AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag
Op 14 september 2024 vond op de Hoofdweg Oostzijde in Lijnden een verkeersongeval plaats waarbij twee personen zwaar lichamelijk letsel opliepen. De verdachte reed met een Opel Vectra met een snelheid van 60-64 km/h in een 30 km/h zone en botste frontaal tegen een bromfiets waarop een man en zijn 8-jarige dochter zaten. Door de aanrijding liepen beiden ernstig letsel op, waaronder een slagaderlijke hersenbloeding en darm- en miltscheuren.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gedragen door te hard te rijden, in een niet APK-gekeurde auto met een defect ABS-systeem, en onvoldoende rekening te houden met de verkeerssituatie, waaronder geparkeerde auto's die het zicht belemmerden. De verdachte was afgeleid omdat hij een verkeerde afslag had genomen.
De rechtbank achtte het bewezen dat het ongeval aan de schuld van de verdachte te wijten was en kwalificeerde het als een overtreding van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een rijontzegging van 215 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank hield rekening met de ernst van het letsel, het strafblad van de verdachte en zijn spijtbetuiging.
De rechtbank wees het verzoek van de verdediging af om de rijontzegging geheel voorwaardelijk te maken, mede vanwege het eerdere strafblad van de verdachte voor te hard rijden en het feit dat het ABS-systeem niet functioneerde. De opgelegde straf is bedoeld om herhaling te voorkomen en recht te doen aan de ernst van het feit.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en 215 dagen rijontzegging wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/306132-24
Uitspraakdatum: 6 mei 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 april 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. E.V. Dam, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda, naar voren is gebracht.
1.Tenlastelegging
De verdachte wordt vervolgd voor zijn betrokkenheid bij een verkeersongeval op 14 september 2024 op De Hoofdweg Oostzijde in Lijnden, als gevolg waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.
Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich als bestuurder van een motorrijtuig zodanig heeft gedragen dat het verkeersongeval aan zijn schuld te wijten is en subsidiair dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3.De beoordeling van het bewijs
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat de gedragingen van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moeten worden aangemerkt.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit te komen en heeft zich ten aanzien daarvan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsmotivering
Het beoordelingskader
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden, is of de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.
Op grond van vaste rechtspraak gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994 (hierna: WVW), om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld moet worden dat de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het gedrag van de verdachte moet daarvoor worden vergeleken met wat van een bestuurder van een motorrijtuig in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. In het algemeen kan niet worden gezegd dat een enkele verkeersovertreding voldoende is om schuld in de zin van artikel 6 WVWPro aan te nemen. Verder kan uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag niet worden afgeleid dat sprake is van schuld zoals hiervoor bedoeld.
Feiten en omstandigheden
Op 14 september 2024 omstreeks 08:12 uur heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de Hoofdweg Oostzijde in Lijnden, ter hoogte van perceel 76. De Hoofdweg Oostzijde bevindt zich in een 30 km/h zone en is bestemd voor verkeer in beide rijrichtingen. Ongeveer 400 meter voorafgaand aan de plaats van het ongeval stond ook een (officieus) verkeersbord waarmee wordt aangeduid dat het om een “fietsstraat” gaat, waar auto’s te gast zijn.
De verdachte reed in zijn auto, een Opel Vectra (met kenteken [kenteken] ), over de Hoofdweg Oostzijde vanuit de richting van Hoofddorp, richting de Akerdijk. Vanuit de verdachte bezien, bevinden zich aan de linkerzijde van de weg bomen en water, aan de rechterzijde van de weg zijn parkeerplaatsen en daarnaast een trottoir en woningen.
[slachtoffer 1] reed op een bromfiets met achterop zijn 8-jarige dochter [slachtoffer 2] . Hij kwam vanuit zijn erf gelegen aan de Hoofdweg Oostzijde 76 en wilde linksaf slaan de Hoofdweg Oostzijde op, in de richting van Hoofddorp. Op het moment dat de bromfiets grotendeels was ingedraaid op ongeveer het midden van de weg, is de verdachte met zijn auto vrijwel frontaal tegen de bromfiets gereden. Door deze aanrijding is [slachtoffer 2] van de bromfiets geslingerd en op de weg terechtgekomen. [slachtoffer 1] is via de motorkap op het wegdek gevallen.
