Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5041

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
C/15/377617
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over spoedmachtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming verzoekt de kinderrechter om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die bij haar vader woont. De vader en moeder hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag. Eerder waren er al voorlopige ondertoezichtstellingen en machtigingen tot uithuisplaatsing verleend, maar de situatie bij de vader is inmiddels onhoudbaar geworden.

De kinderrechter constateert dat de spanningen in het gezin zijn toegenomen, met escalaties waarbij de vader de controle verliest en de minderjarige onveiligheid ervaart. Er is sprake van een incident waarbij de minderjarige fysiek letsel opliep en van zorgwekkende suïcidale uitspraken van de vader. Plaatsing bij de moeder is niet mogelijk vanwege eerdere agressie van de minderjarige.

Gezien het onmiddellijke en ernstige gevaar voor de minderjarige acht de kinderrechter spoedige uithuisplaatsing noodzakelijk. Daarom wordt een machtiging verleend voor vier weken, uitvoerbaar bij voorraad, met een oproep voor een zitting waar alle betrokkenen hun mening kunnen geven. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor vier weken wegens onhoudbare en onveilige thuissituatie bij de vader.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377678 JU RK 26-696
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclasseringte Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 7 mei 2026.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 november 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 17 november 2025 heeft de kinderrechter voornoemde machtiging verleend tot
5 februari 2026. Vervolgens is [de minderjarige] bij beschikking van 23 januari 2026 onder toezicht gesteld tot 23 januari 2027. De verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is in diezelfde beschikking beëindigd.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
[de minderjarige] woont bij de vader, na een periode van uithuisplaatsing. Op dit moment is de thuissituatie bij de vader helaas niet langer houdbaar. De spanningen in huis zijn de afgelopen periode sterk toegenomen en escaleren regelmatig. De vader is overbelast geraakt en verliest tijdens de conflicten die plaatsvinden de controle. [de minderjarige] ervaart hierdoor voortdurende onveiligheid en spanning. Eerder heeft zich al een incident voorgedaan waarbij [de minderjarige] fysiek gewond is geraakt (gebroken vinger) tijdens een escalatie in huis. Dit toont aan dat spanningen snel kunnen omslaan in fysieke onveiligheid. Daarnaast is er sprake van zorgwekkende en belastende uitspraken van de vader met een suïcidaal karakter, waaronder dat hij “samen met [de minderjarige] tegen een boom aan gaat rijden”. Deze uitspraken vergroten het risico en de onveiligheid voor [de minderjarige] aanzienlijk. Op dit moment geeft de vader bovendien expliciet aan dat hij wil dat [de minderjarige] nog vóór het weekend uit huis wordt geplaatst, omdat hij de situatie niet meer aankan en de veiligheid niet kan waarborgen. Plaatsing bij de moeder is ook niet mogelijk vanwege ernstige verbale en fysieke agressie vanuit [de minderjarige] in het verleden bij de moeder thuis. Omdat de veiligheid van [de minderjarige] in het geding is en er geen mogelijkheid is om dit binnen de thuissituatie bij de vader (en evenmin bij de moeder), op korte termijn te herstellen, is onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk.
4.2.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [1]
4.3.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.5.
De GI, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 mei 2026 tot 4 juni 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de GI, de vader, de moeder en de advocaat van vader op voor de zitting van mr. E.M. ten Bos op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.6.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 door
mr. S. Ok, kinderrechter, en op schrift gesteld en ondertekend op 8 mei 2026 door mr. J. van Beek, kinderrechter, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).