Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4946

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/15/376036
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 438 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging vonnis verkoop woning in executiegeschil

Partijen hadden een geregistreerd partnerschap dat in 2015 werd ontbonden met een convenant waarin de woning aan de man werd toegewezen, met een verdeling van de overwaarde bij verkoop. De notariële toedeling en ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw jegens de hypotheekverstrekker hadden echter niet plaatsgevonden.

De vrouw vorderde in kort geding dat de man medewerking verleent aan de verkoop van de woning, wat werd toegewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De man stelde hoger beroep in en vroeg tevens schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

De rechtbank oordeelt dat het belang van de man bij behoud van de woning, mede gezien zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat het gerechtshof nog niet over de schorsingsvordering heeft beslist, zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij onmiddellijke tenuitvoerlegging. Daarom wordt de tenuitvoerlegging geschorst tot het gerechtshof heeft beslist.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het vonnis tot verkoop van de woning wordt geschorst totdat het gerechtshof heeft beslist over de schorsingsvordering.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/376036 / KG ZA 26-141
Vonnis in kort geding van 6 mei 2026(bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. V.R.L. Berkhout,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A.M. Buitenhuis.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 april 2026 met 6 producties
- de nagekomen productie 7 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 29 april 2026, waarbij door [gedaagde] pleitaantekeningen zijn overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een geregistreerd partnerschap gehad, dat bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2015 is ontbonden. Van deze beschikking maakt deel uit de tussen partijen gesloten overeenkomst ontbinding geregistreerd partnerschap (hierna: het convenant).
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 1] (hierna: de woning). Over de woning is in het convenant opgenomen:
‘4.3 De koopwoning alsmede de bijbehorende hypotheekschuld wordt aan de man toegewezen. Voor zover op het moment van verkoop de waarde van de woning de hypotheekschuld overstijgt, zal de overwaarde bij helfte worden verdeeld’.
2.3.
De notariële toedeling van de woning aan [eiser] en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde] jegens de hypotheekverstrekker hebben niet plaatsgevonden.
2.4.
[eiser] woont thans in de woning met zijn nieuwe partner en diens minderjarige kinderen. [gedaagde] woont met de vier kinderen van partijen, waarvan er drie inmiddels meerderjarig zijn, in een huurwoning.
2.5.
[gedaagde] heeft [eiser] in oktober 2025 in kort geding doen dagvaarden bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank.
2.6.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 februari 2026 (hierna: het kortgedingvonnis) zijn de vorderingen van [gedaagde] grotendeels toegewezen. Kort gezegd is [eiser] veroordeeld om binnen 48 uur na betekening van het vonnis uit drie door [gedaagde] voorgestelde opties een makelaar te kiezen en onvoorwaardelijke medewerking in de ruimste zin te verlenen aan aanbieding en verkoop van de woning. [eiser] is veroordeeld zich te houden aan de adviezen van de makelaar ten aanzien van de vraag- en verkoopprijs en alles te doen wat in het kader van een verkoop van de woning door de makelaar gewenst wordt geacht, waaronder een aantal specifiek omschreven handelingen, op verbeurte van een dwangsom. Dit vonnis is door de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.7.
[gedaagde] heeft het kortgedingvonnis aan [eiser] laten betekenen.
2.8.
[eiser] heeft bij dagvaarding van 10 maart 2026 hoger beroep ingesteld tegen het kortgedingvonnis bij het gerechtshof Amsterdam en heeft daarbij tevens een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het kortgedingvonnis ingesteld.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de uitvoerbaarheid bij voorraad van het kortgedingvonnis van 18 februari 2026 te schorsen.
3.2.
[eiser] legt hieraan, samengevat, het volgende ten grondslag. Nu de voorzieningenrechter haar beslissing het kortgedingvonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet nader heeft gemotiveerd, moet worden aangenomen dat daartoe nog geen afweging van belangen heeft plaatsgevonden. Deze belangenafweging kan dan alsnog plaatsvinden in het onderhavige executiegeschil, waarbij de door de Hoge Raad in 2019 geformuleerde toetsingsmaatstaf [1] moet worden aangelegd. [eiser] stelt dat zijn belang bij behoud van de bestaande situatie totdat in hoger beroep is beslist zwaarder dient te wegen dan dat van [gedaagde] bij tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis. [eiser] was na het tekenen van het convenant in de veronderstelling dat daarmee de woning en bijbehorende hypotheek op zijn naam stonden en was zich er niet van bewust dat hiervoor nog nadere handelingen vereist waren. [eiser] heeft hierover ook tien jaar niets vernomen van [gedaagde]. Dat aan [eiser] in het kortgedingvonnis nu een termijn van 48 uur is geboden zijn medewerking te verlenen aan verkoop van de woning staat daartoe in geen verhouding. Dit terwijl [eiser] ook hard bezig is te trachten de hypotheek over te nemen. Hij verwacht op korte termijn bericht van het UWV over de aangevraagde IVA-uitkering, waarna hij deze stukken aan zijn hypotheekadviseur kan sturen. Het belang van [eiser] bij behoud van de woning is groot. Als hij de woning verliest komt hij, samen met zijn partner en haar minderjarige kinderen, op straat te staan. Zijn partner en haar dochter hebben onlangs bovendien een ernstig ongeval gehad, en voor de revalidatie is zijn partner aan huis gebonden. [eiser] kampt ook met depressieve klachten. [gedaagde] heeft geen spoedeisend belang bij verkoop van de woning, aldus [eiser].