Vlak voor de plaats van de aanrijding stonden, vanuit de verdachte bezien, aan de rechterkant van de weg drie auto’s geparkeerd, waardoor zijn zicht op de oprit van perceel 76 werd belemmerd. Ook het zicht vanaf perceel 76 op de Hoofdweg Oostzijde (en de naderende auto van de verdachte) werd belemmerd door deze geparkeerde auto’s.
Het verlaten van de oprit door de bromfiets betreft een bijzondere manoeuvre, zodat [slachtoffer 1] bij het oprijden van de Hoofdweg Oostzijde het overige verkeer voorrang had moeten verlenen.
Uit het forensisch onderzoek blijkt dat het helder weer was, het wegdek was droog en het verloop van de weg is niet van invloed geweest op het ontstaan van het verkeersongeval.
Uit de snelheidsanalyse van de politie blijkt dat de verdachte kort voor de aanrijding, voordat hij voor het eerst remde, 60-64 km/h heeft gereden. Deze meetresultaten zijn door de verdediging niet betwist.
De auto van de verdachte was niet APK gekeurd en het ABS-systeem van de auto functioneerde niet. Uit het dossier blijkt dat de verdachte hiervan op de hoogte was.
De verdachte heeft verklaard dat hij vol heeft geremd op het moment dat hij de bromfiets de weg op zag komen, maar dat hij een aanrijding niet heeft kunnen voorkomen.
De afstand van het begin van het remspoor tot aan de plaats van de botsing met de bromfiets bedraagt ongeveer 12,5 meter. Uit de vermijdbaarheidsanalyse blijkt dat de remweg, bij een snelheid van 30 km/h, tussen de circa 5,3 meter en 6 meter zou zijn geweest. De aanrijding had dus niet plaatsgevonden als de verdachte met de toegestane snelheid van 30 km/h had gereden. Deze bevindingen zijn door de verdediging evenmin betwist.
[slachtoffer 1] heeft als gevolg van de aanrijding een slagaderlijke hersenbloeding opgelopen. [slachtoffer 2] had als gevolg van de aanrijding twee perforaties in de dunne darm, een scheur in de dikke darm, een scheur in de milt en licht traumatisch hoofd- en hersenletsel. Beiden zijn geopereerd en hebben respectievelijk elf en zeven dagen in het ziekenhuis verbleven.
Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij niet bekend was met de betreffende weg. Hij had een verkeerde afslag genomen en was via zijn navigatie op zoek naar een tankstation. Hij was daardoor mogelijk afgeleid en is mogelijk daardoor onbewust harder gaan rijden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, en overweegt daartoe het volgende.
Het besturen van een auto vereist een voortdurende verplichting tot voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder. Ook is het aan de bestuurder om te anticiperen op wat er kan komen of wat er - ook onverwachts - kan gebeuren. De verdachte is hierin ernstig tekortgeschoten. De verdachte reed op een weg binnen de bebouwde kom, waar een maximale snelheid van 30 km/h geldt. Ook was hij voorafgaand aan de plaats van het ongeval gewaarschuwd dat hij een zogeheten fietsstraat betrad; een weg waar auto’s te gast zijn.
Niettemin reed de verdachte 60-64 km/h, dus minimaal twee keer de toegestane snelheid ter plaatse, in een niet APK gekeurde auto waarvan het ABS-systeem, zoals hij wist, niet functioneerde. Daar komt bij dat de verdachte, zo heeft hij ter zitting verklaard, afgeleid was omdat hij een verkeerde afslag had genomen. Op het moment dat de verdachte de bromfiets waarnam, was hij niet meer in staat om zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen. Als de verdachte zich aan de maximaal toegestane snelheid van 30 km/h had gehouden, was dat wel gelukt en had het ongeval dus niet plaatsgevonden.
