ECLI:NL:RBNHO:2026:495

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
372755 JU RK 25-1780
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling wegens vertrouwen in vrijwillige hulpverlening

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige, die sinds januari 2024 onder toezicht staat. De GI motiveert het verzoek met aanhoudende zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige en de prille verbetering in de samenwerking tussen de ouders. De hulpverlening via iHub is recent gestart en de GI stelt voor de OTS met een half jaar te verlengen om de hulpverlening te kunnen evalueren.

De ouders verzetten zich tegen verlenging omdat de situatie aanzienlijk is verbeterd, de ondertoezichtstelling negatieve associaties oproept en de minderjarige zelf aangeeft dat hij geen OTS meer nodig acht. De minderjarige ervaart de hulp van iHub als prettig, maar wil de GI-hulpverlening niet meer.

De kinderrechter overweegt dat de gronden voor OTS niet langer aanwezig zijn. De gezinssituatie en de relatie tussen de ouders zijn gestabiliseerd, het gedrag van de minderjarige is verbeterd, en de hulpverlening is gestart. Er is vertrouwen dat het gezin zich vrijwillig zal inzetten voor de hulpverlening. Daarom wordt het verzoek tot verlenging afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat de gronden niet langer aanwezig zijn en er vertrouwen is in vrijwillige hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/372755 / JU RK 25-1780
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een afwijzing verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
gezamenlijk ook te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van 12 december 2025 met bijlagen;
  • de twee berichten van de GI met nagezonden stukken, ontvangen op 30 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] staat ingeschreven bij de moeder en heeft een omgangsregeling met de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 oktober 2023 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. De kinderrechter heeft vervolgens bij beschikking van 17 januari 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling is verlengd bij beschikking van 14 januari 2025, tot 17 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er zijn nog steeds zorgen om [de minderjarige] . Het contact en de samenwerking tussen de ouders is zichtbaar verbeterd, maar dit is een prille ontwikkeling. De individuele therapie voor [de minderjarige] en de gezinstherapie voor [de minderjarige] en de ouders bij iHub is zeer recent, sinds afgelopen december, daadwerkelijk gestart. Daarnaast zijn in het nieuwe schema voor de omgangsregeling (te) veel wisselmomenten voor [de minderjarige] , wat veel flexibiliteit vraagt van [de minderjarige] en de ouders. Dat proces moet dan ook zorgvuldig bewaakt worden. Omdat de huidige goede ontwikkeling nog te pril is, is een verlenging van de ondertoezichtstelling nu nog noodzakelijk.
3.3.
Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat de positieve draai in het gezin kansrijk maar nog heel broos is. De GI kan zich erin vinden om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een half jaar. Op die manier kan de hulpverlening van iHub nog twee keer geëvalueerd worden en kan de GI nog bijsturen, mocht dat nodig zijn. De hulpverlening van iHub kan ook doorgaan in het vrijwillig kader.

