrokkene 4] tot bestuurder/voorzitter te benoemen in strijd met de statuten genomen. Het besluit is daarom nietig. Een nietig besluit kan niet worden vernietigd, zodat de vordering van [eiser] om het benoemingsbesluit te vernietigen moet worden afgewezen.
Vordering om het besluit onder de uitschrijving van [eiser] te vernietigen wordt afgewezen
4.7.
Een eventueel besluit van het bestuur om [eiser] te ontslaan als bestuurder zou om dezelfde reden nietig zijn. Op grond van de statuten is het aan de algemene vergadering om – bij een versterkte meerderheid – [eiser] als bestuurder te ontslaan. Tussen partijen is niet in geschil dat een dergelijk besluit van de algemene vergadering ontbreekt. Al om deze reden kan de vordering van [eiser] om het door hem aan het bestuur toegeschreven besluit om hem als voorzitter te ontslaan te vernietigen niet worden toegewezen. Een nietig besluit kan niet worden vernietigd.
4.8.
Daarbij komt dat [gedaagde] betwist dat het bestuur het besluit heeft genomen om [eiser] te ontslaan. Zij zegt dat [eiser] zelf al ontslag had genomen als bestuurslid. [eiser] betwist dit, maar heeft ter zitting gezegd dat hij het voorzitterschap in 2018 of 2019 heeft overgedragen aan [betrokkene 1]. Daarvan uitgaande is de uitschrijving als voorzitter niet meer dan een handeling die volgde uit de feitelijke situatie en geen besluit van het bestuur. Bij het ontbreken van een besluit van het bestuur is er (ook) geen besluit dat vernietigd kan worden.
4.9.
In beide situaties moet de vordering van [eiser] worden afgewezen.
Vordering beslissing in goede justitie
4.10.
Als zijn eerdere vorderingen niet worden toegewezen, vordert [eiser] (subsidiair) dat de rechtbank een beslissing neemt die zij in goede justitie juist acht. Deze vordering is te onbepaald en wordt om die reden afgewezen.
Tussenconclusie
4.11.
Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Daarmee hoeven de overige verweren van [gedaagde] geen bespreking.
Proceskosten
4.12.
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:
griffierecht € 714,00
salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten à € 653,00)
nakosten
€ 189,00(plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.209,00.
Ten overvloede
4.13.
Partijen zijn het erover eens dat het geschil tussen [eiser] en [gedaagde] moet worden gezien in de context van een discussie binnen (en afscheiding uit) Semerkand, waarbij [betrokkene 4] de zijde van Semerkand kiest en [eiser] de zijde van de nieuwe Serhendi-beweging. Deze scheiding is mogelijk doorheen [gedaagde] te zien. Deze uitspraak zal deze kwestie niet oplossen. De rechtbank hecht er daarbij waarde aan op te merken dat – ook als de vorderingen van [eiser] volledig zouden zijn toegewezen – deze kwestie niet zou zijn opgelost. In dat geval zou [betrokkene 4] niet langer ingeschreven staan als voorzitter en [eiser] wel, maar de uitspraak zou niet afdoen aan de inschrijving van de andere bestuurders, die achter [betrokkene 4] staan. Ook zou de uitspraak mogelijk aanleiding kunnen zijn voor een volgende procedure over het bestuur(derschap) van [eiser]. De rechtbank geeft partijen daarom in overweging om met elkaar het gesprek aan te gaan om te bezien in welke mate samenwerking of een andere oplossing mogelijk is.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op
6 mei 2026.
1155

Voetnoten

1.Artikel 2:14 BW Pro
2.Artikel 2:15 lid 1 aanhef Pro en onder a. en b. BW