Dat de verdachte vanwege de geparkeerde auto’s verminderd zicht had op de betreffende uitrit had juist tot extra voorzichtig en oplettend rijgedrag moeten leiden.
Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 14 september 2024 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto merk Opel Vectra, kenteken [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg, de Hoofdweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, met een niet toegestane en (zeer onverantwoord) hoge snelheid te rijden, waardoor hij niet in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was en daarbij (met grote impact) tegen een voor hem van rechts komende (overstekende) bromfiets aan te rijden, waardoor aan de bestuurder van die bromfiets (genaamd [slachtoffer 1] ) en aan de opzittende van die bromfiets (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5.Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6.Motivering van de sanctie
6.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden op te leggen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft verzocht rekening te houden met het feit dat het slachtoffer uit een uitrit kwam en voorrang had moeten verlenen aan de verdachte. De raadsman heeft verder bepleit dat de verdachte zijn baan als buschauffeur zal verliezen als hij een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegd opgelegd zou krijgen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht daarmee rekening te houden en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, in combinatie met een hogere taakstraf dan door de officier van justitie is geëist.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft als bestuurder van een auto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft, onder meer door in de bebouwde kom veel te hard te rijden, aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en is daardoor in botsing gekomen met een bromfiets waarop [slachtoffer 1] met zijn dochter [slachtoffer 2] reed. Zij hebben door deze aanrijding allebei zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat het verkeersongeval een enorme impact op de slachtoffers en hun familie heeft gehad en dat zij de nadelige gevolgen daarvan nog steeds ondervinden.
De rechtbank realiseert zich dat geen enkele op te leggen straf in verhouding zal staan tot het leed dat de slachtoffers hebben ervaren en nog steeds ervaren.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 12 december 2025. Daaruit blijkt dat in 2024 een strafbeschikking aan hem is opgelegd voor te hard rijden, waarbij ook zijn rijbewijs is ingevorderd. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.
De rechtbank begrijpt dat de verdachte de gevolgen van zijn handelen niet heeft gewild. Op de zitting heeft de verdachte spijt betuigd en excuses aangeboden aan familie van de slachtoffers.
Oordeel van de rechtbankBij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. In deze zaak is sprake geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag; dat is de lichtste vorm van schuld als bedoeld in de Wegenverkeerswet.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een rijontzegging opleggen voor de duur van 215 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van de verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest. Deze voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw in de fout te gaan.
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om de door de reclassering geadviseerde gedragsinterventie als bijzondere voorwaarde op te leggen.
7.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
8.Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 120 [honderdtwintig] urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 [zestig] dagenhechtenis;
veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 215 [tweehonderdvijftien] dagenmet aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
beveelt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot 180 [honderdtachtig] dagen, nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Reemst, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. F.V. Streiff, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 mei 2026.
Bijlage I – de tenlastelegging
hij op of omstreeks 14 september 2024 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto merk Opel Vectra, kenteken [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg, de Hoofdweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een niet toegestane en/of (zeer onverantwoord) hoge snelheid te rijden, waardoor hij niet in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was en daarbij (met grote impact) tegen een voor hem van rechts komende (overstekende) bromfiets te botsen of aan te rijden, waardoor aan de bestuurder van die bromfiets (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel (te weten slagaderlijke hersenbloeding) werd toegebracht en aan de opzittende van die bromfiets (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel (te weten scheuren in de dikke darm en/of de dunne darm en/of de milt en/of hersenschudding) werd toegebracht, of in elk geval aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2024 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de Hoofdweg, met een niet toegestane en/of (zeer onverantwoord) hoge snelheid te rijden, waardoor hij niet in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was en (met grote impact) tegen een voor hem van rechts komende (overstekende) bromfiets te botsen of aan te rijden met bestuurder [slachtoffer 1] en/of opzittende [slachtoffer 2] , door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.