Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €146.652,47 op basis van een eenvoudige kasopstelling die uitgaven van de veroordeelde niet met legale inkomsten kon verklaren. De vordering was gerelateerd aan eerdere veroordelingen voor medeplegen van valsheid in geschrift en witwassen.
De verdediging betoogde dat de kasopstelling onvolledig en onbetrouwbaar was, mede door gebrekkig financieel onderzoek en het ontbreken van cruciale bankafschriften. De rechtbank stelde vast dat het dossier onvoldoende inzicht gaf in de financiële positie van de veroordeelde, met name door ontbrekende belastingaangiften en onvolledige bankmutaties.
De rechtbank concludeerde dat de kasopstelling onvoldoende handvatten bood om vast te stellen dat de veroordeelde uitgaven had gedaan die niet met legale inkomsten konden worden verklaard. Hierdoor kon niet met redelijke zekerheid worden vastgesteld dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel had genoten. De vordering tot ontneming werd daarom afgewezen.