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert, samengevat, het volgende aan. Op grond van artikel 351 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft [eiser] in hoger beroep een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad opgeworpen. [gedaagde] stelt dat geen sprake is van dusdanige spoedeisende omstandigheden dat er naast dit incident ook aanleiding zou zijn voor het onderhavig kort geding en zij verzoekt de voorzieningenrechter zich in dezen terughoudend op te stellen. Verder stelt [gedaagde] dat het kortgedingvonnis terecht uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Al hetgeen [eiser] nu opwerpt in dit executiegeschil is door hem ook al naar voren gebracht in de voorgaande kortgedingprocedure. [eiser] heeft nog altijd geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hij de hypotheek kan overnemen, terwijl daar al sinds november 2025 om wordt verzocht. Met enkel een uitkering zal dat ook lastig worden, aldus [gedaagde]. [gedaagde] is het wachten zat, zij wil met haar vier kinderen (van wie er inmiddels drie meerderjarig zijn) weg uit de benarde woonsituatie waar zij thans in zit. Het ongeluk van de partner van [eiser] maakt dit alles niet anders, aldus [gedaagde].
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelet op de aard van de vordering gegeven.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het [eiser] in beginsel vrij staat zowel een incident uit hoofde van artikel 351 Rv Pro als een soortgelijke vordering in een executiegeschil op grond van artikel 438 lid 2 Rv Pro in te stellen. Wanneer in een van beide procedures uitspraak is gedaan, kan dat er in de andere procedure toe leiden dat aan een inhoudelijke beoordeling, wegens strijd met de eisen van een goede procesorde, niet wordt toegekomen. [2] Ter zitting is namens [eiser] verklaard dat [gedaagde] zich in de procedure in het incident bij het gerechtshof op 12 mei 2026 bij akte dient uit te laten over de ontvankelijkheid. De voorzieningenrechter gaat er dus vanuit dat op de datum van dit vonnis door het gerechtshof nog geen uitspraak is gedaan in het incident.
4.3.
In het hiervoor onder 3.2. reeds aangehaalde arrest van 20 december 2019 heeft de Hoge Raad regels geformuleerd voor de beoordelingsmaatstaf die in een executiegeschil moet worden toegepast. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan (indien het vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan) worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
4.4.
Bij dagvaarding stelt [eiser] dat hij, gelet op de doorlooptijden bij het hof en de door [gedaagde] aan hem gedane mededeling dat zij nu zelfstandig op basis van het vonnis overgaat tot verkoop van de woning, zich genoodzaakt zag dit executiegeschil te starten. Hij stelt het incident in hoger beroep niet te kunnen afwachten. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van [eiser] dus zo, dat hij primair vordert de tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis te schorsen, totdat het gerechtshof in het kort geding in hoger beroep in de hoofdzaak en subsidiair in het daartoe opgeworpen incident heeft beslist. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.5.
Ter zitting is niet duidelijk geworden of [eiser] specifiek aan [gedaagde] heeft verzocht of zij ermee akkoord ging het kortgedingvonnis niet ten uitvoer te leggen zolang het gerechtshof niet had beslist op het incident. Echter, namens [gedaagde] is ter zitting verklaard dat, indien dit verzoek van de zijde van [eiser] was gekomen, zij daar niet mee akkoord zou zijn gegaan. Dit maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat [eiser] hoe dan ook genoodzaakt was het onderhavige kort geding op te starten om deze schorsing te vorderen. Gelet op de door [eiser] gestelde omstandigheden weegt zijn belang bij behoud van de bestaande situatie totdat in het incident is beslist naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis. Het belang van [gedaagde] is niet dusdanig, dat moet worden aangenomen dat het wachten op de uitspraak van het gerechtshof in het incident niet van haar kan worden gevergd.
4.6.
De voorzieningenrechter acht op voorhand niet evident dat het belang bij schorsing totdat het Hof heef beslist ook moet prevaleren en zal dat ter beoordeling aan het hof overlaten, waar een daartoe strekkende incidentele vorderring voorligt.
4.7.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 februari 2026 tot het moment dat door het gerechtshof Amsterdam is beslist op de door [eiser] ingestelde incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 februari 2026,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
2009

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019.