4.De standpunten

4.1.
De ouders hebben zich verzet tegen het verzoek, omdat de ondertoezichtstelling niet meer nodig is. Daarnaast wordt de ondertoezichtstelling door het hele gezin geassocieerd met negativiteit uit het verleden en dit roept met name bij [de minderjarige] veel weerstand en onrust op. Het gaat al ruim een jaar beter tussen de ouders. Zij spreken elkaar dagelijks en kunnen samen belangrijke beslissingen nemen over [de minderjarige] . De moeder ziet dat de verbeterde situatie [de minderjarige] goed doet. Hij had een lastige start op de middelbare school, maar sinds de herfstvakantie 2025 gaat het beter. [de minderjarige] ontvangt hulp van een coach op school, naast zijn hulpverlening vanuit iHub. Beide ouders ervaren de hulpverlening vanuit iHub als prettig en staan ervoor open de gesprekken voort te zetten.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
heeft verteld dat het met hem goed gaat. Zowel op school, thuis, als tussen de gezinsleden onderling gaat het goed. [de minderjarige] vindt de hulpverleners van iHub fijn, maar hulp vanuit de GI hoeft [de minderjarige] niet meer. Het duurde lang voordat de hulpverlening op gang kwam en de GI wil vooral zaken uit het verleden bespreken, in plaats van kijken naar de toekomst. Een ondertoezichtstelling is volgens [de minderjarige] niet nodig, de hulpverlening kan doorgaan in het vrijwillig kader.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor een ondertoezichtstelling niet langer aanwezig zijn en overweegt daartoe als volgt. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is bij beschikking van 14 januari 2025 verlengd, omdat de ontwikkelingsbedreiging, gelegen in trauma vanwege de meegemaakte strijd tussen de ouders, nog niet was weggenomen. Het was aannemelijk dat [de minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevond. [de minderjarige] liet namelijk onhandelbaar gedrag zien op school en deed dreigende uitlatingen richting de moeder.
6.2.
Nadat in februari 2025 de verklarende analyse van Parlan was afgerond, is in november/december 2025 hulpverlening vanuit iHub gestart. Hoewel het afgelopen jaar dus grotendeels hulpverlening ontbrak, is de gezinssituatie en de relatie tussen de ouders desondanks langzaam verbeterd en gestabiliseerd. Het lukt de ouders te communiceren en samen te werken in het belang van [de minderjarige] en zij richten zich hierbij op de toekomst. Zo zijn de ouders in staat om onderling de omgangsregeling vorm te geven en gaan zij binnenkort, op verzoek van [de minderjarige] , gezamenlijk zijn verjaardag vieren. Wel waren tot voor kort nog steeds zorgen over het gedrag van [de minderjarige] . In september 2025 is [de minderjarige] gestart op de middelbare school waar hij zorgelijk gedrag liet zien en de grenzen opzocht. In diezelfde maand is [de minderjarige] een week geschorst geweest, nadat hij een mes had meegenomen naar school. Zowel [de minderjarige] als de ouders hebben ter zitting aangegeven dat het sinds de herfstvakantie beter gaat met [de minderjarige] op school. Hij wil graag doorstromen naar mavo/kader en is erg gemotiveerd om dit doel te behalen. De school heeft deze verbetering bij de ouders bevestigd. [de minderjarige] lijkt zich te hebben herpakt en is rustiger aanwezig in de klas. Sinds het incident heeft hij een begeleider op school en de school staat in contact met de hulpverlening van iHub. Dat lijkt vooralsnog goed te gaan.
6.3.
De kinderrechter overweegt dat het de ouders en [de minderjarige] , ondanks het ontbreken van hulpverlening, gezamenlijk is gelukt om de onderlinge verhoudingen en het gedrag van [de minderjarige] , met vallen en opstaan, te verbeteren. Inmiddels is zowel PMT (psychomotorische therapie) voor [de minderjarige] als RGT (relationele gezinstherapie) voor [de minderjarige] en de ouders gestart. [de minderjarige] heeft verteld een fijne band te hebben met zijn hulpverleners. Ook de ouders hebben aangegeven de hulpverlening als prettig te ervaren en de gezamenlijke gesprekken te willen voortzetten. Hoewel de hulpverlening pas vorige maand daadwerkelijk is gestart en de goede ontwikkelingen omtrent het gedrag van [de minderjarige] ook nog pril zijn, heeft de kinderrechter – met name gelet op de huidige onderlinge verhouding tussen de ouders en het verloop van het afgelopen jaar – het vertrouwen dat alle gezinsleden zich zullen inzetten voor de hulpverlening in het belang van [de minderjarige] . Ook de vader, die eerst sceptisch was, staat inmiddels open voor de hulpverlening van iHub. Een ondertoezichtstelling is daarom niet meer noodzakelijk.
6.4.
Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling niet opnieuw verlengen en het verzoek afwijzen.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en op schrift gesteld en ondertekend op 22 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.