De rechtbank Noord-Holland behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn twee maanden oude dochter in december 2021. De tenlastelegging betrof het met kracht bij de hand pakken, arm naar achter bewegen of trekken van de baby, althans het uitoefenen van forse krachtsinwerkingen.
De rechtbank onderzocht de medische rapporten en deskundigenverklaringen over de breuken bij de baby, waaronder ribbreuken, een breuk in de linker bovenarm en een breuk in het linker sleutelbeen. De ribbreuken konden niet met zekerheid aan verdachte worden toegerekend omdat meerdere personen voor de baby zorgden. De breuk in de bovenarm kon zowel accidenteel als niet-accidenteel zijn ontstaan, waardoor ook hiervoor geen strafrechtelijk verwijt kon worden gemaakt.
De breuk in het linker sleutelbeen werd echter wel aan verdachte toegerekend, omdat deze breuk volgens deskundigen vrijwel zeker niet accidenteel was en een hevige krachtsinwerking vereiste. De rechtbank oordeelde echter dat verdachte niet met opzet, ook niet voorwaardelijk, het letsel heeft toegebracht. Hoewel een aanmerkelijke kans op zwaar letsel bestond, was niet aannemelijk dat verdachte deze bewust heeft aanvaard. Hij waarschuwde direct zijn partner en was open over de verzorgingshandelingen.
Gezien het ontbreken van bewijs voor bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op letsel sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging. De dagvaarding werd als voldoende duidelijk beoordeeld en de officier van justitie was ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan op 6 mei 2026 door een meervoudige strafkamer.