Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5025

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
C/15/377492
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 1 mei 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige voor drie maanden en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de vader voor vier weken. Dit verzoek volgde op een spoedmelding en een kinderbeschermingsonderzoek dat op 22 april 2026 was gestart.

Er waren al jaren zorgen over de situatie van de kinderen, waarbij sprake was van fysieke conflicten, verwaarlozing, schoolverzuim en psychische problematiek van de moeder, die op 30 april 2026 vrijwillig was opgenomen in een gesloten GGZ-afdeling. De moeder gaf geen toestemming voor verblijf van de kinderen bij familieleden, waardoor verblijf bij haar niet veilig was.

De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor voorlopige ondertoezichtstelling was voldaan vanwege een acuut en ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige. Ook was uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van verzorging en opvoeding. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de verdere behandeling van het verzoek werd aangehouden. De Raad, de gecertificeerde instelling, en de ouders werden opgeroepen voor een zitting.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de vader vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling en onveilige thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377492 / JU RK 26-671
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 1 mei 2026.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
3.
Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Naar aanleiding van een spoedmelding van het Centrum voor Jeugd en Gezin is op 22 april 2026 een kinderbeschermingsonderzoek gestart. Er zijn al jarenlang af en aan grote zorgen over de kinderen, welke met de hulpverlening van [hulpverleningsorganisatie] steeds weer konden worden ondervangen. De kinderen hebben alle drie een andere vader, de moeder heeft een licht verstandelijke beperking en psychische problematiek. De afgelopen weken maken zowel het netwerk van de moeder, de vaders en school zich grote zorgen om de kinderen. Er zijn meldingen van fysiek geweld tussen de moeder en [de minderjarige 2] , het huis is een puinhoop, er is geen eten voor de kinderen, er wordt niet gekookt en er is sprake van schoolverzuim. Verder zijn de kinderen getuige van verward gedrag van de moeder en van huil- en schreeuwbuien. De moeder is op 30 april 2026 opgenomen op een gesloten afdeling van GGZ inGeest. Zij verblijft hier (vooralsnog) op vrijwillige basis. De moeder geeft geen toestemming om de kinderen bij de oma en hun vaders te laten verblijven. De kinderen kunnen voorlopig niet (veilig) bij de moeder verblijven.
4.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
4.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2]
4.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.6.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 1 mei 2026 tot 1 augustus 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , bij de vader met ingang van 1 mei 2026 tot 29 mei 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. J.H. Broek op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier, en op schrift gesteld op 4 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).